uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. D. Aygur),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister
Niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 10 oktober 2024. Uit het dossier blijkt dat eiser met ingang van 16 januari 2025 is toegelaten tot de nationale procedure en dat Nederland op dat moment verantwoordelijk werd voor de behandeling van de asielaanvragen van eiser.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft
gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. De minister moet in principe binnen zes maanden na het ontvangen van de
aanvraag beslissen. Met het besluit van 11 december 2024 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië, in werking getreden op 14 december 2024. Het BVM gold tot en met 13 juni 2025.
3. De grondslag voor het BVM ligt in artikel 43, eerste lid, van de Vw, waarin artikel
31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd. In artikel 43, eerste lid, van de Vw staat dat de minister de beslistermijn kan verlengen tot ten hoogste 21 maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst. In artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten de onderzoeksprocedure kunnen uitstellen in individuele gevallen bij een onzekere situatie in het land van herkomst.
4. De rechtbank ziet aanleiding om de term verlengen in het BVM op te vatten als
opschorten. Daarbij neemt de rechtbank het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in aanmerking en het feit dat de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43. Verder is van belang dat de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn het heeft over postpone. Daarnaast spreekt de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn over postpone. De rechtbank vindt ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst zodanig complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en kan de minister weer besluiten nemen. Dat de wet en het BVM zelf over verlengen spreken in plaats van over opschorten doet hieraan niet af.
5. Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de
beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd. In de zaak van eiser is de aanvraag ingediend op 10 oktober 2024. Op 16 januari 2025 werd Nederland verantwoordelijk voor de asielaanvraag, dit is ten tijde van het BVM. De beslistermijn van zes maanden is vanaf 14 juni 2025 gaan lopen. De opschorting van de beslistermijn betekent in dit geval dat de minister uiterlijk op 14 december 2025 een besluit had moeten nemen. Eiser heeft de minister op 18 juli 2025 in gebreke gesteld, de beslistermijn was toen nog niet verstreken. Dit betekent dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.