[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. De minister heeft op 13 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft door het tekenen van een afstandsverklaring afgezien van het recht om op zitting te worden gehoord. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdacht is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, omdat aan eiser op 18 september 2025 een terugkeerbesluit is opgelegd. Dit besluit staat in rechte vast. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
5. Eiser betwist de zware grond 3d en de lichte grond 4d. Ten aanzien van de zware grond 3d voert eiser aan dat hij een paspoort in Frankrijk heeft liggen, en dat hij bereid is om deze op te halen. Met betrekking tot de lichte grond 4d stelt eiser dat deze grond hem niet kan worden tegengeworpen, omdat hij beschikt over € 1200,-. Dit geldbedrag ligt bij een vriend.
Ten aanzien van zware grond 3d overweegt de rechtbank dat de feitelijke juistheid van deze grond voldoende is om deze aan eiser te kunnen tegenwerpen. De rechtbank is van oordeel dat de grond 3d feitelijk juist is, nu eiser geen documenten heeft overgelegd ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft ook geen activiteiten verricht om alsnog in het bezit te komen van dergelijke documenten, zodat hij onvoldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit.
Ten aanzien van de lichte grond 4d overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt. De enkele stelling dat eiser over € 1200 beschikt, is hiertoe niet voldoende.
De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft ter zitting de lichte grond 4e laten vallen.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat de minister had kunnen en moeten volstaan met een lichter middel. Tot de inbewaringstelling was eiser namelijk meewerkend ten aanzien van zijn vertrek en hij geeft ook aan terug te willen keren naar Marokko. Daarnaast moet eiser geopereerd worden aan zijn arm.
De minister is terecht ervan uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de hem rustende vertrekplicht. Dit volgt uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de plicht tot terugkeer die volgt uit de beschikking van 19 september 2025. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De medische problematiek van eiser is kenbaar meegenomen in de maatregel, en maakt eiser niet detentieongeschikt. In het detentiecentrum is de nodige medische en psychische hulp aanwezig, die overeenkomt met de zorg in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de vijfde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 18 december 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser.
Zicht op uitzetting
8. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Bovendien is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement en/of de eerbiediging van zijn gezins- of familieleven zich tegen de uitzetting van eiser verzet.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.