ECLI:NL:RBDHA:2025:25468

ECLI:NL:RBDHA:2025:25468, Rechtbank Den Haag, 08-12-2025, NL24.38093

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-12-2025
Datum publicatie 30-12-2025
Zaaknummer NL24.38093
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asiel. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is van Jezidi-afkomst. Hij heeft asiel gevraagd omdat hij als Jezidi in Irak wordt gediscrimineerd en problemen heeft ondervonden met zijn voormalige werkgever. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. De verklaringen van eiser over de problemen met zijn voormalige werkgever worden niet geloofwaardig geacht. Hoewel verweerder erkent dat Jezidi's in Irak te maken hebben met discriminatie, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegrondse vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens verweerder is niet gebleken dat de discriminatie eiser dusdanig ernstig beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij maatschappelijk niet kan functioneren. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Verweerder heeft namelijk in het bestreden besluit niet duidelijk gemaakt hoe rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. De rechtbank vernietigt daarom het besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit van kracht blijven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Inleiding

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.38093

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),

en

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).

1. Deze uitspraak gaat over een man (eiser) uit Irak van Jezidi-afkomst. Hij heeft asiel gevraagd omdat hij als Jezidi in Irak wordt gediscrimineerd en problemen heeft ondervonden met zijn voormalige werkgever.

Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. De verklaringen van eiser over de problemen met zijn voormalige werkgever worden niet geloofwaardig geacht. Hoewel verweerder erkent dat Jezidi’s in Irak te maken hebben met discriminatie, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens verweerder is niet gebleken dat de discriminatie eiser dusdanig ernstig beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij maatschappelijk niet kan functioneren.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Verweerder heeft namelijk in het bestreden besluit niet duidelijk gemaakt hoe rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. De rechtbank vernietigt daarom het besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit van kracht blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 6 september 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft met het besluit van 6 september 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond en een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 19 september 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en behoort tot de etnische en religieuze groep Jezidi’s. Hij stelt dat Jezidi’s in Irak worden gediscrimineerd door moslims. Eiser verklaart dat hij in de bouw werkte en een conflict heeft gehad met zijn werkgever [naam] . [naam] is moslim. [naam] is boos geworden, omdat eiser was vergeten cement toe te voegen aan het cementmortel. [naam] heeft eiser uitgescholden en een hamer naar zijn hoofd gegooid. Vervolgens hebben (moslim) collega’s van eiser, bang dat het conflict verder zou escaleren, hem in een taxi geplaatst en is hij naar huis gegaan. Die avond is eiser gebeld door [naam] . Eiser dacht dat [naam] hem belde om zijn excuses aan te bieden, maar [naam] heeft hem telefonisch bedreigd. Hierna is eiser in afwachting van een visum ongeveer drie weken ondergedoken in zijn dorp waar enkel Jezidi’s wonen en daarna is hij gevlucht.

Wat staat er in het bestreden besluit?

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

incident met en bedreiging door [naam] .

Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De verklaringen van eiser over de problemen met [naam] worden niet geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen hierover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verweerder geeft hier een aantal redenen voor. Verweerder werpt eiser, kort gezegd, tegen dat hij tegenstrijdig en ongerijmd heeft verklaard. Zo stelt eiser enerzijds dat moslims Jezidi’s discrimineren, anderzijds beschrijft hij dat zijn moslimcollega’s hem juist hielpen tijdens het conflict. Daarnaast is het niet logisch dat eiser verwachtte dat [naam] excuses zou aanbieden, gelet op het negatieve beeld dat eiser van hem schetst. Ook is niet in te zien dat eiser na een serieuze bedreiging nog drie weken in zijn dorp is gebleven. Niet is gebleken dat [naam] in die periode of daarna nog naar eiser op zoek is geweest.

Hoewel verweerder erkent dat Jezidi’s in Irak te maken hebben met discriminatie, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Immers zijn de gestelde problemen met [naam] niet geloofwaardig geacht. Volgens verweerder is verder niet gebleken dat eiser dusdanig ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij maatschappelijk niet kan functioneren. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Daarnaast is een terugkeerbesluit opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank gaat hierna, voor zover relevant, in op de door eiser aangevoerde gronden.

Had verweerder eiser in de gelegenheid moeten stellen een aanvullende zienswijze uit te brengen?

6. Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld een aanvullende zienswijze in te dienen na de introductie van Werkinstructie SUA “WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)” (WI 2024/6). Deze werkinstructie is wel in het bestreden besluit gebruikt, maar niet in het voornemen. Eiser meent hierdoor te zijn benadeeld.

De rechtbank volgt dit betoog niet. De toepassing van een nieuwe werkinstructie verplicht verweerder alleen tot het uitbrengen van een nieuw voornemen als de inhoudelijke beoordeling of de rechtsgevolgen voor eiser wijzigen. Voor zover eiser stelt dat het bestreden besluit nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept, heeft hij dit niet concreet onderbouwd. Niet is gebleken dat het besluit een wijziging brengt in de rechtspositie van eiser ten opzichte van het eerdere besluit. Verweerder was daarom niet gehouden een nieuw voornemen uit te brengen. De beroepsgrond slaagt niet.

