Ontkenning vaderschap
Beschikking op het op 17 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. Arslan in Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats 1] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M.E.M. Beijersbergen, advocaat in Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot gegrondverklaring van de ontkenning door de man van het vaderschap van [minderjarige] .
De bijzondere curator verzoekt namens [minderjarige] eveneens de ontkenning van het vaderschap van de man ten aanzien van [minderjarige] .
Feiten
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de vrouw en de minderjarige in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 aanhef sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht.
Op grond van artikel 10:93 lid 1 juncto artikel 10:92 lid 1 en 2 BW wordt de vraag of en onder welke voorwaarden het vaderschap van een man kan worden ontkend in beginsel bepaald door het recht dat van toepassing is op het ontstaan van de familierechtelijke betrekking, te weten het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vader en de moeder ten tijde van de geboorte van het kind, of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats ten tijde van de geboorte van het kind, of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
Uit de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid of partijen ten tijde van de geboorte van [minderjarige] een gemeenschappelijke nationaliteit hadden. Daarom wordt gekeken naar de gemeenschappelijke gewone verblijfplaats. Uit het uittreksel van de basisregistratie personen (BRP) volgt dat zowel de vrouw als de man de gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Op basis hiervan is Nederlands recht van toepassing op het verzoek tot ontkenning van het vaderschap.
Vaderschap
Omdat de man ten tijde van de geboorte van [minderjarige] met de vrouw was gehuwd, is hij op grond van artikel 1:199 onder a BW de juridische vader van [minderjarige] .
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:200 lid 5 BW moet de vrouw het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning bij de rechtbank hebben ingediend binnen een jaar na de geboorte van het kind. Nu [minderjarige] is geboren op 4 september 2017 en de vrouw het verzoek heeft ingediend op 17 juli 2025 is deze termijn overschreden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek.
De rechtbank is van oordeel dat de bijzondere curator namens [minderjarige] op grond van artikel 1:200 lid 6 BW wel ontvankelijk is in haar verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de man over [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:200 lid 1 BW kan het vaderschap worden ontkend op grond dat de juridische vader niet de biologische vader van het kind is.
De moeder voert aan dat zij twijfels heeft gehad over het vaderschap van de man omdat zij tijdens haar huwelijk ook een relatie had met de heer [naam] . Op 7 juli 2025 heeft zij daarom bij [bedrijf] een vaderschapstest laten afnemen om vast te stellen wie de biologische vader is van [minderjarige] . Hieruit is gebleken dat de man niet de biologische vader is van [minderjarige] , en dat zijn vaderschap ontkend moet worden.
De man heeft geen verweer gevoerd. De vrouw heeft een instemmingsverklaring van de man overgelegd en de man heeft in het gesprek met de bijzondere curator ook laten weten dat hij met het verzoek tot ontkenning instemt, zo volgt uit het verslag van de bijzondere curator.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de man niet de biologische vader is van [minderjarige] . Uit het door de moeder ingediende DNA-vaderschapsonderzoek is praktisch bewezen (99,999%) dat de heer [naam] de biologische vader is van [minderjarige] . Onder deze omstandigheden en omdat ook niet is gebleken dat het verzoek onrechtmatig of ongegrond is, zal de rechtbank het verzoek van de bijzondere curator tot gegrondverklaring van de ontkenning van het ouderschap van de man over [minderjarige] toewijzen.
Ontslag bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat de vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beƫindigd.
Beslissing
De rechtbank:
*
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap;
*
verklaart gegrond het verzoek van de bijzondere curator tot ontkenning van het vaderschap van:
- [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1981 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland 1] );
over de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats 1] ;
uit:
- [de vrouw] , geboren op [geboortedatum 3] 1982 in [geboorteplaats 3] ( [geboorteland 2] );
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator als beƫindigd;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 2 december 2025.