RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen
Stichting Animal Rights, uit Den Haag, eiseres
Centrale Commissie Dierproeven, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7866
(gemachtigde: mr. P.H. den Boer)
en
(gemachtigden: mr. Q.D.J. Ramroop, [naam 1] en [naam 2]).
Procesverloop
In deze zaak oordeelt de rechtbank over het beroep tegen de verlening van een projectvergunning voor het verrichten van een dieproef op grond van de wet op de dierproeven (Wod).
In de tussenuitspraak van 29 juli 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank een gebrek in de motivering van het bestreden besluit vastgesteld. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Eiseres heeft daarop haar schriftelijke reactie gegeven.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 17 december 2026 gesloten.
Overwegingen
Vooraf
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
Het gebrek
2. In de beoordeling of de dierproef aan de voorwaarden van de Wod voldoet, moet een afweging plaatsvinden tussen enerzijds het onderzoeksbelang en anderzijds het ongerief dat de proefdieren als gevolg van de interventies ondervinden. In die afweging moet zowel het ongerief van de afzonderlijke interventies, als het cumulatief ongerief van het totaal aan interventies worden betrokken.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de motivering in het bestreden besluit gebrekkig is, voor zover het gaat om de afweging van het cumulatief ongerief van het totaal aan interventies. Op dit punt verwijst verweerder naar het advies van de Dierexperimentencommissie (DEC). Dit advies steunt volledig op de toelichting van de vergunninghouder, dat vergelijkbare experimenten niet hebben geleid tot veranderingen die wijzen op een stapeling van een groter dan matig ongerief. Deze onderbouwing heeft de rechtbank als ondeugdelijk beoordeeld. Uit de onderbouwing blijkt namelijk niet dat de opzet en de inhoud van die eerdere onderzoeken voldoende vergelijkbaar en richtinggevend zijn en dat daaruit dus conclusies zijn te trekken over het cumulatief ongerief.
Beoordeling
3. De rechtbank stelt vast, dat de aanvullende motivering niet voldoet om het gebrek te herstellen en overweegt daartoe als volgt.
Onder verwijzing naar de nadere toelichting door de vergunninghouder, voert verweerder in zijn aanvullende motivering aan dat de onderzoeksmethode internationaal gangbaar, robuust en reproduceerbaar is. Uit de nadere toelichting van de vergunninghouder is inderdaad voldoende af te leiden dat sprake is van eerdere experimentele onderzoeken met een vergelijkbare opzet.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter niet inzichtelijk gemaakt op basis waarvan is geconcludeerd dat uit eerder onderzoek door de vergunninghouder is op te maken dat de interventies in dit project, cumulatief beschouwd, een matig ongerief meebrengen. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat in eerdere onderzoeken ook een matig cumulatief ongerief is geconstateerd, maar daarmee heeft hij niet inzichtelijk gemaakt hoe in die eerdere onderzoeken de conclusie over de mate van cumulatief ongerief tot stand is gekomen. Uit de verklaring van de Instantie voor Dierenwelzijn dat eerdere onderzoeken de conclusie van verweerder over het cumulatief ongerief ondersteunen, volgt dit evenmin. Verder benoemt de vergunninghouder een aantal aanwijzingen voor een beperkt ongerief, maar die aanwijzingen zijn volledig ontleend aan het onderzoeksproject dat in deze zaak ter discussie staat. Niet blijkt dat de mate van cumulatief ongerief is terug te voeren op waarnemingen uit eerdere onderzoeken, noch welke onderzoeken dat zou betreffen.
Conclusie
4. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen op het bezwaar, rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak.
5. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift , 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 1). Dit betekent dat een bedrag van € 2.267,50 wordt toegekend.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, voorzitter, in aanwezigheid van mr. M.M. Meijers en mr. A.J. Eertink, leden, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.