Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 2 september 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Lucas te Lelystad.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J. Fakiri te ’s-Gravenhage.
Procedure
Bij beschikking van 6 november 2024 van deze rechtbank is een beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming in Den Haag (hierna: de Raad) van 10 april 2025, kenmerk [kenmerk] ;
Op 31 oktober 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad.
[de minderjarige] heeft zijn mening over het voorliggende verzoek gegeven in een gesprek met de kinderrechter.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist. Aan de rechtbank ligt nu nog voor het verzoek van de vader voor vaststelling van een zorgregeling met [de minderjarige] .
Uit het rapport van de Raad blijkt het volgende. Tot zijn achtste levensjaar heeft [de minderjarige] geen contact gehad met de vader en dacht [de minderjarige] dat zijn toenmalige stiefvader zijn vader was. Sindsdien is er wisselend contact geweest tussen [de minderjarige] en de vader. Eind december 2024 is het contact gestopt. Het Sociaal Team heeft getracht om begeleide omgang tussen [de minderjarige] en vader op te starten, maar de moeder heeft hier niet mee ingestemd. De Raad is bezorgd dat [de minderjarige] aanwezig is geweest bij de ruzies tussen ouders of deze heeft gehoord. Een andere zorg is dat de moeder volwassenzaken met [de minderjarige] bespreekt en negatief over de vader praat tegen [de minderjarige] . Zij geeft verbaal dan wel toestemming aan [de minderjarige] om contact te hebben met zijn vader, maar zij straalt naar [de minderjarige] uit dat zij het contact tussen [de minderjarige] en vader niet kan/zal steunen Hierdoor voelt [de minderjarige] (mogelijk) niet de ruimte om het contact met zijn vader vrij aan te gaan
Het is wel belangrijk voor [de minderjarige] dat hij onbelast contact kan hebben met beide ouders. Het is ook belangrijk dat dit contact structureel is (op vaste dagen en tijden), zodat [de minderjarige] weet waar hij aan toe is en wat hij kan verwachten. Voor [de minderjarige] wordt hulpverlening vanuit Middin ingezet. Ondanks dat [de minderjarige] heeft aangegeven dat hij geen contact wil met de vader (wat lijkt voort te komen vanuit zijn loyaliteit naar de moeder en zijn gevoel om voor haar te moeten kiezen), vindt de Raad het belangrijk dat [de minderjarige] met hulp de mogelijkheid aangeboden krijgt om een band met de vader op te bouwen. Vanwege de huidige weerstand van [de minderjarige] , het wisselende verloop van de contacten tussen [de minderjarige] en de vader en het langdurige alcoholgebruik van de vader, is de Raad van mening dat de contacten begeleid (via Sensa Zorg) dienen te verlopen. De Raad vindt eens in de maand (2.5 uur) passend om mee te starten. Daarnaast dient er eens in de week (op een vaste dag en tijd) een belmoment te zijn. De Raad is van mening dat de belmomenten onder begeleiding van hulpverlening (Sociaal Team) weer opgestart moeten worden, zodat er meer structuur in zit en [de minderjarige] ook ondersteund kan worden tijdens het telefonische contact met de vader.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De betrokken hulpverleenster van Delft Support is van baan gewisseld en het heeft enige tijd geduurd voordat er een opvolgster bekend was. Begeleid telefonisch contact tussen de vader en [de minderjarige] is daarom nog niet van de grond gekomen. Het is ook (nog) niet mogelijk gebleken om begeleide omgang op te starten met hulpverlening van Sensa Zorg. De hulpverlening vanuit Middin is inmiddels wel gestart en er hebben drie gesprekken met [de minderjarige] plaatsgevonden. De moeder krijgt één keer per maand opvoedondersteuning van Middin.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals op de zitting is besproken acht de rechtbank het, net als de Raad, van belang dat er door Middin wordt gekeken welke ruimte er bij [de minderjarige] is voor contact met de vader en hoe dat zou kunnen worden opgebouwd. Als die ruimte er bij [de minderjarige] is kan Middin vervolgens Sensa Zorg inzetten voor omgangsbegeleiding en kan het Sociaal Team betrokken worden voor het begeleiden van het telefonisch contact tussen de vader en [de minderjarige] .
In de tussentijd vindt de rechtbank het belangrijk dat de vader hulpverlening voor zichzelf inschakelt zoals psycho-educatie en opvoedondersteuning. Voor de moeder is het van belang dat zij opvoedondersteuning van Middin blijft ontvangen, waarbij de rechtbank zich kan voorstellen dat zij er baat bij heeft – en [de minderjarige] dus ook – wanneer dit vaker dan één keer per maand gebeurt.
Gelet op het bovengenoemde acht de rechtbank het nodig om eerst de diverse trajecten af te wachten. De rechtbank zal daarom nog geen beslissing nemen over een zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] . De rechtbank zal de zaak met vier maanden aanhouden en verwacht van partijen dat zij de rechtbank twee weken vóór de hierna genoemde pro forma datum informeren over de stand van zaken en de gewenste voortgang van de procedure.
Beslissing
De rechtbank:
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan tot 1 april 2025 pro forma.