RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30583
geboren op [geboortedatum] ,
van Jemenitische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J. Eliya),
en
(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 25 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 juli 2024 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft Jemen op 4 juni 2021 verlaten en is op diezelfde dag Djibouti ingereisd.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser kan terugkeren naar Djibouti. De minister neemt aan dat eiser een band heeft met Djibouti, dat hij toegang zal krijgen tot Djibouti en dat Djibouti het non-refoulement beginsel respecteert. Ook neemt de minister aan dat eiser in Djibouti een verzoek tot internationale bescherming kan indienen, overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag, en concludeert de minister dat het voor eiser mogelijk is om in Djibouti aanspraak te maken op basisvoorzieningen voor asielzoekers en vluchtelingen. Gelet op het voorgaande stelt de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Djibouti niet volgens de beginselen zoals bedoeld in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb, wordt behandeld. Djibouti wordt in eisers geval als veilig derde land beschouwd. Hierdoor ziet de minister geen aanleiding om eisers aanvraag inhoudelijk te beoordelen op inwilligbaarheid. De minister verklaart eisers aanvraag op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw niet-ontvankelijk.
Aanvullend gehoor
5. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet aanvullend heeft gehoord. Een aanvullend gehoor was essentieel voor het zorgvuldig nemen van een goed onderbouwd besluit, temeer nu er bij gedwongen terugkeer sprake zal zijn van een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft in eerste instantie niet voldoende verklaard over de redenen waarom hij niet naar Djibouti kan gaan, omdat hij niet wist dat dit de bedoeling was. Eiser heeft in Djibouti veel discriminatie meegemaakt. Ook is hij twee keer aangevallen, mishandeld en bestolen. Eiser heeft direct na de tweede mishandeling een visum aangevraagd voor Turkije en is na het verkrijgen daarvan gevlucht. Eiser heeft op 3 januari 2022 en op 31 januari 2022 aangifte gedaan bij de autoriteiten van Djibouti. Eiser heeft kopieën van deze aangiftes overgelegd.
Deze beroepsgrond slaagt. In het voornemen heeft de minister eiser voor het eerst tegengeworpen dat Djibouti voor hem als veilig derde land kan worden beschouwd. In het nader gehoor is dit niet aan de orde gekomen. Er zijn slechts vijf vragen over Djibouti gesteld. Eiser heeft bij de beantwoording van die vragen weliswaar aangegeven dat hij Djibouti vanwege economische redenen heeft verlaten, maar in de zienswijze heeft hij uitgelegd waarom hij zo weinig over Djibouti heeft verteld. Eiser heeft zich tijdens het nader gehoor gericht op de problemen in Jemen, maar hij stelt in Djibouti veel discriminatie te hebben meegemaakt en twee keer te zijn aangevallen, mishandeld en bestolen. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister hierin aanleiding moeten zien om eiser aanvullend te horen. Het standpunt van de minister in het bestreden besluit dat het aan eiser is om te onderbouwen dat het derde land waarmee hij een band heeft niet als veilig kan worden aangemerkt, kan de rechtbank onder de gegeven omstandigheden niet volgen. De minister heeft eiser tijdens het nader gehoor niet duidelijk gemaakt dat Djibouti voor hem als veilig derde land zou (kunnen) worden aangemerkt. Onder die omstandigheden kan niet aan eiser worden tegengeworpen dat hij tijdens het nader gehoor niet heeft verklaard over de mishandelingen en de situatie in Djibouti. Het standpunt in het bestreden besluit dat eiser in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor een verdere toelichting had kunnen geven op zijn situatie in Djibouti volgt de rechtbank dan ook niet. Het had op de weg van de minister gelegen eiser hierover nader te horen. Hetzelfde geldt voor zover het de duur van het verblijf in Dijbouti en de aanleiding voor het vertrek betreft.
Nu de minister ten onrechte geen aanvullend gehoor heeft gehouden over eisers gestelde problemen en zijn situatie in Djibouti is het beroep gegrond. Gelet op de aard en inhoud van het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Dat betekent dat het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De minister dient opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser. Hieraan voorafgaand dient de minister eiser aanvullend te horen over zijn gestelde problemen in Djibouti.
Nu het beroep gegrond is, behoeven de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden geen nadere bespreking.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De minister moet opnieuw beslissen op de asielaanvraag van 25 september 2022.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-, en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het betreden besluit;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.