ECLI:NL:RBDHA:2025:25755

ECLI:NL:RBDHA:2025:25755, Rechtbank Den Haag, 12-12-2025, SGR 24/9645

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-12-2025
Datum publicatie 12-01-2026
Zaaknummer SGR 24/9645
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Ongegrond. Wet BRP en RWN correct toegepast. Geen discriminatoir onderscheid.

Uitspraak

[eiser 1] en [eiser 2] , eisers

(gemachtigde: A. Khottour),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: W. Mangrey).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het buiten behandeling laten van hun aanvragen om inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP).

Bij de primaire besluiten van 11 juli 2024 heeft verweerder de aanvragen van eisers buiten behandeling gelaten. Met de bestreden besluiten van 21 november 2024 op de bezwaren van eisers is verweerder daarbij gebleven.

Eisers zijn bij hetzelfde beroepschrift in beroep gekomen.

Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan namen de gemachtigden van eisers en verweerder deel.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eisers zijn in 1994 en 1997 geboren in Marokko uit een huwelijk tussen [naam 1] (vader) en [naam 2] (moeder). Dit huwelijk is in 1989 tot stand gekomen. [naam 1] verkreeg in 1993 de Nederlandse nationaliteit.

Eerder was [naam 1] in 1953 in Marokko getrouwd met [naam 3] . Dit huwelijk is in 2017 of 2019 beëindigd.

[naam 1] heeft eisers in 2024 erkend als zijn kinderen.

3. Eisers hebben verzocht om inschrijving in de BRP, op het adres van hun vader in de gemeente Leiden.

Volgens verweerder hebben eisers geen rechtmatig verblijf in Nederland. Verweerder heeft de aanvragen daarom afgewezen. Daarbij heeft verweerder onder meer overwogen, dat eisers het Nederlanderschap niet (van rechtswege) kunnen ontlenen aan het tweede huwelijk van hun vader, omdat dit een bigaam huwelijk was.

Wat voeren eiseres aan in beroep?

4. Volgens eisers heeft verweerder de verzochte inschrijvingen ten onrechte geweigerd en zijn besluitvorming onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

Eisers zijn door de erkenning met terugwerkende kracht Nederlander geworden, vanaf hun geboorte; dat de erkenning na hun meerderjarigheid plaatsvond, doet hier geen afbreuk aan. Bovendien hebben eisers voldoende bewijs geleverd om het vaderschap te kunnen vaststellen.

De weigering tot inschrijving vormt daarnaast een inbreuk op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Tussen eisers en hun ouders bestaat een nauwe afhankelijkheidsrelatie en verweerder heeft verzuimd het belang van het gezinsleven te laten meewegen in zijn belangenafweging.

Verder baseert verweerder de weigering op een norm die een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen minderjarige kinderen en meerderjarige kinderen. Daar komt bij, dat verweerder wel bereid is om wijzigingen in de BRP door te voeren wanneer een meerderjarige verzoekt om een erkenning ongedaan te maken, maar weigert om meerderjarige erkende kinderen in te schrijven in de BRP. Dit is strijdig met het gelijkheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 14 van het EVRM.

Uitsluiting van de BRP heeft bovendien onevenredige gevolgen. Eisers krijgen namelijk geen beschikking over een BSN en geen paspoort. Daarmee hebben ze geen toegang tot basisvoorzieningen en werk, terwijl ook hun gezinsleven wordt aangetast.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Het juridisch kader

5. Op grond van artikel 2.4 van de Wet Basisregistratie Personen (Wet BRP) kan degene die nog niet ingeschreven in de BRP daartoe een aanvraag doen. Voor toewijzing daarvan is onder meer vereist, dat de aanvrager een rechtmatig verblijf heeft op een adres in de gemeente waarin hij zich wil laten inschrijven. Van een rechtmatig verblijf is sprake als de aanvrager Nederlander is, dan wel een persoon die op grond van de wet als Nederlander wordt behandeld – tot die groep horen vreemdelingen met de nationaliteit van een EU-lidstaat, vreemdelingen met een verblijfsvergunning en zogenaamde geprivilegieerden die voor een buitenlandse staat of internationale organisatie werken.

Op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag inzake nationaliteit, is het aan Nederland om in zijn wetgeving te bepalen aan wie het Nederlanderschap toekomt. De verkrijging van het Nederlanderschap is geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Een kind kan van rechtswege de Nederlandse nationaliteit krijgen, in de gevallen en onder de voorwaarden zoals genoemd in Hoofdstuk 2 van de RWN. Artikel 2, eerste lid van de RWN stelt als regel dat de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft, tenzij de wet anders bepaalt.

Mocht verweerder de inschrijving weigeren?