Is er voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?

7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, zoals zijn lage opleidingsniveau en de beslotenheid van de Jezidi- gemeenschap. Dit zou zijn vermogen om te verklaren beïnvloeden.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in zowel het voornemen als in het bestreden besluit niet kenbaar heeft gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Dit is een motiveringsgebrek. Het beroep is reeds hierom gegrond.

De rechtbank ziet echter, mede in het kader van finale geschilbeslechting, aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen blijven. Verweerder heeft ter zitting het motiveringsgebrek hersteld door toe te lichten dat het referentiekader wel degelijk is meegewogen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat, ondanks de culturele achtergrond en het lage opleidingsniveau, van eiser verwacht mag worden dat hij consistent en eenduidig kan verklaren over de kern van zijn asielrelaas, dan wel helderheid kan geven over onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. Eiser heeft in beroep niet concreet gemaakt op welke punten zijn verklaringen anders beoordeeld hadden moeten worden als zijn referentiekader explicieter was meegewogen. Nu niet aannemelijk is dat eiser door dit gebrek is benadeeld, kunnen de rechtsgevolgen in stand blijven. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 30 april 2021 overwogen dat de rechter de rechtsgevolgen in stand kan laten als een motiveringsgebrek wordt hersteld en de andere partij daardoor niet wordt benadeeld.

Heeft verweerder de verklaringen van eiser over het incident en de bedreiging door [naam] niet geloofwaardig kunnen vinden?

8. Verweerder heeft het asielrelaas over het incident en de bedreiging door [naam] ongeloofwaardig geacht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit in redelijkheid heeft kunnen concluderen. De toetsing door de rechtbank is enigszins terughoudend, maar leidt in dit geval niet tot een ander oordeel.

Eiser voert aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over moslims, [naam] en de moslimcollega’s die hem hebben geholpen om weg te komen van [naam] . De verklaringen van eiser bevatten nuances, die moeilijker zijn te duiden voor een persoon die niet hoog opgeleid is. Ook is het niet ongerijmd dat eiser excuses verwachtte van [naam] . Hij was immers in zijn eer aangetast en heeft een hoopvol karakter. Daarnaast is eiser ondergedoken in zijn dorp, omdat dit bescherming bood tegen moslims. In dit dorp wonen namelijk enkel Jezidi’s. Subsidiair voert eiser aan dat, indien de rechtbank wel vindt dat er sprake is van tegenstrijdigheden, deze niet tot het gevolg zouden moeten hebben dat het gehele relaas ongeloofwaardig is.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de volgende tegenstrijdigheden en ongerijmdheden aan zijn conclusie dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is ten grondslag heeft mogen leggen. Eiser heeft enerzijds een algemeen en negatief beeld geschetst van de houding van moslims jegens Jezidi’s, stellende dat moslims Jezidi’s alles aan kunnen doen. Anderzijds heeft hij verklaard dat zijn moslimcollega’s hem na het incident te hulp zijn geschoten. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze verklaringen op gespannen voet met elkaar staan. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt dat eiser met deze tegenstrijdigheid is geconfronteerd en in de gelegenheid is gesteld om hiervoor een verklaring te geven. Zoals onder 7.2 is overwogen mag van eiser, ook wanneer rekening wordt gehouden met zijn referentiekader, worden verwacht dat hij een plausibele verklaring geeft voor dergelijke inconsistenties die kern van zijn asielrelaas raken. Eiser heeft echter nagelaten een sluitende verklaring te verschaffen voor het feit dat zijn persoonlijke positieve ervaring met zijn moslimcollega’s afwijkt van het door hem geschetste algemene, negatieve beeld. De ter zitting door de gemachtigde gemaakte algemene vergelijking dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ook personen werden geholpen, kan hieraan niet afdoen. Dit is immers geen concrete, op de persoon van eiser toegespitste verklaring voor de specifieke tegenstrijdigheid in zijn eigen relaas.

Ook geeft eiser geen inzicht over waarom hij excuses verwachtte van [naam] . De verklaring van eiser dat hij verwachtte dat [naam] , voor wie hij stelde te vrezen, zijn excuses zou aanbieden, strookt niet met een geloofwaardige, acute vrees. De verklaring dat eiser in zijn eer was aangetast en de latere toevoeging dat dit wellicht duidt op een ‘hoopvol karakter’ is geen afdoende verklaring voor deze tegenstrijdige gedachten. Dit is een verklaring waarom hij dacht dat [naam] excuses ging aanbieden, maar geen uitleg voor hoe zich dit verhoudt tot het gevreesde beeld dat eiser schetst van [naam] en moslims jegens Jezidi's.

Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat het niet geloofwaardig is dat eiser na de vermeende bedreiging nog drie weken in zijn dorp is gebleven. Dit strookt niet met een acute en ernstige vrees voor zijn leven. Eiser heeft aangevoerd dat hij in zijn dorp kon onderduiken, omdat daar alleen Jezidi’s wonen en moslims in de minderheid zijn. Bovendien zou [naam] niet hebben geweten dat eiser daar woont. Deze argumenten kunnen echter niet afdoen aan het ongerijmde karakter van zijn verklaringen. Ten eerste heeft eiser zelf verklaard dat moslims Jezidi’s alles kunnen aandoen. Deze algemene stelling maakt niet aannemelijk dat een Jezidi-dorp daadwerkelijk bescherming zou bieden tegen een moslim, die volgens eiser, vastbesloten was om hem iets aan te doen. Ten tweede is niet gebleken dat [naam] in de drie weken na de bedreiging daadwerkelijk pogingen heeft ondernomen om eiser te benaderen of te zoeken. Dit ondersteunt de conclusie van verweerder dat de gestelde vrees voor [naam] niet geloofwaardig is. Verweerder mag eiser dan ook tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard en dat dit de geloofwaardigheid van het relaas aantast.

De rechtbank volgt het betoog van eiser niet dat verweerder de samenwerkingsplicht heeft geschonden. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd. Bovendien is het primair aan eiser om zijn asielrelaas en de daarin gestelde vrees aannemelijk te maken. De bewijslast en de stelplicht liggen in beginsel bij de vreemdeling. De samenwerkingsplicht strekt niet zo ver dat verweerder op eigen initiatief onderzoek moet doen naar aspecten waarover eiser zelf geen of een inconsistente verklaring heeft gegeven. Nu eiser zijn asielrelaas niet heeft onderbouwd en, gelet op voorgaande overwegingen ongerijmd en tegenstrijdig heeft verklaard, was er voor verweerder geen aanleiding om onderzoek te doen. Van een schending van de samenwerkingsplicht is geen sprake.

De rechtbank oordeelt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de tegenstrijdigheden en ongerijmdheden, nu eiser heeft nagelaten hiervoor een plausibele verklaring te geven, afbreuk doen aan de algehele geloofwaardigheid van het asielrelaas. Verweerder heeft het incident en de bedreiging door [naam] dan ook ongeloofwaardig kunnen vinden. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft eiser te vrezen voor vervolging, dan wel loopt hij een reëel risico?

9. Eiser stelt dat, naast de vrees voor [naam] , de algehele discriminatie van Jezidi’s in Irak zodanig is dat hij niet kan terugkeren. Hij stelt dat hij als Jezidi moeilijk aan werk komt, een lager loon ontvangt dan moslims en maatschappelijk wordt achtergesteld.

De rechtbank stelt voorop dat, zoals verweerder terecht heeft gesteld, Jezidi’s in het huidige beleid niet langer worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging of als risicoprofiel. Dit betekent dat het aan eiser is om met individuele en bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken dat hij persoonlijk een risico loopt op vervolging of ernstige schade, enkel vanwege het feit dat hij Jezidi is.

De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Daarbij is van belang dat de door eiser aangevoerde problemen met zijn werkgever, zoals hiervoor is overwogen, niet geloofwaardig zijn geacht. Deze kunnen dus geen rol spelen bij de onderbouwing van zijn persoonlijke vrees.

Het incident in 2014, waarbij eiser in zijn arm is geschoten, is door verweerder terecht als te lang geleden beschouwd om een actuele vrees voor vervolging aan te nemen. Dit incident vond bovendien plaats ruim voor de beleidswijziging ten aanzien van Jezidi’s.

Eiser heeft verder aangevoerd dat hij als Jezidi wordt gediscrimineerd op de arbeidsmarkt, een lager loon ontvangt en geen adequate medische behandeling kan krijgen. Eiser verwijst hierbij naar algemene toegankelijke informatie waaronder het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 en een VN rapport. Uit deze informatie blijkt dat Jezidi’s problemen kunnen ondervinden en worden gediscrimineerd. Dit wordt ook erkend door verweerder. Echter, uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat niet elke vorm van discriminatie een daad van vervolging is. Er moet sprake zijn van discriminatie die zo ernstig is dat deze de betrokkene dusdanig beperkt in zijn bestaansmogelijkheden, dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser beschreven discriminatie deze hoge drempel niet haalt. Eiser heeft niet aannemelijk

gemaakt dat hij persoonlijk zwaarwegende problemen heeft ondervonden wegens zijn etniciteit. Hoewel eiser stelt dat hij als dagloner soms dagen geen werk had, blijkt uit zijn eigen verklaringen dat hij in Irak in staat was om regelmatig te werken. Ook heeft hij na het incident van 2014 toegang gehad tot medische zorg. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de discriminatie hem zodanig in zijn bestaansmogelijkheden beperkt, dat hij maatschappelijk en sociaal niet kon functioneren. De algehele situatie van Jezidi’s in Irak is daarom onvoldoende om eiser een asielvergunning te verlenen.

De rechtbank concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser in redelijkheid kunnen afwijzen. De beroepsgrond slaagt niet.

Wat is de conclusie?

10. Het beroep is gegrond wegens het geconstateerde motiveringsgebrek. Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit van kracht blijven.

11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 6 september 2024;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.M. Nieuwenhuijs

Griffier

  • mr. J.F.P. van Brunschot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?