RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61285 (beroep) en NL25.62992 (kennisgeving)
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
1. Bij besluit van 12 december 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 23 december 2025 voor eiser een kennisgeving aan de rechtbank verzonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL25.62992.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 22 december 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 22 december 2025 op gereageerd. Op 24 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Hij heeft te maken gehad met ondervraging en mishandeling door de inlichtingendienst in zijn land van herkomst. Als gevolg daarvan ervaart eiser het verblijf in het justitieel complex Schiphol (JCS) als traumatiserend. Daarbij is in JCS sprake van een strafdetentieregime in plaats van vreemdelingendetentie. Ook wist eiser niet dat zijn detentie voor onbepaalde tijd zou zijn. Het was hem niet duidelijk dat hij om een lichter middel kon verzoeken.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden de maatregel van bewaring heeft opgelegd. Eiser mag weliswaar verzoeken om een lichter middel, maar de rechtbank is het met verweerder eens dat de beslissing om al dan niet een lichter middel toe te passen bij verweerder ligt. Daarbij wijst verweerder er terecht op dat het grensbewakingsbelang in beginsel het opleggen van een bewaringsmaatregel vergt, omdat met een lichtere maatregel toegang tot Nederland wordt verkregen. Verweerder heeft in de medische problemen van eiser geen aanleiding hoeven zien voor de toepassing van een lichter middel. Niet is gebleken of aannemelijk gemaakt dat eiser voor zijn medische klachten niet bij de medische dienst terecht kan. Bovendien heeft eiser bij de oplegging van de maatregel slechts verklaard de inbewaringstelling verdrietig te vinden en daarbij geen (medische) feiten en omstandigheden naar voren gebracht.
7. Verder ziet de rechtbank met verweerder geen grond voor het oordeel dat het JCS niet als een voor bewaring gespecialiseerde inrichting is aan te merken. In de uitspraak van 26 februari 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat het JCS nog altijd als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is aan te merken. Hiermee heeft de Afdeling haar eerdere uitspraak van 29 januari 2025 bevestigd. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten. Voor klachten over de feitelijke toepassing van het detentieregime staat een andere rechtsgang open, namelijk de klachtenprocedure bij de Commissie van Toezicht.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Kennisgeving
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de kennisgeving onnodig heeft gedaan, omdat eiser zelf al op 15 december 2025 beroep tegen het voortduren van de maatregel heeft ingesteld. Omdat het beroep tegen het voortduren van de maatregel al op grond van het beroepschrift in de zaak met nummer NL25.61285 is beoordeeld, bestaat voor partijen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep dat is ontstaan als gevolg van de door verweerder ingediende kennisgeving. De rechtbank zal het beroep in de zaak met nummer NL25.62992 daarom niet-ontvankelijk verklaren.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer NL25.61285 ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer NL25.62992 niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.