RECHTBANK DEN HAAG
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27996
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Terpstra),
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 28 juni 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Atanasova als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [1988] . Hij heeft asiel gevraagd omdat hij in Nigeria problemen heeft ondervonden in verband met zijn homoseksuele geaardheid. Vanaf 14-jarige leeftijd begon eiser te dromen over zijn vriend [A] . In de loop der tijd heeft hij zijn ouders hierover verteld. De ouders van eiser hebben hem vanaf dat moment meermaals fysiek en mentaal mishandeld, verwaarloosd en traditionele rituelen op hem uitgevoerd met het doel om hem te bevrijden van zijn homoseksuele gevoelens. Vanaf 18-jarige leeftijd kreeg eiser een relatie met [A] . Op 25- en 27-jarige leeftijd zijn eiser en [A] betrapt en vervolgens mishandeld door andere jongens. Vanaf het laatste incident tot 2021 heeft eiser bij een vriend van zijn broer genaamd [B] verbleven. Eind 2020 is eiser nog eens gezien terwijl hij [A] een zoen gaf. Naar aanleiding daarvan is eiser achterna gezeten door jongens met stokken, maar eiser heeft weten te ontsnappen. In februari 2022 - op 33-jarige leeftijd - heeft eiser Nigeria verlaten. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiser om te worden mishandeld en/of te worden vermoord in verband met zijn geaardheid.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het asielmotief onder (1) geloofwaardig is. Het asielmotief onder (2) acht de minister niet geloofwaardig omdat dit asielmotief niet volledig is onderbouwd met objectieve documenten, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven en omdat de verklaringen van eiser over dit asielmotief volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat de geloofwaardig geachte identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet leidt tot de verlening van een verblijfsvergunning asiel. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Het standpunt van eiser in beroep
5. Eiser voert aan dat de minister het asielmotief onder (2) ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft zijn argumenten uit de zienswijze in het bestreden besluit ten onrechte geclusterd behandeld, waardoor onduidelijk is gebleven welke argumenten de minister handhaaft en waarom en welke niet. Daarnaast heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser door van hem te verwachten dat hij kan verklaren als ieder ander, terwijl hij kampt met PTSS en momenteel een traumabehandeling ondergaat. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1622). Verder heeft de minister miskend dat eiser al op 16 juni 2025 een medisch rapport uit Nigeria heeft ingediend. De minister heeft dit rapport ten onrechte niet betrokken bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Voorts heeft de minister in het bestreden besluit niet adequaat gereageerd op het betoog van eiser uit de zienswijze dat de geloofwaardigheidsbeoordeling ten aanzien van het asielmotief van eiser niet voldoet aan artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en dat strikte toepassing van Werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd is met Unierecht. De minister heeft niet of onvoldoende een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt. Ook dienen de medische stukken en adviezen waarop in de zienswijze is gewezen niet enkel te worden betrokken tijdens het gehoor maar ook bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd op de onderdelen die in het voornemen door de minister zijn aangemerkt als ‘summiere verklaringen. Eiser heeft steeds geantwoord op de vraag, waarna de hoormedewerker de indruk heeft gewekt dat het antwoord afdoende is en ten onrechte niet verder heeft doorgevraagd. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 26 april 2024 (NL24.13185). Tot slot heeft de minister in het bestreden besluit ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij in een e-mail in 2022 heeft verklaard biseksueel te zijn. Eiser heeft dit gedaan op advies van een vriend en eiser dacht dat ‘biseksueel’ betekent dat je vriendschappelijke relaties kunt hebben met zowel mannen als vrouwen en alleen intieme relaties kunt hebben met mannen. Hetgeen in het aanmeldgehoor- of aanmeldformulier staat over asielmotieven mag volgens eiser niet worden betrokken bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag. Op grond van de Procedurerichtlijn mogen geen vragen worden gesteld over asielmotieven, zolang niet is voldaan aan de informatieverplichting.
Het oordeel van de rechtbank
Over het toetsingskader onder WI 2024/6
6. De rechtbank verwijst allereerst naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 juni 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:10057). Hierin is geoordeeld dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. Daarbij is ook van belang hoe WI 2024/6 in individuele asielbesluiten haar weerslag vindt. De rechtbank zal dus in deze afzonderlijke asielzaak van eiser, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden, toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en of voldoende is gemotiveerd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig is. Voor zover eiser in beroep heeft aangevoerd dat toepassing van WI 2024/6 per definitie in strijd is met Unierecht, volgt de rechtbank eiser daarin dus niet.
