Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 23 augustus 2023 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Salhi in Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Robalo in Rotterdam.
Procedure
Bij beschikking van 17 mei 2024 heeft deze rechtbank bepaald dat
voorlopig contact met de vader zullen hebben onder begeleiding van [instantie] op de door [instantie] te bepalen wijze en tijdstippen;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de zorg- c.q. omgangsregeling wordt aangehouden.
Bij beschikking van 21 februari 2025 heeft deze rechtbank een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de vader de kinderen op woensdag uit school haalt en drie uur later weer terugbrengt op een door de moeder te bepalen plaats. Indien één van de kinderen op de woensdagmiddag niet kan, zal dit contact plaatsvinden op zaterdagmiddag. Daarnaast is bepaald dat de vader de kinderen twee keer per week zal videobellen, te weten op maandag en vrijdag om 17.00 uur. Tot slot is het verzoek van de moeder om haar te belasten met het eenhoofdig gezag afgewezen.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op [geboortedatum 2] 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat zij bij genoemde beschikking heeft overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet nader wordt overwogen of beslist.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat beide partijen hun verzoeken hebben gewijzigd via een F9-formulier. De moeder heeft bij F9-formulier van 9 juli 2025 haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij verzoekt te bepalen dat de kinderen ieder weekend van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijven. Daarnaast verzoekt de moeder dat de schoolvakanties en de Islamitische feestdagen bij helfte tussen de ouders wordt verdeeld. De vader heeft bij F9-formulier van 30 juli 2025 zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat hij verzoekt te bepalen dat de voorlopige zorgregeling wordt omgezet in een definitieve zorgregeling.
Uit de stukken en uit hetgeen tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat [zorginstantie] inmiddels bij het gezin betrokken is. [zorginstantie] biedt op dit moment begeleiding en ondersteuning aan de kinderen. Daarnaast, zo is op de zitting besproken, heeft [zorginstantie] aangegeven zich zorgen te maken over de moeizame verstandhouding en de beperkte communicatie tussen de ouders. Volgens [zorginstantie] hebben de ouders ook op dit vlak begeleiding nodig. [zorginstantie] kan deze begeleiding echter momenteel niet bieden, omdat de benodigde financiering niet rond komt. Volgens de moeder komt dit doordat in de eerdere beschikking niet voldoende duidelijk is opgenomen dat [zorginstantie] tevens de begeleiding van de ouders dient te verzorgen.
De rechtbank heeft op de zitting de advocaten verzocht zich na de zitting nader uit te laten over de mogelijke rol die [zorginstantie] kan spelen en wat daar voor nodig is. Ondanks pogingen daartoe van de advocaten is die duidelijkheid niet gekomen. De rechtbank acht het, gelet op de verstoorde verhouding en de gebrekkige communicatie tussen de ouders, van belang dat zij met elkaar een traject van ouderschapsbemiddeling met elkaar doorlopen. Aangezien [zorginstantie] al bij het gezin betrokken is, acht de rechtbank het in het belang van zowel de kinderen als de ouders dat [zorginstantie] ook de begeleiding aan de ouders op zich neemt. Blijkens haar website voorziet [zorginstantie] hier ook in. Hierdoor hoeven de ouders niet opnieuw via het uniforme hulpaanbod te worden doorverwezen, met de bijbehorende wachttijden, en kan het ouderschapsbemiddelingstraject bij [zorginstantie] op korte termijn van start. De rechtbank gaat ervan uit dat [zorginstantie] de begeleiding van de ouders op zich neemt.
Ten aanzien van de zorgregeling overweegt de rechtbank als volgt. De voorlopige zorgregeling die bij beschikking van 21 februari 2025 is vastgelegd, is tot augustus van dit jaar (redelijk) goed verlopen. In augustus heeft zich echter een incident voorgedaan tussen de vader en de kinderen, waardoor de kinderen niet meer naar de vader willen. Wat er precies is voorgevallen, is niet geheel duidelijk geworden. De kinderen hebben de vader in ieder geval sinds augustus niet meer gezien. De moeder hecht er waarde aan dat de vader betrokken blijft bij het leven van de kinderen. Zij acht het echter in het belang van de kinderen dat zij van de vader kunnen verwachten dat hij de gemaakte afspraken nakomt. De vader geeft aan niet goed te begrijpen waarom de kinderen hem niet meer willen zien. Hij vermoedt dat de moeder de kinderen negatief beïnvloedt. De vader staat open voor contact met de kinderen, maar heeft aangegeven dat hij eigenlijk alleen op woensdag, en niet op andere dagen, in staat is de omgang na te komen.
De kinderen hebben in een gesprek met de rechter aangegeven in principe open te staan voor contact met de vader, mits de vader zich weer ‘normaal’ gedraagt. Met ‘normaal’ bedoelen de kinderen dat de vader hen niet uitscheldt (bijvoorbeeld door hen ‘ezels’ te noemen) en geen ruzie maakt met andere mensen op straat.
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij (weer) contact met de vader hebben. Daarbij acht de rechtbank het echter van groot belang dat de kinderen rust, structuur en duidelijkheid ervaren. Dat kan er komen als de vader de zorgregeling stipt nakomt. Aangezien de vader tijdens de zitting heeft aangegeven dat hij de huidige voorlopige zorgregeling na kan komen, maar meer niet, is de rechtbank van oordeel dat deze regeling dient te worden omgezet in een definitieve zorgregeling. Een uitbreiding van de regeling acht de rechtbank op dit moment niet in het belang van de kinderen, omdat de vader niet kan garanderen dat hij een ruimere regeling kan nakomen. Bovendien is een uitbreiding naar het oordeel van de rechtbank voor de kinderen op dit moment een te grote stap, omdat dit vermoedelijk tot teleurstellingen bij hen zal leiden.
Ten aanzien van de schoolvakanties en de Islamitische feestdagen overweegt de rechtbank als volgt. De kinderen hebben in het gesprek met de rechter aangegeven de Islamitische feestdagen het liefst bij de moeder te willen vieren. De rechtbank zal hiermee rekening houden en dienovereenkomstig beslissen. Met betrekking tot de schoolvakanties bepaalt de rechtbank dat de zorgregeling tijdens de vakanties zal doorlopen, nu dit in het verleden eveneens op deze wijze is verlopen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
om de week op woensdag uit school bij de vader zullen zijn, waarbij de vader de kinderen uit school haalt en de kinderen na drie uur weer op een door de moeder te bepalen plaats terugbrengt. Als één van de kinderen niet kan op woensdagmiddag, zal dit contact plaatsvinden op zaterdagmiddag;
bepaalt dat de minderjarigen tijdens de Islamitische feestdagen bij de moeder zullen zijn;
bepaalt dat de zorgregeling doorloopt in de schoolvakanties;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.