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op zorgvuldige wijze en deugdelijke gronden beslist tot weigering van de inschrijving van eisers. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Eisers hebben geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat zij de Nederlandse nationaliteit of de nationaliteit van een andere EU-lidstaat hebben, dan wel als vreemdelingen over een geldige verblijfsstatus beschikken.

Uit artikel 2, eerste lid van de RWN volgt uitdrukkelijk, dat de erkenning door de vader geen terugwerkende kracht heeft en het is ook niet gebleken dat een wettelijke uitzondering op die regel van toepassing is. Erkenning van een kind leidt bovendien alleen tot het Nederlanderschap als dat gebeurt voordat het kind de zevenjarige leeftijd heeft bereikt. De erkenning van eisers vond plaats toen zij al meerderjarig waren. Aan de erkenning hebben eisers dus niet de Nederlandse nationaliteit kunnen ontlenen. De aangeleverde geboorteakten leiden niet tot een ander inzicht, omdat daaruit niet blijkt dat eisers tijdens hun minderjarigheid als kind zijn erkend.

Eisers beroep op artikel 4, eerste lid, van de RWN slaagt niet, omdat die bepaling alleen betrekking heeft op de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Niet is gebleken dat een daartoe strekkend verzoek aan de daarvoor bevoegde rechter is gedaan. Anders dan eisers betogen, heeft verweerder een dergelijke eis niet gesteld; verweerder heeft slechts geconstateerd dat de omstandigheden waaronder het vaderschap is erkend, niet leiden tot het verkrijging van de Nederlandse nationaliteit.

Voor zover eisers hebben willen aanvoeren dat zij van rechtswege Nederlander zijn geworden door hun geboorte uit een huwelijk van hun Nederlandse vader, kunnen zij daar niet in worden gevolgd. Het huwelijk waaruit eisers zijn geboren had een bigaam karakter en kon niet in Nederland als geldig worden erkend; dat het bigame karakter later is verdwenen door ontbinding van het eerdere huwelijk, kan niet met terugwerkende kracht tot verkrijging van het Nederlanderschap leiden. Dit volgt uitdrukkelijk uit een arrest van de Hoge Raad uit 2017; het betoog dat dit geval wezenlijk anders is dan de rechtsvraag die in dat arrest voorlag, is vergeefs – ook in dat arrest ging het onder meer om de vraag of beëindiging van een bigaam huwelijk ertoe kan leiden dat met terugwerkende kracht de Nederlandse nationaliteit kan worden verkregen.

Er zijn geen aanwijzingen dat de weigering van de BRP-inschrijving ingrijpende gevolgen heeft voor het privé- en gezinsleven van eisers. Eisers hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd die kunnen wijzen op een schending van artikel 8 van het EVRM. De Wet BRP biedt verweerder verder niet de mogelijkheid om in gevallen waarin niet is aangetoond dat sprake is van een rechtmatig verblijf, niettemin tot inschrijving in de BRP over te gaan.

De regel dat de aanvrager van een BRP-inschrijving rechtmatig verblijf moet hebben, maakt geen onderscheid naar leeftijd. Het door eisers aangekaarte verschil tussen de inschrijving van minderjarigen en meerderjarigen, is niet het gevolg van een regel, norm of van de toepassing daarvan door verweerder. Dit verschil heeft slechts te maken met het rechtsfeit, dat een erkenning alleen gevolgen heeft voor de nationaliteit als het gaat om een minderjarige die jonger is dan zeven jaar. Bovendien kunnen de erkenning van meerderjarigen en minderjarigen niet als gelijke gevallen worden aangemerkt. Het door eisers aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 17 juli 2014, betreft verder een wezenlijk andere situatie dan de kwestie die hier voorligt. Een schending van artikel 14 van het EVRM is dus niet aan de orde. Evenmin doet zich een schending voor van het door eisers ingeroepen artikel 13 van het EVRM, nu niet is gebleken dat aan eisers een rechtsmiddel is onthouden.

Het voorschrift van artikel 2, eerste lid van de Wet BRP is bovendien in een formele wet neergelegd, zodat afwijking daarvan op grond van het evenredigheidsbeginsel slechts aan de orde kan zijn in zeer uitzonderlijke gevallen, die de wetgever niet heeft voorzien. De situatie van eisers is ongebruikelijk, maar niet uitzonderlijk en is door de wetgever voorzien. Ook blijkt niet dat eisers door het gemis van een BRP-inschrijving zwaar worden getroffen. Dat zij gebruik zouden willen maken van voorzieningen in Nederland en dat nu niet kunnen, maakt niet dat dit gemis buitenproportioneel is. De door eisers ingeroepen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep uit 2017 en de rechtbank Noord-Holland uit 2023, houden verder onvoldoende verband met deze kwestie om voor de beoordeling van betekenis te kunnen zijn.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat verweerders besluiten in stand blijven en dat eisers geen gelijk krijgen. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. van Dokkum

Griffier

  • mr. D.C. van Genderen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?