ECLI:NL:RBDHA:2025:25482

ECLI:NL:RBDHA:2025:25482, Rechtbank Den Haag, 18-12-2025, NL25.53337 (beroep) en NL25.53338 (voorlopige voorziening)

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-12-2025
Datum publicatie 30-12-2025
Zaaknummer NL25.53337 (beroep) en NL25.53338 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak

Samenvatting

Deze uitspraak op het beroep van eiseres gaat over het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiseres terecht niet in behandeling heeft genomen. De rechtbank is allereerst van oordeel dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de bedenktijd niet van zijn nuttige werking is beroofd. Ook heeft verweerder nog uit kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje. Daarnaast is er geen sprake van een situatie als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn op grond waarvan hij de aanvraag van eiseres toch in behandeling zou moeten nemen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Uitspraak

[eiseres] , eiseres/verzoekster, (hierna: eiseres),

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag. Daarnaast beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat hij Spanje daarvoor verantwoordelijk acht.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft ze de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit

2. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Zij heeft op 26 juli 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Uit EU-Vis is vervolgens gebleken dat Spanje aan eiseres een visum heeft verleend, met de geldigheidsduur van 28 juni 2025 tot en met 27 juli 2025.

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Op 30 september 2025 heeft verweerder een verzoek om overname verstuurd naar Spanje. Dat verzoek hebben de Spaanse autoriteiten op 7 oktober 2025 geaccepteerd. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Spanje vast komen te staan.

Is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?

4. Eiseres voert aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door een overdrachtsbesluit te nemen voordat aan haar de gelegenheid was geboden om een intake te doen met de AVIM en gebruik te maken van de bedenktijd voor slachtoffers mensenhandel. Hoewel ze inmiddels haar intake heeft gehad en haar bedenktijd is geboden, dreigde door deze handelswijze de bedenktijd waar eiseres recht op had van zijn nuttige werking te worden beroofd. Eiseres had kunnen worden overgedragen aan Spanje voordat haar überhaupt de kans was geboden om gebruik te maken van de bedenktijd. Dat ze niet overgedragen is aan Spanje is alleen te danken aan het feit eiseres zelf beroep heeft ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend. Het bestreden besluit kent daarom een zorgvuldigheidsgebrek en kan geen stand houden. Te meer nu niet is gebleken dat door verweerder het signaal dat mogelijk sprake is van mensenhandel daadwerkelijk is doorgegeven aan de AVIM, terwijl verweerder dit wel verplicht is. Het is uiteindelijk eiseres zelf geweest die zich heeft gewend tot de zorgcoördinator slachtoffers mensenhandel om alsnog contact met de AVIM tot stand te brengen.

