RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30007
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz),
en
de Minister van Asiel en Migratie1, de minister
(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt.2
2. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 9 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiseres heeft hiertegen beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening3 op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, referent, K. Blom als tolk en de gemachtigde van de minister. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
5. Bij brief van 23 september 2025 heeft de minister de rechtbank ervan in kennis gesteld dat eiseres Nederland zelfstandig heeft verlaten en daarbij verzocht om (voortbestaan van) het procesbelang van eiseres te beoordelen. Bij bericht van 2 oktober 2025 heeft de gemachtigde van eiseres gereageerd op de brief van de minister. Bij bericht van 10 oktober 2025 aan partijen heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen gevraagd of zij een nieuwe zitting wensen. De gemachtigde van eiseres heeft bij bericht van 30 oktober 2025 de rechtbank verzocht om uitspraak te doen zonder een nieuwe zitting te houden. Van de zijde van de minister is geen reactie ontvangen. De rechtbank heeft heden, voor het doen van de uitspraak, het onderzoek gesloten.
____________
1. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2 Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3 Zaaknummer NL25.8648.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Vrijstelling griffierecht
6. Eiseres heeft om vrijstelling verzocht van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat zij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eiseres wordt in deze procedure daarom vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
7. Eiseres is geboren op [1955] en heeft de Amerikaanse nationaliteit. Eiseres heeft op 18 januari 2023 een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend in verband met verblijf bij haar schoonzoon, [referent] (referent). Referent heeft de Franse nationaliteit.
Het bestreden besluit
8. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat eiseres ten laste komt van referent.4 Eiseres heeft met de door haar overgelegde stukken wel aangetoond dat de materiële ondersteuning van referent reëel is, maar niet dat deze voor haar ook noodzakelijk en van levensbelang is geweest. Hierbij betrekt de minister ook dat eiseres een pensioenuitkering en inkomen uit betaald werk niet heeft gemeld (in de aanvraagfase). Dit wordt eiseres zwaar aangerekend omdat deze informatie van wezenlijk belang is voor de beoordeling van haar economische en sociale situatie in de Verenigde Staten (VS). Ook is niet aangetoond dat eiseres voedselbonnen ontvangt (mede) omdat haar uitkering niet toereikend is. Eiseres heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk met referent heeft samengewoond. De minister leidt uit de overgelegde stukken af dat er geen sprake is geweest van samenwoning omdat het (woon)adres van eiseres in de staat Georgia is gelegen en het (woon)adres van referent in de staat Washington. Ook uit de overige overgelegde stukken, onder meer over de (betaling van de) zorgverzekering, schulden en levensverzekering blijkt volgens de minister niet dat de financiële ondersteuning door referent noodzakelijk of van levensbelang is geweest.
Voorts wijst de minister erop dat uit stukken die de dochter van eiseres in de bezwaarprocedure heeft overgelegd, volgt dat eiseres Nederland heeft verlaten en naar de VS is teruggekeerd en waarbij onbekend is of en wanneer eiseres naar Nederland zal terugkeren. Omdat er sprake is van een aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER geldt dat het verblijfsrecht van een gemeenschapsonderdaan ontstaat en vervalt van rechtswege. De afgifte van een verblijfsdocument aan een gemeenschapsonderdaan heeft alleen een declaratoire werking, dat wil zeggen dat een verblijfsdocument EU/EER een bevestiging is van een, eventueel al eerder, van rechtswege in Nederland verkregen verblijfsrecht. Dit EU verblijfsrecht bestaat echter alleen wanneer de betrokkene zich in Nederland bevindt, met uitzondering van het recht om tijdelijk afwezig te zijn. De minister stelt in het bestreden besluit vast dat eiseres niet in Nederland is en ook nooit op grond van het Unierecht in Nederland heeft verbleven. Ook hierom kan het gevraagde verblijfsdocument EU/EER niet worden afgegeven.
_____________
4 Artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
De minister overweegt verder dat niet is aangetoond, noch gebleken is, dat er sprake is van een meer dan normale afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Daarom is geen sprake van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM.5 De belangenafweging in dit kader valt in het nadeel van eiseres uit en ook het privéleven van eiseres leidt er niet toe dat op grond van artikel 8 EVRM een verplichting volgt om eiseres verblijf in Nederland toe te staan.
