ECLI:NL:RBDHA:2025:25412

ECLI:NL:RBDHA:2025:25412, Rechtbank Den Haag, 26-11-2025, NL25.32240

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 29-12-2025
Zaaknummer NL25.32240
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel. Kenia. Beroep gegrond. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres is in Kenia al eerder blootgesteld aan ernstige schade door de autoriteiten. De minister heeft dan ook niet deugdelijk gemotiveerd dat er goede redenen zijn waarom eiseres bij terugkeer naar Kenia niet opnieuw zal worden blootgesteld aan ernstige schade. Verder heeft de minister het beleid dat ziet op eerdere confrontaties met wandaden niet juist toegepast. Wel is de minister er terecht van uitgegaan dat vrouwen in Kenia die slachtoffer zijn van seksueel misbruik niet behoren tot een bepaalde sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Kuster).

Samenvatting

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.32240

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is daarom gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft op 18 juni 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Keniaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1978. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, D.A. Ochieng als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

6. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres wordt in Kenia vanwege haar etniciteit gediscrimineerd waardoor zij geen baan kon vinden als leerkracht. Ook heeft eiseres deelgenomen aan een demonstratie in 2024. De autoriteiten hebben eiseres bij deze demonstratie opgepakt waarna zij samen met andere vrouwen in detentie is mishandeld en verkracht door een groep politieagenten.

Het bestreden besluit

7. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- het geen werk kunnen vinden vanwege etniciteit; en

- deelname aan een demonstratie en de daaruit voortvloeiende problemen.

De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Dat eiseres geen werk kon vinden vanwege haar etniciteit vindt de minister niet geloofwaardig. Verder vindt de minister de deelname aan een demonstratie en de daaruit voortvloeiende problemen geloofwaardig. De geloofwaardig gevonden asielmotieven leiden volgens de minister niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Kenia. Dit omdat er volgens de minister geen aanwijzingen zijn dat eiseres momenteel nog in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat en omdat eiseres heeft verklaard dat zij bij terugkeer niet nog een keer zal deelnemen aan een demonstratie. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van 0 dagen. Verder heeft de minister aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Kennelijk ongegrondheid

8. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze afwijzingsgrond was, kort samengevat, gebaseerd op de conclusie van de minister in het voornemen dat eiseres kennelijk valse verklaringen had afgelegd.1 De rechtbank stelt vast dat de minister zich in het verweerschrift en tijdens de zitting op het standpunt heeft gesteld dat de asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat de minister in het bestreden besluit tot een andere conclusie is gekomen over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres. In het bestreden besluit acht de minister de verklaringen over deelname aan demonstraties en de daarop volgende problemen niet langer ongeloofwaardig.

Volgens de minister leidt dit er niet toe dat de asielaanvraag wordt ingewilligd. Volgens hem betekent dit slechts dat de asielaanvraag had moeten worden afgewezen als ongegrond.2 Omdat de asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond moet volgens de minister een vertrektermijn van 28 dagen worden gegeven (in plaats van 0 dagen) en moet worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod aan eiseres. De minister heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, maar het bestreden besluit niet te vernietigen dan wel de rechtsgevolgen daarvan in stand te houden.

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat het beroep reeds hierom gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Eiseres heeft verzocht om de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand te laten. Volgens haar moet de minister haar asielaanvraag opnieuw beoordelen. Vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank hierna aan de hand van de overige beroepsgronden van eiseres beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, of dat de minister een nieuw besluit moet nemen.

