ECLI:NL:RBDHA:2025:25658

ECLI:NL:RBDHA:2025:25658, Rechtbank Den Haag, 02-12-2025, C/09/673768 / FA RK 24-7257

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 12-01-2026
Zaaknummer C/09/673768 / FA RK 24-7257
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Scheiding. voorlopige zorgregeling vastgesteld. ouders naar een mediator. Vrouw geen draagkracht om bij te dragen in de kinderalimentatie, omdat zij momenteel geen verblijfsstatus heeft en dus niet kan werken.

Uitspraak

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 14 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. Erik te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.M.C. Wittens te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 29 oktober 2025 is door de man een brief ingediend middels een F9-formulier en op 3 november 2025 heeft de vrouw aanvullende bijlagen ingediend middels een F9-formulier. Zoals reeds op de zitting met partijen besproken, zal de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laten, nu zij kennisname daarvan – gelet op de te late indiening en de omvang – in strijd acht met de goede procesorde.

De minderjarige [minderjarige] heeft een gesprek gehad met de kinderrechter op 23 oktober 2025.

Op 4 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Feiten

- [minderjarige] ([minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats], Colombia.

Verzoek en verweer

De man verzoekt – voor zover wettelijk toegestaan uitvoerbaar bij voorraad – :

kosten rechtens.

De vrouw refereert zich ten aanzien van het verzoek om de echtscheiding uit te spreken.

De vrouw voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt de vrouw zelfstandig om – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:

- een opbouwende zorgregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vrouw, inhoudende dat:

- vanaf 1 mei 2026: [minderjarige] de ene week bij de man verblijft en de andere week bij de vrouw, waarbij het schema zoals dat terzake de verdeling van de basisregeling, vakanties, feestdagen en bijzondere dagen zoals dat bij het concept ouderschapsplan is overgelegd, van toepassing is;

- primair, indien de voornoemde opbouwende zorgregeling wordt vastgesteld: de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man vast te stellen;

subsidair, indien de voornoemde regeling niet wordt vastgesteld: de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw vast te stellen;

- te bepalen dat de vrouw met ingang van de door de rechtbank te wijzen beschikking zal bijdragen in de koste van verzorging en opvoeding van [minderjarige]:

telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen,

kosten rechtens.

De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Ouderschapsplan, ontvankelijkheid

De rechtbank beschouwt het verzoek van de vrouw over het opnemen van het ouderschapsplan als ingetrokken, omdat het partijen niet gelukt is om samen een ouderschapsplan op te stellen.

Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen (artikel 815 lid 2 Rv). Partijen hebben dat niet gedaan.

De rechtbank zal in dit geval voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv, omdat partijen voldoende hebben gemotiveerd dat het de ouders niet is gelukt om in onderling overleg tot een ouderschapsplan te komen.

Nu aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen hebben beiden gesteld dat huwelijk duurzaam is ontwricht. De over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding kunnen daarom als op de wet gegrond worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op deze verzoeken.

Inhoudelijke beoordeling

De voorlopige opbouwregeling zoals die is vastgesteld bij beschikking van 29 november 2024 van deze rechtbank is niet uitgevoerd. De huidige situatie is zo dat [minderjarige] en de vrouw in onderling overleg afspraken maken over wanneer zij elkaar zien. Niet in geschil is dat beide ouders willen dat er goed contact is tussen [minderjarige] en de vrouw. De man wil de contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige] niet laten vastleggen, maar [minderjarige] zelf laten bepalen wanneer zij naar de vrouw toe gaat. Dit om te voorkomen dat er een regeling wordt bepaald, die feitelijk niet uitgevoerd zal worden. De vrouw vindt juist dat er wel een zorgregeling met vaste afspraken moet komen, aangezien [minderjarige] nog maar een kind is en zij behoefte heeft aan structuur en sturing.

De ouders zijn het er op de zitting over eens geworden dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopig bij de man wordt bepaald. Ook hebben zij overeenstemming bereikt over een voorlopige zorgregeling met de vrouw. Zij zijn – conform het eerste tijdvak van het verzoek van de vrouw – overeengekomen dat [minderjarige] voorlopig minstens één middag na schooltijd bij de vrouw thuis komt, waarbij [minderjarige] en de vrouw in onderling afspreken wanneer dit zal zijn. In deze periode kan [minderjarige] het nieuwe huis van de vrouw en haar nieuwe partner beter leren kennen.

