RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35318
(gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek),
en
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk, de tante ([naam 2]) en oom ([naam 3]) van eiser en de voogd ([naam 4]) van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
Het asielrelaas
1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2009. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eisers moeder is geestelijk ziek. Eiser wordt door zijn vader en moeder geslagen en uitgescholden. Daarnaast wil zijn vader geen kleren voor hem kopen en hem niet naar het ziekenhuis brengen voor zijn diabetes. Bij terugkeer vreest eiser dat zijn ouders hem weer gaan slaan.
Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:
Het bestreden besluit
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Problemen met ouders
Verweerder heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. Deze geloofwaardig geachte asielmotieven leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser komt uit een veilig land van herkomst en heeft niet aannemelijk gemaakt dat Marokko voor hem persoonlijk geen veilig land is. Eiser heeft zich vanwege de problemen met zijn ouders ook niet tot de Marokkaanse autoriteiten gewend, terwijl dit volgens verweerder wel van eiser mag worden verwacht. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Daarnaast ziet verweerder geen aanleiding om een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw toe te kennen. Volgens verweerder is namelijk geen sprake van hechte persoonlijke familiebanden met zijn oom en tante en valt eiser ook niet onder het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Eiser krijgt in afwachting van onderzoek van het Bureau Medische Advisering (BMA) wel uitstel van vertrek om medische redenen zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw.
Beoordeling door de rechtbank
Standpunt eiser
3. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, omdat Marokko niet kan worden gezien als veilig land van herkomst.
Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij bij terugkeer naar Marokko in een situatie van diepgaande materiële deprivatie terecht komt zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM omdat het onduidelijk is of er voor hem medische zorg voor zijn ernstige diabetes beschikbaar is en omdat er niemand is die voor hem kan zorgen. Volgens eiser kunnen zijn grootouders niet meer voor hem zorgen vanwege medische klachten die zij hebben en hun leeftijd. Zij kunnen hem ook niet tegen zijn ouders beschermen. Bovendien hebben zij onvoldoende geld om de medische behandeling en kosten van levensonderhoud van eiser te betalen. In dat kader heeft eiser in beroep ook twee verklaringen overgelegd waarin een arts medische informatie geeft over eisers grootouders en verklaart dat zij vanwege hun gezondheidssituatie niet in staat zijn voor eiser te zorgen. Ook kan eiser geen bescherming van de politie vragen tegen zijn ouders. Verweerder heeft volgens eiser verder ten onrechte geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid alleenstaande minderjarige vreemdelingen verleend omdat er geen adequate opvang is in Marokko. Daarnaast heeft eiser een hechte persoonlijke band met zijn oom en tante en is hij van hen afhankelijk voor zorg. Verweerder had daarom ook een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM moeten verlenen.
Beoordeling door de rechtbank
Kennelijk ongegrond
4. Tussen partijen is niet in geschil dat Marokko niet langer als veilig land van herkomst wordt aangemerkt. De grond waarop de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond is afgewezen (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw), is daarmee komen te vervallen. Het bestreden besluit kan om deze reden niet langer standhouden. De rechtbank zal het beroep alleen al hierom gegrond verklaren vanwege een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder heeft op de zitting verzocht om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding omdat aan het bestreden besluit ook andere gebreken kleven. Aan de hand van de onder 3.1. weergegeven beroepsgronden legt de rechtbank uit welke gebreken er aan het bestreden besluit kleven en welke gevolgen dit heeft.
Artikel 3 van het EVRM
5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser ondanks de problemen met zijn ouders en zijn medische situatie bij terugkeer naar Marokko geen reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Verweerder stelt zich voor wat betreft eisers problemen met zijn ouders op het standpunt dat eiser bij zijn grootouders terecht kan en dat eiser niet heeft onderbouwd dat zijn grootouders niet voor hem kunnen zorgen. Wat betreft de diabetes van eiser stelt verweerder zich op het standpunt dat uit artikel 6.1e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) blijkt dat de vraag of sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM vanwege medische redenen, wordt beoordeeld bij de ambtshalve toets of de vreemdeling uitstel van vertrek krijgt op grond van artikel 64 van de Vw. Nu eiser uitstel van vertrek om medische redenen krijgt, is er daarom volgens verweerder bij terugkeer naar Marokko geen sprake van een schending van artikel 3 van het EVRM.
