[eiser] , uit [woonplaats] , [land] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Jansen),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr I.S. IJserinkhuijsen).
Inleiding
1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder de verklaring van eiser dat hij het Nederlanderschap wil verkrijgen (hierna: optieverklaring) te bevestigen.
Met het besluit van 8 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd de optieverklaring te bevestigen. Met het besluit van 24 oktober 2024 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is verweerder daarbij gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak op 6 mei 2025 verwezen naar een meervoudige kamer.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1962 in [geboorteplaats 1] , Frankrijk. Zijn moeder is geboren op [geboortedatum 2] 1940 in [geboorteplaats 2] , en zijn vader is geboren op [geboortedatum 3] 1932 in [geboorteplaats 3] , Madagascar. Eisers moeder verkreeg door geboorte het Nederlanderschap. De vader van eiser heeft door geboorte de Franse nationaliteit verkregen, omdat Madagaskar ten tijde van zijn geboorte een Franse kolonie was. Na de onafhankelijkheid van Madagaskar op 26 juni 1960 verkreeg eisers vader automatisch de Malagassische nationaliteit en behield hij de Franse nationaliteit.
De ouders van eiser zijn op [datum] 1961 in [plaats 1] , Frankrijk, getrouwd. Door dit huwelijk verkreeg de moeder van eiser automatisch de Malagassische nationaliteit en verloor van rechtswege haar Nederlandse nationaliteit. Eisers moeder heeft de Nederlandse nationaliteit op 5 augustus 1964 herkregen door het afleggen van een optieverklaring. Deze herkrijging van het Nederlanderschap had geen terugwerkende kracht. Dit betekent dat de moeder van eiser niet de Nederlandse nationaliteit had in de periode van [datum] 1961 tot 5 augustus 1964.
Eiser heeft de Franse nationaliteit en woont in [land] . Hij heeft bij de Nederlandse ambassade in [plaats 2] een optieverklaring afgelegd. Het gaat om de optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Volgens eiser komt hij in aanmerking voor de Nederlandse nationaliteit, omdat zijn moeder Nederlandse is.
Verweerder heeft de optieverklaring niet bevestigd, omdat de moeder van eiser ten tijde van zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit niet had.
Wat zijn de regels?
3. Onder de werking van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI) bezat de gehuwde vrouw in de periode tot 1 maart 1964 geen zelfstandige nationaliteitsrechtelijke positie, maar volgde zij die van haar echtgenoot. De WNI is in 1964 gewijzigd. Voortaan had de vrouw een zelfstandige nationaliteitsrechtelijke positie. Vrouwen die voor 1 maart 1964 getrouwd waren en daardoor hun Nederlanderschap waren verloren, konden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Die optieverklaring had geen terugwerkende kracht tot het moment van verlies.
Het Nederlanderschap kon onder de werking van de WNI, voor kinderen die tijdens een huwelijk waren geboren of die erkend of gewettigd waren, alleen aan de Nederlandse vader worden ontleend.Bij de inwerkingtreding van de RWN, op 1 januari 1985, is bepaald dat voortaan ook aan de Nederlandse moeder het Nederlanderschap kon worden ontleend. Voor kinderen die voor 1 januari 1985 werden geboren uit een Nederlandse moeder en een niet-Nederlandse vader was er een overgangsregeling. Zij konden een optieverklaring afleggen als de moeder het Nederlanderschap bezat en als het kind op 1 januari 1985 de leeftijd van 21 jaar nog niet had bereikt en niet gehuwd was of gehuwd was geweest. Deze optieregeling gold in de periode van 1985 tot 1988. Het optierecht van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i, van de RWN, is in 2010 ingevoerd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i, van de RWN in strijd is met artikel 9 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van Vrouwen (VN-Vrouwenverdrag). Eiser kan immers geen beroep doen op de optieregeling, omdat zijn moeder als gevolg van haar huwelijk in 1961 automatisch de Nederlandse nationaliteit verloor. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i, van de RWN belemmert dus het gelijke recht van vrouwen om de nationaliteit aan kinderen door te geven. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat dit ook in strijd is met de artikelen 4, 5 en 6 van het Europees Verdrag inzake nationaliteit.
Verder stelt eiser dat hij slachtoffer is geworden van ongelijke behandeling van vrouwen in het nationaliteitsrecht. Vrouwen werden in de periode 1961-1962 ongelijk behandeld, doordat een Nederlandse moeder haar nationaliteit toen niet kon doorgeven aan haar kinderen.
Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering de optieverklaring te bevestigen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 9, tweede lid, van het VN-Vrouwenverdrag. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Partijen zijn het erover eens dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor bevestiging van een optieverklaring. Eén van de eisen is namelijk dat eisers moeder de Nederlandse nationaliteit had op de dag van zijn geboorte. De rechtbank staat voor de beantwoording van de vraag of deze voorwaarde in het geval van eiser strijdig is met artikel 9 van het VN-Vrouwenverdrag. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Heeft artikel 9, tweede lid, van het VN-Vrouwenverdrag rechtstreekse werking?
