Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 14 oktober 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Shahabazi in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.R. Arema in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat, de vader bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Verzoek en verweer
Het verzoek van de moeder strekt ertoe dat:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek gaat doen naar de mogelijkheden, onmogelijkheden en draagkracht voor een zorg- en contactregeling.
Beoordeling
Voorlopige zorgregeling
De moeder heeft verzocht om een voorlopige zorgregeling vast te stellen. Ze heeft [minderjarige] al langere tijd niet gezien, als gevolg van de opname in een GGZ-instelling, en wil graag het contact herstellen. De moeder geeft aan dat het misschien helpend kan zijn als zij zelf uitleg kan geven over haar ziekte aan [minderjarige].
Op de zitting hebben de ouders afspraken gemaakt over hoe het nu verder moet. Beide ouders onderschrijven het belang van contact tussen de moeder en [minderjarige], en dat daarbij de draagkracht en het tempo van [minderjarige] leidend moet zijn. Om deze reden hebben de ouders afgesproken dat de regie van het contactherstel bij het Kernteam [plaats 2] wordt gelegd. Daarnaast zal de moeder meer betrokken worden bij de hulpverlening van [minderjarige] die zij krijgt via het Kernteam. De moeder heeft toestemming geven zodat het Kernteam [plaats 2] contact mag opnemen met haar GGZ-behandelaren om onderling tot een plan van aanpak te komen. Nadat deze afspraken zijn gemaakt heeft de moeder haar verzoeken ingetrokken. De rechtbank zal daarom vaststellen dat er niets meer te beslissen valt.
Raadsonderzoek
Namens de vader is verzocht een raadsonderzoek te gelasten ten behoeve van de beslissingen die in de echtscheidingsprocedure genomen zullen moeten worden. Met de ouders is besproken dat de rechtbank – samen met de Raad – op dit moment een raadsonderzoek niet aangewezen vindt, omdat er de komende tijd nog veel gaat veranderen. Daarnaast heeft de rechtbank de verwachting dat de ouders door de betrokkenheid van de hulpverlening in staat zullen zijn samen afspraken te maken over het contact met [minderjarige], zeker nu beide ouders duidelijk haar belang voorop zetten.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat er niets meer te beslissen valt ten aanzien van het verzoek van de moeder en wijst af het verzoek van de vader..