RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63223
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 3 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 24 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 30 december 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de te zijn geboren op [datum] 2003 en de Tanzaniaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 15 december 2025.
4. Eiser voert aan dat hij ten onrechte in bewaring is gehouden op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw, omdat zijn asielaanvraag al op 14 december 2025 is afgewezen.
5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Na de bekendmaking van het besluit op eisers asielaanvraag op 14 december 2025, had eiser een week de tijd om hiertegen een rechtsmiddel aan te wenden. Deze termijn eindigde op zondag 21 december 2025. Gelet op artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet werd deze periode verlengd met een dag. Eiser had dus tot en met maandag 22 december 2025 de mogelijkheid om beroep in te stellen. Verweerder heeft vervolgens op 24 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven en diezelfde dag een nieuwe maatregel van bewaring opgelegd, op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat de grondslagwijziging tijdig, namelijk binnen twee dagen, heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt dus niet.
6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan het opheffen daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 31 december 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.