Op de zitting is gebleken dat de problemen van de ouders niet zozeer te maken hebben met het ouderschap zelf, maar meer met de spanningen rondom hun ex-partnerschap, hun financiële situatie en de onzekerheid rondom hun verblijfsstatus. Deze factoren lijken er voor te zorgen dat de ouders geen afspraken kunnen maken over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. Op de zitting is daarom de mogelijkheid van mediation besproken. De beide ouders hebben zich op de zitting bereid verklaard om in de komende periode een mediationtraject aan te gaan, onder andere om verdere afspraken te maken over de hoofdverblijfplaats en (uitbreiding van) de zorgregeling. De rechtbank zal hen daarom verwijzen naar een mediator.

In afwachting van de mediation zal de rechtbank de beslissing over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling pro forma aanhouden tot 1 maart 2026 pro forma. De rechtbank verzoekt de ouders in ieder geval vóór die datum aan de rechtbank te melden of de mediation tot overeenstemming heeft geleid of niet, en daarbij aan te geven of de zaak op de stukken kan worden afgedaan of dat zij een nadere mondelinge behandeling wensen. De rechtbank zal daarover dan vervolgens een beslissing nemen.

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat [minderjarige] in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot kinderalimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Vast staat dat de vrouw momenteel geen (geldige) verblijfsvergunning heeft. Sinds januari 2025 is haar voormalige dienstbetrekking beëindigd, wat heeft geleid tot intrekking van haar verblijfsvergunning als kennismigrant. De vrouw heeft tegen de beslissing tot intrekking van haar verblijfsvergunning bezwaar aangetekend. Daarnaast heeft zij twee aanvragen ingediend voor een alternatieve verblijfsvergunning, één op basis van de relatie met haar nieuwe partner en één op basis van de relatie met [minderjarige]. Deze aanvragen zijn momenteel nog in behandeling. Tussen partijen in geschil is of er aan de zijde van de vrouw rekening moet worden gehouden met verdiencapaciteit.

Gebleken is dat de vrouw heeft op dit moment (nog) geen verblijfsvergunning heeft, waardoor het voor haar niet mogelijk is om te werken en daarmee geen mogelijkheden heeft om inkomsten te verwerven. Dit betekent dat de vrouw nu geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Indien en zodra zij wel een verblijfsvergunning heeft, kan van haar verwacht worden dat zij loonvormende arbeid gaat verrichten, zoals zij in het verleden ook heeft gedaan. Tot die tijd heeft zij echter geen draagkracht. De rechtbank zal daarom voorlopig geen kinderalimentatie vaststellen en iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie aanhouden. Daarbij wijst de rechtbank de vrouw erop dat, mocht er vóór de nadere behandeling van de zaak een relevante wijziging optreden in haar verblijfsstatus, zij de man hiervan op de hoogte moet stellen. Vanaf het moment van die wijziging zal haar betalingsverplichting voor [minderjarige] ingaan.

Huurrecht echtelijke woning

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter heeft grond van artikel 4, lid 3, aanhef en sub a Rv rechtsmacht om te oordelen over het verzoek. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen zijn het erover eens dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de man wordt toegekend. De rechtbank zal aldus beslissen.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2009 te [plaats 1], Colombia;

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats], Colombia, voorlopig haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;

*

stelt een voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige] en de vrouw vast, inhoudende dat [minderjarige] wekelijks minstens één middag na schooltijd bij de vrouw zal zijn, waarbij [minderjarige] en de vrouw onderling afspreken wanneer dit zal zijn;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2];

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

verwijst partijen naar de voor hen bekende mediator om te trachten hun geschil door middel van mediation tot een oplossing te brengen;

*

houdt iedere verdere beslissing aan tot 1 maart 2026, in afwachting van de resultaten van de mediation;

uiterlijk op voornoemde pro forma datum dienen partijen zich schriftelijk uit te laten over het resultaat van de mediation en de gewenste voortgang van de procedure;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de kinderalimentatie en de proceskosten aan tot 1 maart 2026 pro forma.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.C. Olland

Griffier

  • mr. S.A.L. Niemantsverdriet

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?