Over de e-mail van 6 december 2022
7. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de minister in het bestreden besluit als één van de relevante aspecten bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft mogen betrekken dat eiser in een e-mail van 6 december 2022 gericht aan de IND heeft gezegd “I am bisexual”. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 20 oktober 2020 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2020:2459). Daaruit blijkt dat de enkele omstandigheid dat verklaringen door de vreemdeling zijn afgelegd voorafgaand aan of tijdens de rust- en voorbereidingstijd, niet maakt dat deze informatie niet mag worden betrokken. Relevant is of de vreemdeling de verklaring uit eigen beweging naar voren heeft gebracht. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat daarvan geen sprake is, omdat eiser de e-mail zou hebben gestuurd in reactie op een brief van de minister gericht aan zogenoemde ‘derdelanders uit Oekraïne’, waarin is gevraagd om het asielmotief kort aan te geven. Uit de dossierstukken blijkt namelijk dat de minister een dergelijke brief weliswaar aan eiser heeft verstuurd, maar deze brief dateert van 27 mei 2023. Uit de e-mail van eiser, die van daarvoor dateert, blijkt dat hij in zijn e-mail reageert op de brief van de minister van 24 november 2022, waarin wordt aangekondigd dat de tijdelijke bescherming eindigt op 4 maart 2023. In laatstgenoemde brief is eiser niet gevraagd naar zijn asielmotief. De beroepsgrond van eiser dat de e-mail van 6 december 2022 in zijn geheel niet bij de beoordeling mag worden betrokken, slaagt dus niet. De minister mag dit als één van de relevante aspecten meewegen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank is de conclusie van de minister onjuist dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn seksuele geaardheid. Eiser heeft in zijn e-mail weliswaar vermeld biseksueel te zijn, maar hij heeft desgevraagd in het nader gehoor een toelichting gegeven die in wezen neerkomt op dat hij niet precies op de hoogte was van de semantiek. Hij veronderstelde dat biseksualiteit inhield dat iemand met mannen en vrouwen omgaat, maar enkel intiem wil zijn met mannen. De minister mocht dat naar het oordeel van de rechtbank wel als ‘bevreemdend’ betrekken bij zijn verdere beoordeling van de geloofwaardigheid, aangezien de minister er terecht op wijst dat eiser ook heeft verklaard dat hij vanaf zijn zestiende via sociale media meer te weten kwam over homoseksualiteit en wat dit inhield. Voor zover eiser heeft willen aanvoeren dat hij een goede verklaring heeft gegeven voor het gebruik van het woord ‘biseksueel’ in de e-mail en dat de minister dit in het geheel niet in zijn nadeel mag betrekken in de geloofwaardigheidsbeoordeling, slaagt deze beroepsgrond dus niet.
Over het aanvullend horen
8. De rechtbank is van oordeel dat uit het verslag van het nader gehoor niet blijkt dat dat er onvoldoende vragen zijn gesteld aan eiser. Uit het verslag blijkt dat de hoormedewerker open vragen aan eiser heeft gesteld en heeft doorgevraagd op relevante thema’s. Eiser heeft niet geconcretiseerd op welke punten hij aanvullend gehoord had willen worden. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 26 april 2024 (NL24.13185) kan eiser niet helpen omdat de rechtbank in die specifieke zaak heeft geoordeeld dat de minister op bepaalde punten onvoldoende heeft doorgevraagd. Dit zegt op zichzelf niets over de vraag of de hoormedewerker ten aanzien van eiser (on)voldoende heeft doorgevraagd. Eiser heeft ook niet toegelicht waarom zijn zaak vergelijkbaar is met de zaak waarnaar hij heeft verwezen. De beroepsgrond van eiser dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd, slaagt daarom niet.