Artikel 31, vijfde lid, van de Vw

9. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft onderkend dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Vw vanwege de geloofwaardig geachte gebeurtenissen in het verleden. Hierdoor heeft de minister niet onderkend dat de bewijslast op hem rust en stelt hij zich ten onrechte op het standpunt dat haar geloofwaardig geachte asielmotieven niet leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Kenia. Volgens eiseres is de minister eraan voorbij gegaan dat zij vanwege de mishandeling en verkrachting in detentie getraumatiseerd is, dat zij als gevolg daarvan niet in staat was om haar leven op te pakken na de detentie en daardoor uiteindelijk uit Kenia is vertrokken. Verder voert eiseres aan dat de minister ten onrechte aan haar tegenwerpt dat het niet aannemelijk is dat zij aangifte heeft gedaan van de mishandeling en verkrachting in detentie door politieagenten. Ook als niet wordt aangenomen dat eiseres geprobeerd heeft om aangifte te doen, moet de minister alsnog beoordelen wat voor risico’s het doen van een aangifte wegens de mishandeling en verkrachting in detentie voor eiseres met zich meebrengt. De minister heeft dat ten onrechte nagelaten, aldus eiseres.

Uit artikel 31, vijfde lid, van de Vw volgt dat het feit dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade3 of dat zij hiermee rechtstreeks is bedreigd, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.

De rechtbank overweegt dat de minister in het verweerschrift impliciet heeft erkend dat in het voornemen (toen het asielmotief ‘deelname aan een demonstratie en de daaruit voortvloeiende problemen’ nog ongeloofwaardig werd geacht) en in het bestreden besluit (toen dat element wél geloofwaardig werd geacht) van een onjuiste bewijslastverdeling is uitgegaan. De minister heeft toegelicht dat wat eiseres in detentie is overkomen, te weten de mishandeling en verkrachting door politieagenten, bij nader inzien moet worden beschouwd als eerdere blootstelling aan ernstige schade. Daarmee ligt de bewijslast voor het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging respectievelijk het risico op ernstige schade bij de minister. De minister stelt zich op het standpunt daaraan te hebben voldaan met de nadere toelichting in het verweerschrift en tijdens de zitting.

De rechtbank overweegt verder dat de minister in het verweerschrift, naast het voorgaande, ook heeft overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt een gegronde vrees te hebben voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade te lopen. Dit is gezien het voorgaande onjuist en in tegenspraak met het standpunt van de minister dat het vanwege de eerdere gebeurtenissen nu op de weg van de minister ligt om te motiveren dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat eiseres niet opnieuw slachtoffer zal worden van vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Kenia.

In het bestreden besluit heeft de beoordeling van het asielrelaas van eiseres plaatsgevonden tegen de achtergrond dat de minister op dat moment (ten onrechte) veronderstelde dat de het op de weg van eiseres lag om aannemelijk te maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade zou lopen bij terugkeer naar Kenia. Door het standpunt van de minister in de beroepsfase is het voor de rechtbank niet goed mogelijk om vast te stellen welke onderdelen van het bestreden besluit verweerder wel en niet handhaaft, van welke onderdelen van het geloofwaardig geachte deel van het asielrelaas hij precies uitgaat en daarmee: welke elementen hij betrekt (dan wel dient te betrekken) bij de risico-inschatting. Dit is van belang, omdat de motivering van het voornemen en het bestreden besluit berust op een ander uitgangspunt dan het uitgangspunt van de minister in beroep. Daaruit volgt dat het voor de rechtbank niet op alle onderdelen mogelijk is om te beoordelen wat de consequentie dient te zijn van het als gevolg van het gewijzigde beoordelingskader ontstane bewijsvermoeden. Ook kan daardoor de eindconclusie van de minister in beroep, namelijk dat geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade niet volledig getoetst worden. In zoverre bevat het bestreden besluit een onzorgvuldige voorbereiding en een motiveringsgebrek.

Daar waar het bestreden besluit en de toelichting van de minister in beroep wel voldoende duidelijk is, zal de rechtbank hierna toch om proceseconomische redenen ingaan op de overige beroepsgronden.

De minister stelt zich in beroep, onder verwijzing naar het bestreden besluit op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat eiseres bij de autoriteiten in Kenia bekend is, dat het niet aannemelijk is dat zij aangifte heeft gedaan van het feit dat politieagenten haar hebben mishandeld en verkracht in detentie en dat het mede daarom ook niet aannemelijk is dat zij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Dat eiseres bij terugkeer naar Kenia in de negatieve belangstelling zou kunnen komen te staan van de autoriteiten acht verweerder een onzekere toekomstige gebeurtenis die niet relevant is voor de beoordeling. Daarbij speelt ook een rol dat eiseres na de blootstelling aan ernstige schade nog lange tijd in Kenia heeft verbleven en dat zij het land legaal heeft kunnen verlaten.

