RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7784
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Sloots).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met die afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag aan welke beleidsregels verweerder de aanvraag moest toetsen (onder 7, 8 en 9) en of verweerder het risico van eiser op vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst goed heeft beoordeeld (onder 10 en verder). Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser is geboren op [datum] 1992, heeft de Turkse nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Samen met zijn [broer 1] en een vriend is hij Nederland ingereisd. Op 15 juni 2023 heeft hij zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 februari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting in Breda behandeld (gelijktijdig met het beroep van zijn [broer 1] , zaaknummer NL25.7785). Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in [plaats] is opgegroeid in een gezin dat actief is voor de HDP en dat hij zelf ook actief lid is. De vader van eiser was in 1996 provinciaal voorzitter van de HDP. In die tijd was dat gevaarlijk en vader is ook door de autoriteiten meegenomen op beschuldiging dat hij een granaat in huis had verstopt. Ook hebben er veel huiszoekingen plaatsgevonden bij het gezin van eiser. Eiser heeft ook verklaard over zijn eigen politieke activiteiten. Sinds 2014 is hij lid van de HDP en tot aan zijn vertrek uit Turkije heeft hij zich ingezet voor de partij. Hij heeft campagne gevoerd in verkiezingstijd. Hij ging bij mensen langs de deur om ze te informeren en te enthousiasmeren voor de HDP en hij deelde brochures uit. Hij heeft ook legale demonstraties bijgewoond. Hij bezocht het partijkantoor zo vaak als hij kon en bezocht ook meetings. Eiser heeft verklaard dat hij door die activiteiten problemen heeft gekregen met de autoriteiten. Hij is achtervolgd door de politie en is in 2015 slachtoffer geworden van politiegeweld. Verder werd door de politie regelmatig traangas ingezet aan het einde van HDP-meetings. Bovendien heeft eiser gehoord, terwijl hij al in Nederland was, dat de gendarmerie bij het dorpshoofd navraag naar eiser heeft gedaan. Ze wilden weten waar eiser was. Eiser heeft ook verklaard dat hij (politiek) actief was op sociale media. Hij uitte daar kritiek op Erdogan en op de politieke islam. Sommige accounts zijn geblokkeerd, andere heeft hij zelf gewist uit angst. Eiser heeft verder verklaard dat hij vanwege zijn Koerdische etniciteit ook is gediscrimineerd. Hij is geslagen op de basisschool en is uitgescholden en gekleineerd. Ook kreeg hij voor arbeid van drie maanden niet betaald.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst,
politieke activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen,
discriminatie vanwege Koerdische etniciteit.
5. Verweerder acht de relevante elementen geloofwaardig, maar hij vindt niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij een vooraanstaande rol had binnen de HDP en dat hij daardoor in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Verweerder heeft verder aangenomen dat eiser discriminatie heeft ervaren, maar acht die discriminatie niet zwaarwegend genoeg om tot vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije te concluderen.
De beroepsgronden
6. Eiser voert aan dat verweerder hem heeft benadeeld door zijn aanvraag te toetsen aan het risicoprofielenbeleid dat sinds 1 juli 2024 geldt en stelt dat verweerder in zijn geval uitvoering had moeten geven aan het voorheen geldende risicogroepenbeleid. Eiser stelt verder dat in Turkije sprake is van wijdverbreide vervolging en discriminatie van HDP-aanhangers en heeft informatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 19 november 2025 overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat ook laaggeplaatste HDP-leden doelwit kunnen zijn van de Turkse autoriteiten. Tot slot voert eiser aan dat hij het onbegrijpelijk vindt dat zijn asielaanvraag is afgewezen, terwijl zijn [broer 2] eerder op dezelfde asielmotieven wel een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen.
Mocht verweerder het nieuwe landenbeleid toepassen?
7. Met ingang van 1 juli 2024 is het zogenaamde risicogroepenbeleid van verweerder vervallen en is verweerder overgestapt naar een risicoprofielenbeleid.
8. Als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. De stelling van eiser dat hij door het gewijzigde beleid in een negatieve positie terecht is gekomen, is bovendien niet onderbouwd. Eiser heeft daarmee dan ook niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat verweerder in afwijking van het algemene uitgangspunt had moeten uitgaan van het voorheen geldende groepenbeleid. Ook het feit dat verweerder niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Immers, zoals hiervoor is overwogen, is niet gebleken dat eiser enkel door het gewijzigde beleid is benadeeld.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers aanvraag terecht heeft beoordeeld volgens het op het moment van de besluitvorming geldende risicoprofielenbeleid voor Turkije.