Procesbelang
9. Eiseres was aanwezig bij de behandeling van de zaak op de zitting op 3 juli 2025. Na afloop van de zitting heeft de minister bij bericht van 23 september 2025 de rechtbank op de hoogte gesteld van het feit dat eiseres Nederland heeft verlaten en teruggekeerd is naar de VS. De gemachtigde van eiseres heeft erkend dat eiseres teruggekeerd is naar de VS. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiseres procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep.
De bestuursrechter hoeft een bij hem ingediend beroep alleen inhoudelijk te beoordelen, als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen heeft met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden, de indiener moet een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.6
De minister heeft erop kunnen wijzen dat het verblijfsrecht van een gemeenschapsonderdaan van rechtswege ontstaat en vervalt en dat daarmee de afgifte van een verblijfsdocument aan een gemeenschapsonderdaan louter declaratoire werking heeft. Het verblijfsdocument EU/EER is een bevestiging van een, eventueel al eerder, van rechtswege in Nederland verkregen verblijfsrecht. Dit EU verblijfsrecht bestaat alleen wanneer de aanvrager zich in Nederland7 bevindt, met uitzondering van het recht om tijdelijk afwezig8 te zijn. De gemachtigde van eiseres heeft bij bericht van 2 oktober 2025 erkend dat eiseres teruggekeerd is naar de VS. Zij heeft als reden hiervoor aangevoerd het lange wachten op de uitspraak en de onzekerheid hierover. Zij heeft verzocht ondanks de gewijzigde omstandigheden procesbelang aan te nemen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Aangezien niet in geschil is dat eiseres zich niet in Nederland bevindt, terwijl niet gesteld of gebleken is dat dit tijdelijk is, kan er geen sprake zijn van het EU verblijfsrecht. Dit betekent dat het doel dat eiseres met het beroep wil bereiken, namelijk de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, niet kan worden bereikt. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.
____________________
5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, 4 november 1950.
6 Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2927.
7 Artikel 8.13 lid 2 Vb en Werkinstructie (WI) 2023/3, paragraaf 2.4 (pagina 22).
8 Artikel 8.15 Vb.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan inhoudelijke beoordeling van het beroep. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 november 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Vreemdelingenbesluit 2000
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3.2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7.2
1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
2. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 9
1. Onze Minister verschaft aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met d, f tot en met h en j tot en met m, en aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, sub 2°, 4° en 6°, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.
Artikel 8.7
2. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft:
(…)
d. de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn die ten laste is van de vreemdeling of van het gezinslid, bedoeld onder a of b.
Artikel 8.13
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, meldt zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in artikel 8.11, tweede lid, bedoelde periode aan bij Onze Minister, in geval hij beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven, en dient daarbij een aanvraag in tot afgifte van een verblijfsdocument.
Artikel 8.15
1. Het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, eindigt niet door afwezigheid uit Nederland:
a. van ten hoogste zes maanden per jaar;
b. om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf maanden.
c. voor de vervulling van militaire verplichtingen;
d. wegens uitzending voor het verrichten van werkzaamheden.
2. Onverminderd het vijfde lid eindigt het rechtmatig verblijf evenmin door het overlijden van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, bij wie hij in Nederland verbleef:
b. voor voltooiing van de studie, indien hij in Nederland verbleef als het kind van die vreemdeling en voor studie is ingeschreven bij een onderwijsinstelling, dan wel indien hij de verzorgende ouder is van een zodanig kind.
3. Het tweede lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing bij het vertrek van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, bij wie de vreemdeling in Nederland verbleef.
(…)
5. In afwijking van het tweede lid, onder a, en het vierde lid, blijft het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit van een staat bezit als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, onderworpen aan de voorwaarde dat hij voor zichzelf en zijn familieleden over voldoende middelen van bestaan beschikt om te voorkomen dat zij ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel, tenzij hij het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 8.17 heeft verkregen, of is aangetoond dat hij:
a. werknemer of zelfstandige is;
b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf in Nederland ten laste komen van de algemene middelen, en beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt; of
c. gezinslid is van het reeds in Nederland gevormde gezin van een persoon die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld onder a of b.
6. Voor de toepassing van het vijfde lid, onder b, beschikt de vreemdeling met een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat in artikel 3.74 voor de desbetreffende categorie is vastgesteld, in ieder geval over voldoende middelen van bestaan.