RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62098
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 30 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank op 18 december 2025 van het voortduren van de maatregel van bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 24 december 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1973 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 oktober 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 8 oktober 2025.
4. Eiser voert allereerst aan dat er geen zicht is op uitzetting, gelet op de lange behandelduur van de lp-aanvraag. Hierbij wijst eiser op het feit dat de opschaling op 14 oktober 2025 niets heeft opgeleverd. Er kan dus niet langer worden verwacht dat op redelijke termijn een lp zal worden afgegeven. Verder meent eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Volgens eiser had verweerder na het contact met de consul op 14 oktober 2025 nogmaals telefonisch contact moeten opnemen. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder niet langer het recht heeft om eiser in bewaring te nemen om het terugkeerbesluit van 16 mei 2017 uit te voeren. Hierbij wijst eiser op het advies van de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Aroya van 4 september 2025 (HvJEU C-150/24, ECLI:EU:C:2025:667) om bij het bepalen van de maximaal toegestane duur van de bewaring van 18 maanden alle perioden van bewaring ter uitvoering van een terugkeerbesluit in aanmerking te nemen. Eiser wijst erop dat hij eerder van 9 maart 2019 tot en met 9 juli 2019, van 1 november 2020 tot en met 26 april 2020 en van 14 januari 2025 tot en met 22 april 2025 in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht om uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit van 16 mei 2017.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Uit het voortgangsrapport volgt dat eisers lp-aanvraag op 14 oktober 2025 concreet onder de aandacht is gebracht van de Marokkaanse autoriteiten en dat deze hierop hebben toegezegd hier naar te zullen kijken. Uit deze informatie kan niet worden afgeleid dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp zullen afgeven. Hier kan dan ook niet de conclusie aan worden verbonden dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
6. De rechtbank volgt evenmin eisers conclusie dat verweerder sinds 8 oktober jl onvoldoende voortvarend heeft gehandeld in de voorbereiding van eisers uitzetting. Verweerder blijft periodiek rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten (laatstelijk op 27 november 2025). Ook houdt verweerder regelmatig vertrekgesprekken met eiser (het meest recente vertrekgesprek dateert van 14 november 2025). Daarbij komt dat eiser tot dusverre geen inspanningen heeft verricht om de afgifte van een lp te bespoedigen.
7. Ten slotte volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat verweerder niet langer het recht heeft om eiser in bewaring te nemen teneinde het terugkeerbesluit van 16 mei 2017 uit te voeren. De rechtbank overweegt daartoe dat het Hof nog moet oordelen over de in de zaak Aroya voorgelegde prejudiciƫle vragen. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank voor de hand om bij het beantwoorden van de vraag of de toegestane maximale duur van vreemdelingenbewaring is overschreden rekening te houden met de relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval. In dit geval valt op dat tussen de door eiser genoemde tweede en derde periode van bewaring bijna vijf jaren zijn verstreken. Niet is gebleken dat eiser gedurende deze tijd zelfstandig heeft getracht om terug te keren naar Marokko. Van concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerder al die tijd verwijtbaar heeft stilgezeten is evenmin gebleken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de door eiser genoemde eerste en tweede periode van bewaring in aanmerking te nemen. Er is dan ook geen sprake van overschrijding van de maximaal toegestane duur van de bewaring.
8. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de bewaring vanaf enig moment onrechtmatig moet worden geacht.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 december 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.