[eiser] , uit [woonplaats] , Suriname, eiser
(gemachtigde: H.L.M. Lichteveld),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: I.S. IJserinkhuijsen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing om zijn paspoortaanvraag niet in behandeling te nemen.
Verweerder heeft de paspoortaanvraag met het besluit van 21 september 2021 niet in behandeling genomen (“het primaire besluit”). Bij besluit van 16 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn beslissing gebleven (“het bestreden besluit”).
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en verweerder deelgenomen. Ook waren zijn vader en halfzuster aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is op [geboortedatum] 1984 geboren in Suriname. Zijn Surinaamse moeder was ongehuwd. Bij zijn geboorte verkreeg hij daardoor de Surinaamse nationaliteit.
Op 4 december 1995 is eiser erkend door zijn vader. Omdat zijn vader de Nederlandse nationaliteit bezat, verkreeg ook eiser door die erkenning het Nederlanderschap. Daardoor werd hij volgens de Surinaamse wet geacht de Surinaamse nationaliteit nooit te hebben verkregen.
3. Tussen 1996 en 1998 heeft eiser bij zijn vader gewoond in Amsterdam. Hij stond in die periode ingeschreven in de Registratie Niet Ingezetenen (RNI). Aan eiser is op 8 juli 1996 voor het laatst een Nederlands paspoort verstrekt, geldig tot 8 juli 2001.
Op 11 augustus 1998 is eiser uitgeschreven uit de RNI wegens zijn terugkeer naar Suriname.
4. Op [dag] 2002 is eiser meerderjarig geworden.
Eiser heeft op 25 augustus 2010 en 31 januari 2020 paspoortaanvragen ingediend. Die zijn niet in behandeling genomen. Omdat eiser in Suriname is geboren en daar woonde op het moment waarop hij meerderjarig werd, heeft hij volgens verweerder de Surinaamse nationaliteit verkregen. Omdat dit een vrijwillige verkrijging zou zijn geweest, zou eiser de Nederlandse nationaliteit hebben verloren op grond van artikel 15, eerste lid onder a van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Op 9 september 2021 heeft eiser opnieuw een paspoortaanvraag ingediend, waarbij nadere bewijsstukken zijn overgelegd. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gelaten na een vereenvoudigde inhoudelijke beoordeling, omdat hij de aanvraag heeft aangemerkt als een herhaalde aanvraag en van nieuwe feiten niet zou zijn gebleken.
In de bezwaarfase heeft verweerder een Unierechtelijke evenredigheidstoets laten uitvoeren door de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Vervolgens heeft verweerder de aanvraag bij het bestreden besluit alsnog volledig inhoudelijk beoordeeld. Dit heeft verweerder niet tot een ander oordeel gebracht.
Wat voert eiser aan in beroep?
5. Eiser betoogt allereerst dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat hij in 2002 van rechtswege de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen. Volgens hem is niet voldaan aan de in artikel 5 Wet op de Nationaliteit en het Ingezetenschap (WNI) gestelde vereisten.
Voorts voert eiser aan dat hij het Nederlanderschap niet heeft verloren. Verweerder concludeert namelijk ten onrechte dat de Surinaamse nationaliteit vrijwillig is verkregen; artikel 15, eerste lid onder a RWN is niet van toepassing. Verlies van het Nederlanderschap leidt bovendien tot staatloosheid, in strijd met artikel 15 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en artikel 7, eerste en tweede lid van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
Tot slot betoogt eiser dat het verlies van het Nederlanderschap een onevenredige aantasting van zijn rechten als Unieburger tot gevolg heeft. De Unierechtelijke evenredigheidstoets is bovendien onzorgvuldig uitgevoerd.
6. Verder heeft eiser verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het juridisch kader
7. Binnen de grenzen van de wet heeft iedere Nederlander recht op een nationaal paspoort. Of iemand Nederlander is, moet worden bepaald volgens de regels uit de RWN. Als daarbij de vraag voorligt of het Nederlanderschap verloren is gegaan wegens een in die wet genoemde oorzaak, moet bij de beantwoording daarvan de wettelijke regeling tot uitgangspunt te worden genomen zoals die gold op het moment waarop die oorzaak zich zou hebben voorgedaan.
Op grond van artikel 15, eerste lid onder a RWN, gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige van rechtswege verloren door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit. Vanaf 2003 biedt de wet uitzonderingen op deze regel, maar die waren ten tijde van het meerderjarig worden van eiser nog niet in werking getreden, zodat die bij de beoordeling geen rol kunnen spelen.
Bij nationaliteitsverlies van rechtswege en daarmee gepaard gaand verlies van Unieburgerschap, moeten lidstaten onderzoeken of dat onevenredige gevolgen heeft voor de uitoefening van aan het Unieburgerschap verbonden rechten. Hierbij moeten de nationale autoriteiten nagaan, dat het nationaliteitsverlies verenigbaar is met de door het EU-Handvest gewaarborgde grondrechten.
Heeft eiser in 2002 de Surinaamse nationaliteit verkregen?