De rechtbank oordeelt dat het standpunt van de minister over het doen van aangifte in het licht van het in overweging 9.3 geschetste toetsingskader onjuist is. De rechtbank volgt eiseres in haar stelling dat de minister het risico van het doen van aangifte onvoldoende heeft beoordeeld. De minister motiveert daarmee niet inzichtelijk hoe het doen van aangifte (en het bekend worden van de naam van eiseres) is afgewogen tegen de geloofwaardige asielmotieven en wat de mogelijke gevolgen zijn voor eiseres als zij bij terugkeer alsnog aangifte doet. De minister had daarbij bovendien moeten ingaan op de algemene situatie in Kenia en wat eiseres daarover, onder verwijzing naar diverse artikelen, naar voren heeft gebracht met betrekking tot het risico op vervolging door de eerdere daders, het niet vervolgen van die daders door de autoriteiten en het risico op represailles. Dat eiseres na haar detentie nog lange tijd in Kenia heeft verbleven, kan in dit verband niet dienen als motivering van het ontbreken van een gegronde vrees of een reëel risico, omdat eiseres hierover ook heeft verklaard dat zij ondergedoken heeft gezeten. De minister heeft deze verklaring tot nu toe alleen bij de beoordeling betrokken toen hij de mishandeling en verkrachting in detentie niet geloofwaardig vond. In het bestreden besluit is de minister van dit standpunt teruggekomen, maar heeft hij vervolgens niet betrokken hoe het feit dat eiseres ondergedoken zat terwijl zij in Kenia verbleef van belang is bij de beoordeling of zij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Bovendien kan de minister niet aan eiseres tegenwerpen dat zij daarmee haar vrees voor vervolging dan wel ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt gelet op het in overweging 9.3 vastgestelde bewijsvermoeden.

De minister heeft in het bestreden besluit aan eiseres tegengeworpen dat zij heeft verklaard dat zij bij terugkeer geen uiting zou geven aan haar politieke overtuiging, omdat zij geen zin meer heeft om te demonstreren en het niet nuttig vindt gezien haar leeftijd.4 In beroep heeft de minister dit standpunt herhaald. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de minister er daarmee ten onrechte aan voorbij dat eiseres ook heeft verklaard dat zij niet meer wil deelnemen aan demonstraties, omdat zij het te gevaarlijk vindt.5 Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat het geen uiting meer willen geven aan haar politieke overtuiging volgens eiseres zelf samenhangt met het feit dat zij vanwege het deelnemen aan een demonstratie in 2024 is gedetineerd en is blootgesteld aan vervolging dan wel ernstige schade. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe hij die omstandigheid in zijn beoordeling heeft betrokken.

Beleid ‘Eerdere confrontatie met wandaden’

10. Eiseres voert verder aan dat zij in aanmerking dient te komen voor bescherming op grond van paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Dit betreft beleid van de minister, gericht op bescherming van een vreemdeling die is geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen en die zich op grond van de psychologische problematiek als gevolg van die wandaden in een positie bevindt dat zij niet terug kan keren naar haar land van herkomst. Dit beleid was voorheen bekend als het ‘traumatabeleid’. In dat verband stelt eiseres dat zij vanwege de traumatische gebeurtenissen in detentie niet in staat was om Kenia binnen zes maanden te verlaten. Dit omdat zij afhankelijk was van haar zus voor hulp en voor het regelen van een visum zodat eiseres Kenia legaal kon uitreizen en omdat eiseres heeft moeten herstellen van de gebeurtenis. Verder heeft eiseres documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij in Kenia psychologische problemen heeft gehad.

