RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28468
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: S. Kuster).
Inleiding
3. De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.E. Buijsse als waarnemer van de gemachtigde van eiser, A. Diaby als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere asielprocedures en deze asielprocedure
4. Eiser heeft twee keer eerder een asielaanvraag in Nederland ingediend. De eerste aanvraag heeft de minister met het besluit van 12 april 2019 niet in behandeling genomen, omdat is vastgesteld dat Italië de verantwoordelijke lidstaat is voor het behandelen van eisers asielaanvraag. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.1
5. De tweede asielaanvraag heeft de minister zelf in behandeling genomen. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 november 2023 afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft de overige asielmotieven om die reden niet inhoudelijk beoordeeld. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit op zijn tweede asielaanvraag.
Het bestreden besluit
6. In de huidige procedure staat de derde opvolgende asielaanvraag van eiser centraal. Eiser heeft een kopie van een sportcertificaat van zijn school overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. De minister heeft de aanvraag van eiser met het bestreden besluit van 23 juni 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens de minister geen sprake is van nieuwe elementen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ook heeft de minister in het bestreden besluit vermeld dat het eerder uitgevaardigde terugkeerbesluit en inreisverbod nog steeds geldig zijn.
7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is tussen partijen dat het sportcertificaat een nieuw element is, maar alleen of het relevant kan zijn voor de beoordeling van eisers opvolgende asielaanvraag.
Is het sportcertificaat een relevant element?
8. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als niet-ontvankelijk. Volgens eiser is het sportcertificaat een nieuw element dat relevant is voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, omdat het document raakt aan zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Eiser heeft tijdens zijn eerste asielprocedure de naam genoemd van zijn school. Dit is de school die het in deze procedure overgelegde sportcertificaat heeft uitgereikt. Ook gebruikt de minister volgens eiser een te streng criterium om te beoordelen of het sportcertificaat relevant is, omdat de minister heeft beoordeeld of het nieuwe element de kans op het verlenen van een asielvergunning aanzienlijk groter maakt. Verder kan de minister niet aan eiser tegenwerpen dat hij een kopie van het sportcertificaat heeft overgelegd, omdat het aan de minister te wijten is dat er alleen een kopie is gemaakt toen hij het document inleverde. Eiser voert ook aan dat de minister ten onrechte het standpunt inneemt dat op eiser een verzwaarde bewijslast rust bij het indienen van een opvolgende aanvraag.
9. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2 volgt dat bij een opvolgende aanvraag moet worden beoordeeld of sprake is van een nieuw element dat relevant kan zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Voor een positief antwoord op de vraag of een nieuw element relevant kan zijn, is niet vereist dat dit nieuwe element de kans aanzienlijk groter maakt dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielvergunning.3
10. De rechtbank overweegt dat de minister op de zitting heeft benadrukt dat in het bestreden besluit is beoordeeld of het sportcertificaat relevant is voor de beoordeling van eisers asielaanvraag en dat niet is getoetst aan het criterium of dit nieuwe element de kans aanzienlijk groter maakt dat eiser in aanmerking komt voor een asielvergunning. De minister heeft op de zitting ook verwezen naar het voornemen van 18 juni 2025, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, waarin is beoordeeld of het element relevant is. De rechtbank is van oordeel dat uit het voornemen en het bestreden besluit voldoende blijkt dat de minister het juiste toetsingskader heeft gebruikt om te beoordelen of eisers opvolgende aanvraag relevante nieuwe elementen bevat. Een beoordeling van de vraag of het nieuwe element de kans op asiel aanzienlijk groter maakt, ligt – anders dan eiser stelt – niet ten grondslag aan het besluit.
11. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het sportcertificaat niet relevant kan zijn voor het beoordelen van eisers opvolgende asielaanvraag. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat, ongeacht de authenticiteit van het document en de vraag of eiser al dan niet de gelegenheid is ontnomen het originele document te overleggen, het sportcertificaat geen identificerend document is. Op het sportcertificaat staan alleen eisers voor- en achternaam en de naam van zijn school. De rechtbank kan het standpunt van de minister volgen dat diverse gegevens ontbreken voor het vaststellen van de identiteit, nationaliteit en herkomst zoals een geboortedatum, een pasfoto, of vermelding van eisers nationaliteit. Het sportcertificaat bevat daarmee behalve eisers naam en de naam van zijn school geen aanknopingspunten waaruit zijn gestelde identiteit, nationaliteit of herkomst kan worden afgeleid. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Gelet op bovenstaand oordeel behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
13. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister zijn asielaanvraag kon afwijzen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 04 november 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 mei 2019, NL19.8696.
2 Uitspraak van de Afdeling van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699.
3 Zoals bedoeld in het arrest LH van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478, punt 53.