Over het referentiekader
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Op pagina 2 van het bestreden besluit heeft de minister opgenomen dat eiser de middelbare school heeft gevolgd, dat hij werkte in de logistiek, dat hij in Nigeria geweld, verwaarlozing en sociale uitsluiting heeft ervaren en dat dit geleid heeft tot traumatische ervaringen en een suïcidepoging. De minister heeft verder in het bestreden besluit opgenomen dat eiser PTSS heeft en dat hij hiervoor EMDR-behandeling ondergaat. Vervolgens heeft de minister het standpunt ingenomen dat op grond van WI 2019/17 van eiser wordt verwacht dat hij in staat is om persoonlijk te kunnen verklaren over zijn seksuele geaardheid. De minister verwacht dat eiser voldoende persoonlijk kan verklaren over de bewustwording omtrent zijn seksuele geaardheid, over zijn relaties en over de reden van vertrek uit Nigeria. De minister heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank slechts een opsomming gegeven van de individuele omstandigheden van eiser, maar niet kenbaar gemotiveerd op welke wijze bij de geloofwaardigheidsbeoordeling rekening is gehouden met deze omstandigheden. Dit is naar het oordeel van de rechtbank temeer van belang omdat wordt tegengeworpen dat eiser weinig inzichtelijk en onvoldoende gedetailleerd heeft verklaard, terwijl de omstandigheid dat eiser PTSS heeft en daarvoor EMDR-behandeling ondergaat daar een verklaring voor zou kunnen bieden. Dat eiser dezebehandeling ondergaat vanwege PTSS blijkt uit de brief van de psycholoog van eiser van 2 juni 2025. Een aanwijzing dat mogelijk sprake was van traumata bij eiser had de minister ook al vóór het voornemen, nu in het medisch advies (MedtAdvies) van 12 maart 2025 (weliswaar in de context van het horen van eiser) is vermeld dat eiser moeite heeft om zich langdurig te concentreren, vooral door traumata die hij heeft meegemaakt in Nigeria. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond van eiser dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt hoe de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling rekening heeft gehouden met zijn referentiekader.
Over de zienswijze
10. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de tegenwerpingen van de minister uit het voornemen in de zienswijze gemotiveerd heeft betwist. Op pagina 5 tot en met 11 van de zienswijze heeft eiser uitvoerig aangevoerd waarom de verklaringen over onder meer de ontdekking en bewustwording van zijn geaardheid, over de relatie met [A] , het verbreken van het contact met [A] en over de mishandelingen niet summier en/of ongerijmd zijn. Uit pagina 4 van het bestreden besluit blijkt dat de minister in reactie hierop het standpunt heeft ingenomen dat op deze punten wel voldoende is doorgevraagd en vervolgens het standpunt heeft ingenomen dat de gegeven informatie in de zienswijze niet tot een ander oordeel leidt. Daarmee heeft de minister de argumenten van eiser uit de zienswijze naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte alleen betrokken in het kader van de vraag of er voldoende is doorgevraagd. De minister heeft ten onrechte nagelaten om te motiveren waarom de motivering zoals vermeld in het voornemen wel of geen stand kon houden. De beroepsgrond van eiser dat het bestreden besluit daarom een motiveringsgebrek bevat, slaagt.
Over het medische rapport uit Nigeria
11. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister, zoals in het verweerschrift ook is erkend, ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij geen medisch rapport heeft ingediend van de medische behandeling die hij in Nigeria naar aanleiding van het tweede incident heeft ondergaan en dat hij geen goede reden heeft gegeven voor het ontbreken van dit document. Uit de dossierstukken blijkt namelijk dat eiser een kopie van dit medische rapport heeft ingediend op 16 juni 2025, dus twee dagen vóórdat het bestreden besluit is genomen. Het betreft een medisch rapport gedateerd 14 juni 2025 afkomstig van het Uwani Medical Centre. De beroepsgrond van eiser dat de minister de kopie van dit medische rapport ten onrechte niet heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, slaagt. Tijdens de zitting heeft de minister het standpunt ingenomen dat er geen positieve bewijskracht uitgaat van de kopie van het document omdat uit het Algemeen Ambtsbericht over Nigeria blijkt dat er veel documentfraude voorkomt en dat documenten in zijn algemeenheid heel makkelijk te verkrijgen zijn in Nigeria. De rechtbank volgt de minister hierin niet. Als de minister een gemotiveerd standpunt wil innemen over de authenticiteit van het document, dan kan hij de kopie van het medisch rapport laten onderzoeken door Bureau Documenten. Blijkens de Vakbijlage van Bureau Documenten van mei 2025 kan Bureau Documenten ten aanzien van kopieën soms een oordeel geven op basis van technische en of tactische elementen. Tijdens de zitting heeft de minister verder het standpunt ingenomen dat er ook geen positieve bewijskracht uitgaat van de kopie van het medisch rapport omdat eiser de mishandeling plaatst in de context van zijn geaardheid, maar de minister veel argumenten heeft om die geaardheid ongeloofwaardig te achten. De rechtbank volgt de minister hierin evenmin. Ten aanzien van deze argumenten heeft de rechtbank immers in rechtsoverweging 9 en 10 geoordeeld dat de motivering van de minister in het bestreden besluit gebrekkig is.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister zal een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 juni 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 oktober 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.