Landgebonden beleid Turkije en HDP-activisme
10. Verweerder heeft in zijn landgebonden beleid ten aanzien van Turkije HDP-leden en -activisten aangemerkt als risicoprofiel. In paragraaf C2/2.4 van de Vc is bepaald dat het behoren tot een groep, aangemerkt als risicoprofiel, op zichzelf niet voldoende is voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, dan beoordeelt de IND de individuele omstandigheden van het geval, afgezet tegen de positie van de groep en algemene (veiligheidssituatie) in het land van herkomst. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt of heeft gelopen.
Algemeen ambtsbericht Turkije
11. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser actief HDP-lid was en is. Dat is ook bevestigd door een voormalig parlementslid van de HDP, [naam] , in een handgeschreven verklaring van 1 november 2024. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn activiteiten voor de HDP in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. De rechtbank acht daarvoor van belang wat er in het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 is vermeld met betrekking tot leden van de HDP (thans: DEM). In de door eiser overgelegde brief van Vluchtelingenwerk Nederland wordt ook naar dit ambtsbericht verwezen.
12. In het ambtsbericht staan het volgende: “Voorgaand ambtsbericht meldde dat er ongeveer vijfduizend HDP-leden in de gevangenis zaten. Het was lastig om het precieze aantal gevangengezette HDP leden bij te houden, omdat het oppakken en vrijlaten van HDP-leden voortdurend doorging. Gedurende de verslagperiode bleef het een komen en gaan van DEM-leden in de gevangenis. Een bron schatte het aantal gevangengezette DEM-leden op zeven- à achtduizend. Deze baseerde zich daarbij op mediaberichten en signalen uit het veld. Begin januari 2025 telde DEM 14.741 leden. Dit betekende dat gedurende de verslagperiode ongeveer 47,49% tot 54,27% van het DEM-ledental in de gevangenis zat.”
13. Uit het ambtsbericht volgt niet dat alleen hooggeplaatste DEM-leden te maken kunnen krijgen met vervolging. Het ambtsbericht vermeldt activiteiten die kunnen leiden tot negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten:
het plaatsen, delen en liken van DEM-gezinde berichten op de sociale media;
het deelnemen aan demonstraties (bijvoorbeeld tegen de benoeming van bewindvoerders);
het geven of bijwonen van persverklaringen;
het sturen van geld naar gevangengezette familieleden.
Daarbij is vermeld dat deze opsomming niet als uitputtend kan worden beschouwd.
“De antiterreurwetgeving in Turkije is breed en vaag geformuleerd, zodat de Turkse autoriteiten uiteenlopende omstandigheden en activiteiten konden aanwenden om een DEM-lid of -aanhanger tot doelwit te maken.”
14. Vervolgens vermeldt het ambtsbericht dat ook familieleden van HDP-leden de negatieve aandacht kunnen trekken.
“Zo kwam het voor dat familieleden van een DEM-lid geen overheidsbaan konden krijgen. Indien zij geld stuurden naar een gevangengezet familielid, dat lid was van DEM, liepen zij het risico om zelf strafrechtelijk te worden vervolgd wegens het financieel steunen van de PKK.
Een bron gaf aan dat familieleden van DEM-leden door de politie of veiligheidsdiensten werden gevolgd, opgepakt en/of verhoord. Ook kwam het voor dat familieleden van DEM-leden onder druk werden gezet om te getuigen tegen andere DEM-leden in brede zin. Daarnaast gebeurde het dat personen niet in aanmerking kwamen voor een studiebeurs, lening, ziektekostenverzekering of sociale voorziening, omdat een familielid lid was van DEM. Voornoemde vormen van repressie werden hoofdzakelijk ingezet tegen ouders, echtgenoten, broers en zussen en kinderen van DEM-leden, aldus de bron.”
15. Verder is in het ambtsbericht vermeld dat DEM-aanhangers niet alleen te maken krijgen met repressie van de zijde van de Turkse autoriteiten, maar ook met agressie en onverdraagzaamheid vanuit de Turkse samenleving.
16. Eiser stelt in beroep dus terecht dat ook laaggeplaatste HDP-leden in de negatieve belangstelling kunnen staan van de Turkse autoriteiten.
Beoordeling risico op vervolging of ernstige schade eiser
17. Uit de enkele overweging dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij binnen de HDP een vooraanstaande rol had, heeft verweerder dus niet de conclusie mogen trekken dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Verweerder heeft onvoldoende acht geslagen op de algemene veiligheidssituatie voor HDP-leden in Turkije en wat daarover in het ambtsbericht is vermeld. Uit de door eiser afgelegde (en geloofwaardig geachte) verklaringen kan worden afgeleid dat eiser voor de HDP politieke activiteiten heeft verricht die in het ambtsbericht als risicovolle activiteiten worden aangemerkt. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat verweerder heeft aangenomen dat eisers vader een prominente rol had binnen de HDP en dat verweerder eerder aan een broer van eiser ( [broer 2] ) wel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend.
18. Reeds hierom slaagt het beroep.
Conclusie en gevolgen
19. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond.
20. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
21. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 februari 2025;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 29 december 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.