ECLI:NL:RBDHA:2025:25547

ECLI:NL:RBDHA:2025:25547, Rechtbank Den Haag, 30-12-2025, 25/8869

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-12-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer 25/8869
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Mondelinge uitspraak
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voorzieningenrechter wijst verzoek om voorlopige voorziening af. Betreft verleende omgevingsvergunning. Zitting in bodemprocedure was op 16 december 2025 en uiterlijk op 27 januari 2026 wordt uitspraak gedaan in het beroep. Het ligt niet in de rede om hier een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven. Daarom uitsluitend belangenafweging. Belang van vergunninghoudster om de werkzaamheden te kunnen voortzetten weegt zwaarder dan het belang van verzoekers bij schorsing van de omgevingsvergunning.

Uitspraak

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

30 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] en [verzoeker 5], uit [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: R.E. van Kralingen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [stichting] uit [woonplaats] (vergunninghoudster).

(gemachtigde: mr. L. de Jeu)

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een gebouw voor zorgappartementen op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel).

Op 17 maart 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag om de genoemde omgevingsvergunning ingediend.

Met het besluit van 21 juni 2023 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

Met het bestreden besluit van 22 januari 2024 op het bezwaar van onder andere verzoekers heeft het college het besluit van 21 juni 2023 herroepen en opnieuw een omgevingsvergunning verleend.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 9 augustus 2024, verbeterd op 30 augustus 2024, heeft de rechtbank Rotterdam de zaken met toepassing van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Den Haag.

Op 4 december 2026 heeft het college een herstelbesluit genomen met betrekking tot de archeologie. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit wijzigingsbesluit.

Op 13 december 2025 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voor zover in het verzoek om voorlopige voorziening een verzoek tot het nemen van een ordemaatregel moet worden gelezen, heeft de voorzieningenrechter dit verzoek op 17 december 2025 afgewezen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van verzoekers, namens het college

[naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en

[naam 6] , en namens vergunninghoudster de gemachtigde en mr. R.D. van Oevelen, vergezeld door [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] .

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van voldoende spoedeisend belang vanwege de voortzetting van hei- en funderingswerkzaamheden in januari 2026.

4. In deze procedure heeft de zitting in de bodemprocedure plaatsgevonden op

16 december 2025 en zal, uitgaande van een uitspraaktermijn van zes weken, uiterlijk op

27 januari 2026 uitspraak worden gedaan op het beroep van verzoekers. Gelet hierop ligt het niet in de rede om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven over de verleende omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter zal daarom uitsluitend op grond van een belangenafweging beoordelen of het verzoek om voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking komt.

5. De belangenafweging valt uit in het nadeel van verzoekers. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In de relatief korte tijd tot de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure zullen de heiwerkzaamheden worden afgerond en zal een begin worden gemaakt met het bouwen van de fundering van het gebouw. Daarom is in het in ieder geval aannemelijk dat nog geen bouwlaag zal zijn gerealiseerd op het perceel. Wat in deze periode kan worden gebouwd is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van wezenlijke betekenis voor de leefomgeving van verzoekers. In dat kader is relevant dat eerder een gebouw op het perceel heeft gestaan en dat volgens het bestemmingsplan een gebouw met een maximum bouwhoogte van 10 meter kan worden opgericht.

Van wat de komende weken kan worden gebouwd is niet gebleken dat dit onomkeerbaar is. Vergunninghoudster heeft op zitting toegelicht dat de heipalen en de fundering op zichzelf kunnen worden verwijderd. Vergunninghoudster onderkent ook dat zij voor eigen rekening en risico bouwt zolang de omgevingsvergunning niet onherroepelijk is.

Vergunninghoudster heeft belang bij gebruikmaking van de omgevingsvergunning, omdat zij 30 woonzorgappartementen op het perceel wil bouwen. Het is niet in geschil dat er behoefte is aan dit type woningen en dat de huidige huisvesting van de beoogde bewoners van de woonzorgappartementen op dit moment tekortschiet voor de zorg die nodig is. Over de start van de werkzaamheden heeft vergunninghoudster toegelicht dat een nieuwe aannemer in beeld is gekomen die op dit moment kan bouwen. Als de omgevingsvergunning zou worden geschorst, zou de beschikbaarheid van die aannemer in het gedrang kunnen komen. In dat geval zou de bouw aanzienlijk worden vertraagd.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van vergunninghoudster om de werkzaamheden te kunnen voortzetten zwaarder weegt dan het belang van verzoekers bij schorsing van de omgevingsvergunning.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025 door

mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. I. Geerink-van Loon, griffier.

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I. Geerink-van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?