Voor zover eiser zijn standpunt dat hij bij terugkeer naar Marokko in een situatie zal terechtkomen als bedoeld in artikel 3 van het EVRM baseert op zijn medische situatie, overweegt de rechtbank het volgende. Vooropgesteld wordt dat medische omstandigheden volgens vaste rechtspraak niet tot verlening van een asielvergunning kunnen leiden. Op grond van artikel 6.1e van het Vb beoordeelt verweerder bij afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Vw. In dat kader kan het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM wegens zijn medische situatie aan de orde komen. Verweerder heeft gezien de medische situatie van eiser voorlopig uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw, in afwachting van een BMA-advies. Daarom heeft verweerder nog geen terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft daarmee het juiste toetsingskader toegepast. De vraag of er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen, dient verder beoordeeld te worden in het kader van de procedure over toepassing van artikel 64 van de Vw. Daarbij zal – als wordt geconcludeerd dat de voor eiser benodigde medische behandeling in Marokko beschikbaar is - ook beoordeeld dienen te worden of die behandeling voor eiser feitelijk toegankelijk is, nu volgens eisers verklaring zijn familie zijn medische behandeling niet kan faciliteren (financieel, bezoeken aan een arts etc.). 5.2. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat eiser, die minderjarig is, bij terugkeer naar Marokko niet in een situatie van verregaande deprivatie terechtkomt. Verweerder heeft de problemen van eiser met zijn ouders geloofwaardig geacht en gaat er blijkens het bestreden besluit van uit dat eiser na terugkeer bij zijn grootouders kan verblijven. De rechtbank volgt dit laatste niet. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser bij zijn correcties en aanvullingen op het nader gehoor een document heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn opa diabetes heeft en onder behandeling staat van een cardioloog. Verweerder heeft hier in het bestreden besluit voornamelijk in het kader van de beoordeling of eiser in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen op gereageerd. Volgens verweerder laat het document niet zien dat eisers grootouders niet voor hem kunnen zorgen, omdat het document dateert van 11 november 2015. Eiser heeft in beroep echter ook twee verklaringen van een arts overgelegd van 31 juli 2025. In deze verklaringen is vermeld dat beide grootouders medische aandoeningen hebben waardoor zij niet in staat zijn om zelfstandig en continu de zorg of opvang van eiser te verzekeren. Verweerder heeft in reactie hierop op de zitting zijn standpunt gehandhaafd dat eiser tot zijn vertrek bij zijn grootouders heeft gewoond en dat hij daarom na terugkeer weer bij hen kan wonen. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom hij zich ondanks de recente verklaringen van de arts nog steeds op dit standpunt stelt. Daarnaast heeft verweerder op de zitting gesteld dat eiser ook bij andere familieleden in Marokko kan gaan wonen, omdat uit eisers verklaring blijkt dat hij daar nog meer familie heeft. Dit nieuwe standpunt is naar het oordeel van de rechtbank door verweerder onvoldoende onderzocht en ook onvoldoende gemotiveerd, temeer nu eiser heeft verklaard dat zijn ouders dat niet zullen willen en die familieleden hem niet zullen accepteren omdat eisers moeder problemen met hen heeft (pagina 15 nader gehoor). 5.3. Nu verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser bij familie kan gaan wonen, valt niet in te zien wat de relevantie is van verweerders overwegingen in het bestreden besluit over de vraag of eiser zich voor de problemen met zijn ouders kan wenden tot de autoriteiten. Op wat eiser hierover in zijn beroepsgronden aanvoert en op de zitting heeft verklaard, gaat de rechtbank – mede gelet op wat hiervoor is overwogen - niet in.
Verblijfsvergunning regulier
6. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid heeft verleend, overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 3.58, tweede lid, van het Vb, in samenhang bezien met paragraaf B8/6.2.1. van de Vreemdelingencirculaire (Vc), volgt dat een reguliere verblijfsvergunning kan worden verleend aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling voor wie adequate opvang, bijvoorbeeld bij familieleden of andere personen, ontbreekt in het land van herkomst. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat voor het slagen van het onderzoek naar adequate opvang de vreemdeling en verweerder een gedeelde verantwoordelijk hebben, waarbij van verweerder wordt verwacht dat hij voortvarend onderzoek verricht naar het bestaan van adequate opvang en waarbij van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan het onderzoek. In sommige gevallen kan verweerder zich al op basis van verklaringen van de vreemdeling ervan overtuigen dat er adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is. Verweerder stelt zich in dit kader op het standpunt dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij de laatste jaren voor zijn vertrek door zijn grootouders is verzorgd en opgevoed, en dat eiser ook bij zijn grootouders woonde. Volgens verweerder kan eiser bij terugkeer daarom ook weer bij zijn grootouders verblijven. Gelet op wat onder 5.2. is overwogen volgt de rechtbank dit standpunt niet. Verweerder heeft immers onvoldoende gemotiveerd waaruit blijkt dat eiser bij zijn grootouders of andere familieleden kan verblijven, zodat ook niet duidelijk is of er voor eiser adequate opvang is in Marokko. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder verder onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van adequate opvang in Marokko. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder ten onrechte geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM heeft verleend, wijst de rechtbank erop dat eisers in Nederland wonende tante op zitting heeft toegezegd dat zij eiser in huis wil nemen. Verweerders standpunt dat eiser niet bij zijn oom en tante kan wonen en dat dit onderstreept dat eiser geen hechte persoonlijke banden met zijn oom en tante heeft, kan dan ook zonder een nadere motivering geen stand meer houden.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op wat onder 4. is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit vanwege een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank ziet gelet op wat onder 5.2. en 6 is overwogen geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen, of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om deugdelijk te onderzoeken en te motiveren of alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 juli 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.