8. Voorop moet worden gesteld, dat het niet aan verweerder of aan de Nederlandse bestuursrechter is om te bepalen of eiser de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen, of dat hij die op enig moment heeft verloren. Voor zover eiser betwist dat hij de Surinaamse nationaliteit bezit, is het aan hem om dat met stukken van de Surinaamse autoriteiten aan te tonen. Daarin is eiser niet geslaagd. Uit het dossier blijkt dat de Surinaamse autoriteiten er – in weerwil van eisers herhaalde betwisting hiervan – van uitgaan dat eiser bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Heeft eiser het Nederlanderschap verloren door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit?
9. Verweerder kon naar het oordeel van de rechtbank niet concluderen, dat eiser het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit heeft verloren. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Volgens verweerder heeft eiser de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 15, eerste lid onder a RWN, wegens het vrijwillig verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit. Verweerder legt daaraan een uitleg van het begrip “vrijwillig” ten grondslag, die is ontleend aan beleid; dit beleid is sinds 1 april 2003 opgenomen in de Handleiding RWN en werd ten tijde van het meerderjarig worden van eiser gevolgd op basis van een vaste gedragslijn. Volgens dit beleid heeft de verkrijging van de nationaliteit van een ander land een vrijwillig karakter, als dit van rechtswege is gebeurd en geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die nationaliteit te verwerpen. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen.
De verliesgrond uit artikel 15, eerste lid onder a, is ontleend aan het Verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (“Verdrag van Straatsburg”). Op grond van artikel 1, eerste lid van het Verdrag van Straatsburg, gaat de nationaliteit verloren als door een uitdrukkelijke wilsverklaring een andere nationaliteit wordt verkregen. De constatering dat een juridische mogelijkheid tot verwerping ongebruikt is gelaten, omvat niet de vaststelling van een uitdrukkelijke wilsverklaring. De uitleg van verweerder is dus niet verdragsconform en staat bovendien haaks op de bedoelingen van de wetgever. Bij de totstandkoming van artikel 15, eerste lid onder a RWN, heeft de regering tijdens de parlementaire behandeling aangegeven dat het begrip “vrijwillig” samenvalt met het begrip “uitdrukkelijke wilsverklaring” en dat beide begrippen moeten worden geacht dezelfde strekking te hebben. Ook is aangegeven dat “de verkrijging van een vreemde nationaliteit door de wil van de verkrijger […] het gevolg [moet] zijn van een specifiek op dat doel gerichte wilsdaad van de betrokkene, wil er sprake zijn van vrijwilligheid die vereist is om verlies van het Nederlanderschap te bewerkstelligen.” Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt niet, dat de wetgever een andere definitie voor ogen heeft gestaan.
De door verweerder gevolgde benadering valt evenmin te rijmen met een normale taalkundige uitleg. Zo vergt vrijwilligheid volgens het Van Dale groot woordenboek van de Nederlandse Taal, dat iets “uit eigen beweging” heeft plaatsgevonden. Verweerders uitleg valt dus niet te rijmen met de betekenis van het begrip volgens normaal spraakgebruik.
Het beleid van verweerder is op dit punt dus in strijd met een redelijke, verdragsconforme en met de bedoelingen van de wetgever overeenstemmende wetsuitleg.
Deze beroepsgrond slaagt daarom.
Hoe nu verder?
10. Het voorgaande leidt tot de conclusie, dat verweerder op een onjuiste grondslag heeft aangenomen dat eiser de Surinaamse nationaliteit vrijwillig heeft verkregen. Het beroep is dan ook gegrond.
11. De rechtbank kan niet toekomen aan een finale afdoening van het geschil. Om vast te stellen of eiser recht heeft op een Nederlands paspoort is een nadere beoordeling nodig. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet meer toe.
Schadevergoeding
12. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af en overweegt daartoe als volgt.
Voor zaken die een bezwaarprocedure en een rechterlijke instantie beslaan, is in beginsel een totale behandelduur van hoogstens twee jaar redelijk. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Tot dergelijke omstandigheden worden onder meer gerekend de invloed van de belanghebbende op de duur van de behandeling.
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de omstandigheden van het geval een langere behandelduur dan twee jaar. Verweerder heeft eiser in de bezwaarfase meerdere keren uitstel verleend om te reageren op het advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 22 mei 2023, met als gevolg dat eisers reactie pas op 26 januari 2024 is gegeven. Bovendien is de mondelinge behandeling bij de rechtbank op verzoek van eiser uitgesteld; deze behandeling zou anders op 3 september 2024 hebben plaatsgevonden. Gelet op de aanzienlijke invloed van eiser op de vertraging van de behandeling, concludeert de rechtbank dat de totale behandelduur van 3 jaar en 11 maanden binnen de grenzen van het redelijke blijft.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat eiser van het griffierecht is vrijgesteld hoeft verweerder dat niet te vergoeden. Verweerder moet wel een proceskostenvergoeding betalen voor verleende rechtsbijstand in beroep ten bedrage van € 1.814,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op eisers bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder een proceskostenvergoeding aan eiser betaalt van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.