RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15524
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
(gemachtigde: mr. Ch. R. Vink).
Procesverloop
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 januari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Verzoeker heeft hiertegen op 2 april 2025 beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 16 december 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht met onmiddellijke ingang een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot schorsing van het voornemen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) om de opvangvoorzieningen van verzoeker op 21 december 2025 te beëindigen.
De voorzieningenrechter doet, conform haar schriftelijke aankondiging van 19 december 2025 aan partijen, uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb – voor zover hier van belang – kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de eerste twee vereisten voldaan is. Verzoeker heeft immers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank is bevoegd om van dit beroep kennis te nemen. Omdat uit de door verzoeker overgelegde brief van het COA van 15 december 2025 blijkt dat de verstrekkingen die verzoeker op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 ontvangt (hierna: de Rva-verstrekkingen), op 21 december 2025 worden beëindigd en hij op die dag de locatie waar hij verblijft moet verlaten, acht de voorzieningenrechter de vereiste spoedeisendheid ook aannemelijk.
3. De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat verzoeker – naar ook van zijn kant is erkend – te laat beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 24 januari 2025. Verzoeker heeft echter gesteld dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. De voorzieningenrechter heeft verweerder erop gewezen dat zij zo nodig ambtshalve de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement dient te betrekken bij de in het kader van dit verzoek te maken voorlopige beoordeling van het bestreden besluit dat tevens een terugkeerbesluit omvat. Verweerder heeft daarop te kennen gegeven dat het COA heeft medegedeeld de Rva-verstrekkingen aan verzoeker niet te zullen beëindigen voordat uitspraak is gedaan op het verzoek indien de behandeling van het verzoek uiterlijk begin volgend jaar op zitting wordt gepland.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat deze rechtbank en zittingsplaats prejudiciële vragen heeft gesteld over -kort gezegd- de verenigbaarheid van de wijze waarop sinds 1 juli 2024 de geloofwaardigheid van asielrelazen wordt beoordeeld met het Unierecht (uitspraken van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136, C-7/25 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139, C-8/25 en van 18 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2170, C-138/25) en dat het Hof de rechtbank op 28 november 2025 heeft geïnformeerd dat de vragen die op 7 januari 2025 zijn gesteld gevoegd zullen worden behandeld door de Tweede Kamer van het Hof. Het Hof heeft tevens medegedeeld dat is besloten om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling en dat de datum voor de AG Conclusie zo spoedig mogelijk wordt medegedeeld.
5. In het bestreden besluit in de zaak van verzoeker zijn een of meer van de door verweerder onderscheiden asielmotieven ongeloofwaardig geacht op grond van deze geloofwaardigheidsbeoordeling. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van verzoeker zal aanhouden in afwachting van het arrest van het Hof.
6. Daarom heeft verzoeker er belang bij om de uitkomst van het beroep in Nederland te kunnen afwachten, waarbij de voorzieningenrechter overweegt dat het beroep ondanks de termijnoverschrijding een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd gelet op de verwijzing. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit zodat verzoeker de uitspraak op beroep in Nederland mag afwachten. Om elk misverstand te voorkomen bepaalt dat de voorzieningenrechter uitdrukkelijk dat dit ook betekent dat de Rva-verstrekkingen van verzoeker niet mogen worden beëindigd en dat verzoeker niet uit de opvang mag worden gezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
7. De voorzieningenrechter bepaalt dat verweerder de proceskosten moet vergoeden. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (één punt met een waarde van € 907,00 voor het indienen van het verzoekschrift, met wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Beslissing
De voorzieningenrechter:- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst;
- bepaalt dat verzoeker de uitspraak op het beroep in Nederland mag afwachten;
- bepaalt dat de Rva-verstrekkingen en opvang van verzoeker niet mogen worden beëindigd totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt verweerder tot betaling van een bedrag van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 22 december 2025.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.