De rechtbank overweegt als volgt. Het doel van de bedenktijd voor slachtoffers van mensenhandel is waarborgen dat de vreemdeling kan herstellen en zich kan onttrekken aan de invloed van de daders van de strafbare feiten waarvan deze slachtoffer is of is geweest, zodat de vreemdeling met kennis van zaken kan beslissen om al dan niet met de bevoegde autoriteiten mee te werken. In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 20 oktober 2022 (O.T.E. t. Nederland) heeft het Hof overwogen dat Richtlijn nr. 2004/81/EG zich er niet tegen verzet dat tijdens de periode van de bedenktijd krachtens artikel 6, eerste lid, van die richtlijn, een overdrachtsbesluit wordt vastgesteld en voorbereidende maatregelen worden getroffen voor de uitvoering daarvan, mits deze voorbereidende maatregelen de bedenktijd niet van hun nuttige werking beroven. Volgens het Hof verzet dit artikel zich er alleen tegen dat een overdrachtsbesluit wordt uitgevoerd wanneer de onderdaan van een derde land de bedenktijd waarop hij recht had niet heeft gekregen.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad zich te beramen over het doen van aangifte. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiseres op 26 juli 2025 een asielaanvraag heeft ingediend, en vanaf die tijd heeft kunnen nadenken over het doen van aangifte. Verder is eiseres inmiddels bij de AVIM geweest en heeft zij hierna ook nog bedenktijd gehad. Nu er deze gehele periode geen uitzetting gepland stond, en er dus geen aanwijzingen waren dat het overdrachtsbesluit zou worden uitgevoerd, is de bedenktijd van eiseres, naar het oordeel van de rechtbank, niet van zijn nuttige werking beroofd. De stelling van eiseres dat zij alleen vanwege het indienen van een voorlopige voorziening niet is uitgezet naar Spanje, maakt dit oordeel niet anders. Nog afgezien van het feit dat niet vaststaat dat eiseres wel was uitgezet naar Spanje als de voorlopige voorziening niet was ingediend, is volgens de rechtbank van belang dat – ongeacht de reden hiervoor – er geen uitzetting gepland stond en de bedenktijd daarmee niet van zijn nuttige werking is beroofd. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit dan ook niet onzorgvuldig tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder ten aanzien van Spanje mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Spanje niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar het AIDA rapport van april 2025 (update 2024), waaruit specifiek volgt Spanje tekort schiet in de identificatie en bescherming van slachtoffers mensenhandel. Hierdoor loopt eiseres een reëel risico gevonden te worden door haar mensenhandelaren of het netwerk waar zij deel vanuit maken en slachtoffer te worden van een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, nu zij en haar familie in Nigeria worden bedreigd door haar mensenhandelaren sinds zij uit Spanje is weggevlucht.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij voor Spanje kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) recentelijk, namelijk op 3 september 2025, nog een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 22 augustus 2025 heeft bevestigd waarin werd geoordeeld dat ten aanzien van Spanje nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en waarbij de rechtbank het AIDA rapport van april 2025 (update 2024) ook betrokken had. De beroepsgrond slaagt niet.

Is er sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Tarakhel?

6. Eiseres voert aan dat zij als slachtoffer van mensenhandel als bijzonder kwetsbaar dient te worden aangemerkt. Dit volgt uit artikel 21 van Richtlijn nr. 2013/33/EU, waarin slachtoffers van mensenhandel als kwetsbaar worden aangemerkt. Dit is in het bestreden besluit miskend. Verweerder heeft zich verder in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres met documenten dient aan te tonen dat zij bijzonder kwetsbaar is. Noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie volgt zo'n verplichting. Nu verweerder niet betwist dat eiseres een slachtoffer van mensenhandel is, volgt hieruit dat zij als bijzonder kwetsbaar dient te worden aangemerkt. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat het arrest Tarakhel niet van toepassing is op eiseres.

De rechtbank overweegt als volgt. In het Tarakhel-arrest is door het EHRM overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. In het Tarakhel-arrest ging het specifiek om een gezin met zes jonge kinderen, die op grond van hun minderjarige leeftijd al per definitie bijzonder kwetsbaar werden geacht. De Afdeling heeft daarna overwogen in haar uitspraak van 3 december 2015 dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere personen die bijzonder kwetsbaar zijn, als aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid en is er daarmee geen sprake van een situatie als bedoeld in het Tarakhel-arrest. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiseres niet nader heeft onderbouwd dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel en ook niet dat om die reden aanvullende garanties nodig zijn om toereikende zorg- en opvangvoorzieningen in Spanje te krijgen. Er is bijvoorbeeld geen aangifte overgelegd van mensenhandel. Ook zijn er geen stukken waaruit blijkt dat eiseres zonder garanties geen toereikende voorzieningen in Spanje zal krijgen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat dat niet betekent dat de rechtbank niet gelooft dat eiseres slachtoffer is geworden van mensenhandel, maar dat om een beroep te kunnen doen op het Tarakhel-arrest (in dit geval) de bijzondere kwetsbaarheid en de noodzaak van aanvullende garanties wel onderbouwd moet worden, en dat dat niet is gebeurd. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder de aanvraag van eiseres in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening?

7. Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn waardoor een overdracht aan Spanje onevenredig hard zou zijn. Verweerder heeft ten onrechte in het bestreden besluit alleen de relatie van eiseres in Nederland betrokken in het kader van de toets aan artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder had wat eiseres heeft meegemaakt in Spanje, in combinatie met haar kwetsbare positie als slachtoffer mensenhandel, de vrees die zij heeft voor haar mensenhandelaren, en de gebrekkige ondersteuning en bescherming die Spanje biedt aan slachtoffers van mensenhandel ook moeten betrekken in het kader van de toets aan artikel 17 van de Dublinverordening. Deze omstandigheden zorgen ervoor dat overdracht aan Spanje onevenredig hard zou zijn. Eiseres wijst hierbij ook op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 februari 2025.

Ook de omstandigheid dat eiseres een relatie heeft met een Nederlandse man zorgt ervoor dat overdracht aan Spanje onevenredig hard zou zijn. Eiseres heeft verschillende bewijsstukken overgelegd van haar relatie met een Nederlandse man, waaronder een uitgebreide brief van haar partner waarin hij beschrijft hoe zij vormgeven aan hun relatie. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom deze bewijsstukken niet voldoende zijn om de relatie aannemelijk en duurzaam te achten. Dat eiseres en haar partner nog maar kort bij elkaar zijn is ook geen reden om de relatie niet aannemelijk en duurzaam te achten, nu de duur van een relatie niks zegt over de duurzaamheid van de relatie. Eiseres en haar partner hebben namelijk de intentie om te gaan trouwen, waardoor wel degelijk sprake is van een duurzame relatie. Ook is in dit kader nog relevant dat de partner van eiseres een dochter heeft in Nederland voor wie hij in co-ouderschap zorgt, wat maakt dat hij eiseres niet kan volgen naar Spanje.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening kan verweerder een asielaanvraag ook onverplicht in behandeling nemen. Uit paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat verweerder gebruik maakt van deze bevoegdheid indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling van een onevenredige hardheid getuigt.

De rechtbank volgt de stelling van eiseres niet, dat verweerder ten onrechte alleen de relatie van eiseres in Nederland kenbaar heeft betrokken in het kader van de toets aan artikel 17 van de Dublinverordening. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de omstandigheid dat eiseres een relatie zou hebben met een Nederlandse man op zichzelf niet genoeg is om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen, ook niet als verweerder dit samen bekijkt met wat eiseres verder heeft verteld. De rechtbank leidt hieruit af dat de overige door eiseres aangevoerde omstandigheden wel bij de toets aan artikel 17 van de Dublinverordening betrokken zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn op grond waarvan hij de aanvraag van eiseres toch in behandeling zou moeten nemen. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat niet is gebleken dat de Spaanse autoriteiten eiseres bij eventuele problemen bij terugkeer niet kunnen of willen helpen. Tot slot kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen geslaagd beroep doen op de uitspraak van 7 februari 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, nu in deze uitspraak werd overwogen dat de feiten en omstandigheden zoals van toepassing in die procedure zich slechts hoogst zelden zullen voordoen en de rechtbank dit geen vergelijkbaar geval vindt. Verweerder heeft er nog op gewezen dat er hoger beroep is ingesteld tegen deze uitspraak.

Ook ten aanzien van de omstandigheid dat eiseres een relatie heeft met een Nederlandse man heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat dit in relatie met wat eiseres verder heeft verklaard geen bijzondere, individuele omstandigheid is op grond waarvan hij de aanvraag van eiseres toch in behandeling zou moeten nemen. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet onder de definitie van ‘gezinslid’ in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening valt, omdat eiseres haar partner nog niet kende toen ze in Nigeria verbleef. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres verder niet heeft aangetoond dat er sprake is van een duurzame relatie, nu eiseres en haar partner elkaar pas erg kort kennen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft.

Omdat op het beroep is beslist, is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af.

Eiseres krijgt in beide zaken geen vergoeding van haar proceskosten

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover dit gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.M. Poortier

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?