RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62197
(gemachtigde: mr. E. Stap),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 27 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 december 2025 (in de zaak NL.59596) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Eiser voert aan dat eiser de behandeling van het beroep dat hij tegen de afwijzende asielbeschikking heeft ingediend wél in Nederland mag afwachten. Verder leende de asielaanvraag zich niet voor afdoening binnen de grensprocedure en daarom had de maatregel op 11 november 2025 al opgeheven moeten worden.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. In het besluit van 11 november 2025 is eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard en is eiser de toegang tot Nederland geweigerd. In dit besluit is bepaald dat eiser
de uitspraak op het beroep in Nederland mag afwachten. Uit artikel 46, aanhef, zesde lid juncto achtste lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat de lidstaat de asielzoeker moet toestaan in de lidstaat te verblijven in afwachting van de uitkomst van het verzoek. Gelet op het bepaalde in artikel 2, onder p, van de Procedurerichtlijn, wordt onder “in de lidstaat verblijven” mede begrepen aan de grens of transitzone van de lidstaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in de aanhangige beroepszaak tegen de afwijzende asielbeschikking geen reden heeft hoeven zien om de maatregel van bewaring op te heffen.
6. Eiser heeft op 27 oktober 2025 aan de grens te kennen gegeven een asielaanvraag
te willen indienen en is op diezelfde datum opgenomen in de grensprocedure. Tijdens en na
afloop van het nader gehoor vindt het inhoudelijke onderzoek plaats. Verweerder heeft dit
onderzoek verricht en heeft de asielaanvraag vervolgens ook daadwerkelijk afgedaan in de
grensprocedure door op 11 november 2025 de aanvraag af te wijzen als niet-ontvankelijk. De bewaringsrechter kan niet in de beoordeling treden van de vraag of dit terecht is geweest, maar het betekent wel dat het voortzetten van de grensdetentie niet onrechtmatig was.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.