RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60639
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Procesverloop
1. De minister heeft op 4 december 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Werkt de onrechtmatigheid van de vorige maatregel door in de huidige maatregel?
2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring van 4 december 2025 vanaf het begin onrechtmatig is. Eiser wijst er op dat hij eerder, op 28 november 2025 in bewaring is gesteld op een andere grondslag, namelijk artikel 59b van de Vw 2000, maar dat deze maatregel een gebrek kende. Eiser had namelijk op 1 december 2025 zijn asielaanvraag ingetrokken, waardoor die eerdere maatregel van bewaring op 4 december 2025 is opgeheven en omgezet. Omdat deze eerdere maatregel van bewaring te laat is omgezet, wat ook is erkend door de minister, werkt de onrechtmatigheid van die maatregel volgens eiser door in de huidige maatregel.
De rechtbank is van oordeel dat de onrechtmatigheid van de vorige maatregel in onderhavig geval niet doorwerkt in de huidige maatregel. De onrechtmatigheid van een eerdere maatregel werkt namelijk niet altijd door in een opvolgende maatregel. Dat is pas zo als het vastgestelde gebrek van de eerdere maatregel een ernstige schending oplevert van het (fundamentele) recht om in vrijheid te worden gesteld als de bewaring onrechtmatig is. Naar het oordeel van de rechtbank is in eisers geval geen sprake van zo’n ernstige schending. Op de zitting heeft de minister immers toegelicht dat de vorige maatregel slechts één dag te laat is omgezet en dat hij eiser hiervoor schadevergoeding heeft aangeboden. De relatief korte periode dat eiser op een onjuiste wettelijke grondslag is vastgehouden, levert naar het oordeel van de rechtbank geen ernstige schending op. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft alle zware en lichte gronden betwist. Over de zware grond 3a voert eiser aan dat hij weliswaar geen documenten bij zich had, maar dit van hem – als asielzoeker – niet verwacht kan worden. Verder voert eiser over de zware grond 3b aan dat hij zich weliswaar aan het toezicht heeft onttrokken, omdat hij naar Duitsland is gegaan, maar dat dit voor een korte periode was om zijn vriendin te bezoeken en hij niet de intentie had om zich aan het toezicht te onttrekken. Daarnaast voert eiser aan dat de zware grond 3c niet kan worden tegengeworpen, omdat hij het terugkeerbesluit niet heeft ontvangen en hij dus niet op de hoogte was dat een vertrekplicht op hem rustte. Over de zware gronden 3d en 3e voert eiser aan dat hij nooit documenten heeft gehad en dat hij bekendstaat onder verschillende namen heeft te maken met een verschil in dialecten. Hij heeft deze aliassen in ieder geval niet opgegeven. De zware grond 3i is volgens eiser niet juist, omdat hij wel wil meewerken. Daarom heeft hij ook zijn asielaanvraag ingetrokken. Hij heeft alleen hulp nodig bij het realiseren van zijn vertrek. Over de lichte grond 4a voert eiser aan dat hij zich niet kon melden, omdat hij toen in strafrechtelijke detentie zat. Tot slot voert eiser over de lichte gronden 4c en 4d aan dat inherent aan het zijn van asielzoeker is dat hij afhankelijk is van verstrekkingen en opvang door het COa, zodat deze omstandigheden ook ten onrechte aan hem zijn tegengeworpen.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende gronden aanwezig om te kunnen aannemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de zware gronden 3a en 3b niet heeft bestreden en ambtshalve is de rechtbank anderszins niet gebleken. De minister kan in de maatregel verder volstaan met de vaststelling dat deze gronden feitelijk juist zijn en is verder niet gehouden om (ook) toe te lichten waarom uit die zware grond een risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit. Omdat de zware gronden 3a en 3c voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat in het geval van eiser sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht, kan wat is aangevoerd over de andere zware en lichte gronden niet leiden tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel toe te passen. Met het intrekken van zijn asielaanvraag laat eiser zien dat hij wil meewerken aan zijn terugkeer. Bij de terugkeer heeft hij hulp nodig, maar daarvoor hoeft hij niet in bewaring gesteld te worden. Eiser vindt dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat uit de gronden van de maatregel van bewaring een risico op onttrekking aan het toezicht volgt. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen reden om daaraan te twijfelen, zodat zij van dat risico uitgaat. Dat eiser stelt een vriendin in Duitsland te hebben, maakt dit niet anders. Voorop staat dat eiser het bestaan van de vriendin en zijn relatie niet heeft geconcretiseerd. De minister heeft bovendien terecht gesteld dat zijn gestelde vriendin hem kan bezoeken. Verder heeft de minister de medische omstandigheden van eiser kenbaar en voldoende betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Zo heeft de minister in de maatregel van bewaring aangegeven dat in het detentiecentrum een medische dienst beschikbaar is die hem medische zorg kan bieden. Deze medische zorg in het detentiecentrum is gelijkwaardig aan de medische hulpverlening in de vrije maatschappij. Gesteld noch gebleken is dat voornoemde zorg onvoldoende zou zijn. Daarnaast is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is. Naar het oordeel van de rechtbank is de motivering van de minister voldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is geweest en de minister geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten aan eiser te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.