7. Het VN-Vrouwenverdrag heeft de uitbanning van alle discriminatie van vrouwen tot doel. Artikel 9, eerste lid, van het VN-Vrouwenverdrag verplicht de Staten die partij zijn bij het verdrag om vrouwen gelijke rechten als mannen te verlenen om een nationaliteit te verkrijgen, van nationaliteit te veranderen of deze te behouden. De Staten moeten in het bijzonder waarborgen dat een huwelijk met een buitenlander, noch een wijziging van de nationaliteit van de echtgenoot staande huwelijk, automatisch de nationaliteit van de echtgenote verandert, haar staatloos maakt of haar dwingt de nationaliteit van haar echtgenoot aan te nemen. Artikel 9, tweede lid, van het VN-Vrouwenverdrag verplicht ertoe om vrouwen gelijke rechten als mannen te verlenen wat de nationaliteit van hun kinderen betreft. Nederland heeft het Verdrag in 1991 geratificeerd.
Omdat het in deze zaak gaat over het doorgeven van de nationaliteit aan kinderen, beoordeelt de rechtbank of de voorwaarde uit artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i, van de RWN dat de moeder de Nederlandse nationaliteit had op de dag van de geboorte van het kind, in strijd is met artikel 9, tweede lid, van het VN-Vrouwenverdrag. De rechtbank zal daarvoor eerst beoordelen of dit een ieder verbindende verdragsbepaling is waaraan rechtstreekse werking moet worden toegekend.
Volgens vaste rechtspraak moet de vraag in hoeverre een verdragsbepaling rechtstreekse werking toekomt in de zin van artikel 93 en 94 van de Grondwet te worden beantwoord door uitleg van die verdragsbepaling. Als uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse werking van de verdragsbepaling is beoogd, is de inhoud van die bepaling beslissend. Het gaat er dan om of deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Als het op grond van een verdragsbepaling in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk is en voldoende nauwkeurig is omschreven, belet de enkele omstandigheid dat de wetgever of de overheid keuze- of beleidsvrijheid toekomt wat betreft de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat, niet dat de bepaling rechtstreekse werking heeft. Of van die werking sprake is, hangt af van het antwoord op de vraag of de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren.
De rechtbank stelt vast dat uit de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis niet valt af te leiden of aan artikel 9, tweede lid, van het VN-Vrouwenverdrag geen rechtstreekse werking mag worden toegekend. De inhoud van de verdragsbepaling is dus beslissend. De rechtbank is van oordeel dat het te bereiken resultaat, namelijk het gelijke recht van vrouwen aan dat van mannen als het gaat om het doorgeven van hun nationaliteit, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is omschreven. Deze bepaling laat ook geen keuze- of beleidsvrijheid. De bepaling kan dus zonder meer als objectief recht in de nationale rechtsorde door de rechter worden toegepast. Dat betekent dat rechtstreekse werking toekomt aan artikel 9, tweede lid, van het VN-Vrouwenverdrag.
Dit betekent ook dat, naast de vrouwen zelf, ook hun kinderen een beroep kunnen doen op deze bepaling. Hun recht op het krijgen van de nationaliteit van hun moeder vloeit namelijk direct voort uit het recht van hun moeder om de nationaliteit op gelijke voet met mannen aan de kinderen door te geven. De bescherming van het recht van de moeder brengt dus automatisch ook bescherming van het recht van het kind met zich.
Is de optieregeling strijdig met artikel 9, tweede lid, van het VN-Vrouwenverdrag?
8. Het optierecht van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i, van de RWN, is in 2010 ingevoerd. Met de wijziging werd beoogd om de nationaliteitsrechtelijke positie te regelen van diegenen die voor 1 januari 1985 afstammen van een Nederlandse moeder. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit optierecht relevant was voor degenen die niet van de eerdere overgangsregeling, die gold in de periode 1985 tot 1988, gebruik hebben gemaakt. Eiser kwam niet in aanmerking voor een optierecht onder de tijdelijke overgangsregeling in de periode van 1985 tot 1988, omdat hij toen ouder was dan 21 jaar. Blijkens de wetsgeschiedenis bevat de huidige regeling een verruiming ten opzichte van die overgangsregeling, nu de leeftijdsgrens van eenentwintig jaar hierin niet is opgenomen, met als doel om de gelijkstelling van man en vrouw in het nationaliteitsrecht zo volledig mogelijk te regelen.
Doordat de optieregeling als voorwaarde stelt dat de optant geboren moet zijn uit een moeder die ten tijde van zijn geboorte Nederlander was, kan de groep vrouwen die voor 1964 de Nederlandse nationaliteit verloor door huwelijk en vervolgens voor het herkrijgen van de Nederlandse nationaliteit een kind kreeg, de Nederlandse nationaliteit niet doorgeven. De kinderen van deze groep vrouwen, waartoe eiser behoort, kunnen daarom geen beroep doen op dit optierecht.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i van de RWN, voor zover het de voorwaarde stelt dat de moeder de Nederlandse nationaliteit had op de dag van de geboorte van het kind, in het geval van eiser in strijd komt met artikel 9, tweede lid, van het VN-Vrouwenverdrag en op grond van artikel 94 van de Grondwet in zoverre buiten toepassing moet worden gelaten.
9. De beroepsgrond over strijdigheid met het VN-Vrouwenverdrag slaagt dus. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 9, tweede lid, van het VN-Vrouwenverdrag. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf een beslissing te nemen op het bezwaar van eiser. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat die volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft hiervoor een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, voorzitter, en mr. D.C. Laagland, en mr. E.K.S. Mollen, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.