De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan bovenstaand beleid. Dit omdat eiseres na de traumatische gebeurtenissen langer dan zes maanden af en aan in Kenia heeft verbleven. Omdat eiseres niet binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenissen Kenia heeft verlaten, neemt de minister geen causaal verband aan tussen de gebeurtenissen en het verlaten van Kenia. De minister heeft daarom niet aan de overige onderdelen van het beleid getoetst. In beroep heeft de minister hieraan toegevoegd dat eiseres niet concreet heeft gemaakt waaromzij niet sneller is vertrokken. De minister betrekt daarbij dat eiseres heeft verklaard een normaal leven te hebben geleid, waarbij zij naar de kerk ging. Daarmee heeft eiseres volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zij door omstandigheden die niet aan haar te wijten waren pas een jaar na de gebeurtenissen Kenia heeft verlaten.

De rechtbank is het met eiseres eens dat de minister het beleid in het bestreden besluit verkeerd heeft toegepast door geen op de persoon van eiseres toegespitste beoordeling te maken en enkel te overwegen dat tussen het moment van de traumatische gebeurtenissen en haar vlucht een periode zat die langer was dan zes maanden. Met wat de minister in beroep hieraan heeft toegevoegd is dit gebrek naar het oordeel van de rechtbank niet hersteld. De minister dient een vollediger beoordeling te maken met inachtneming van zijn eigen beleid en daarbij ook in te gaan op wat eiseres heeft aangevoerd met betrekking tot de psychologische hulp die zij in Kenia kreeg.

Bepaalde sociale groep

11. Eiseres voert verder aan dat de minister had moeten meewegen dat zij behoort tot een sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag, omdat zij deel uitmaakt van een groep vrouwelijke slachtoffers van seksueel misbruik die in Kenia gestigmatiseerd wordt en het risico loopt op sociale uitsluiting. Eiseres heeft daarbij gewezen op een rapport van de Wangu Kanja Foundation waaruit dit volgens haar blijkt.6

In het arrest van 16 januari 20247 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat artikel 10, eerste lid, onder d, van de Kwalificatierichtlijn zo moet worden uitgelegd, dat naargelang de omstandigheden in het land van herkomst, zowel vrouwen uit dat land in hun geheel als meer beperkte groepen van vrouwen die een bijkomende gemeenschappelijke eigenschap delen, tot een bepaalde sociale groep kunnen horen, wat een grond van vervolging kan vormen die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden. Voor de beoordeling van de vraag of een (meer beperkte) groep vrouwen een bijkomende gemeenschappelijke eigenschap delen, kan discriminatie of vervolging van personen in die groep een relevante factor zijn. Daaruit kan immers blijken dat de groep zich in het licht van de sociale, morele of juridische normen van het betrokken land onderscheidt van de rest.

De minister stelt zich in beroep op het standpunt dat hij vrouwen in Kenia niet als sociale groep in het landenbeleid heeft opgenomen, zodat het op de weg van eiseres ligt om aannemelijk te maken dat vrouwen die seksueel zijn misbruikt een sociale groep vormen zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.

Met de minister is de rechtbank van oordeel dat eiseres hierin niet is geslaagd met de overgelegde openbare informatie. Dat het voor deze groep lastig kan zijn hun rechten te verwezenlijken en dat zij belemmeringen kunnen ervaren bij het zetten van stappen richting de autoriteiten en dat in sommige gevallen niet effectief wordt opgetreden richting de daders, rechtvaardigt niet de conclusie dat deze groep vrouwen moet worden aangemerkt als een bepaalde sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Kenia. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.

13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 31, vijfde lid, van de Vw en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de minister op te dragen om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

14. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.

15. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 8 juli 2025;

- draagt de minister op binnen een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 26 november 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

1. Artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2 Artikel 31, eerste lid, van de Vw.

3 In de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw.

4 Pagina 6 van het bestreden besluit van 8 juli 2025 en pagina 24 en 25 van het nader gehoor van 28

juni 2025.

5 Pagina 24 (onderaan) en 25 van het nader gehoor van 28 juni 2025.

6 Gaps and challenges within the criminal justice system and access to justice for survivors of sexual violence.

7 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 januari 2024, ECLI:EU:C:2024:47.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. O. Veldman

Griffier

  • mr. B.J. van Rossum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?