Vervangende toestemming erkenning, omgangsregeling, gezag, informatieregeling
Beschikking op het op 11 november 2024 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
sinds 7 augustus 2023 Registratie Niet Ingezetenen (RNI),
advocaat: mr. L.T.C.M. Geurts te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.K. Gopal te Den Haag.
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ,
en
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 1] ,
de minderjarigen,
in rechte vertegenwoordigd door mr. E.G.S.N. Asselbergs,
advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich in de raadkamer ten overstaan van de kinderrechter uitgelaten over het verzoek.
Op 5 november 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe:
o de eerste maand: twee keer per week voor drie uur, in overleg met de moeder af te stemmen;
o de tweede maand: twee keer per week voor zes uur of drie keer per week voor vijf uur, waarvan één dag in het weekend, in overleg met de moeder af te stemmen;
o de derde maand: eenmaal in de week in het weekend acht uur en doordeweeks drie keer vier uur, in overleg met de moeder af te stemmen;
o vanaf de vierde maand: een weekendregeling waarbij de kinderen om het weekend bij de man verblijven vanaf vrijdagmiddag uit school tot zondagavond;
o alsmede vanaf dan gedurende de helft van de schoolvakanties, waarbij de eerste helft van de feestdagen en vakanties de even jaren aan de man toekomen en de oneven jaren aan de moeder;
o alsmede de verjaardagen van de kinderen in de even jaren bij de man en de oneven jaren bij de moeder;
o alsmede Moederdag bij de moeder en Vaderdag bij de vader;
- te bepalen dat de moeder eens per maand schriftelijk (via e-mail of brief) gehouden is om de man te informeren en consulteren over de kinderen, waartoe zij in ieder geval dient te overleggen: een recente foto van hen beiden, waarop hun gezicht goed zichtbaar is en welke foto niet is bewerkt met teksten, en tevens informatie over de vorderingen op school (indien toepasselijk) informatie over de gezondheid en de activiteiten in de vrije tijd (indien toepasselijk), waarbij eenmaal per jaar een verslag van de school over de vorderingen wordt overgelegd (indien toepasselijk).
De moeder voert – onder referte voor de vervangende toestemming erkenning en de informatieregeling – nog verweer tegen het overige, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de erkenning van de kinderen toe te wijzen.
Feiten
o de kinderen voorlopig volgens de volgende regeling bij de man zullen zijn:
elke zondag haalt de man [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] om 13.00 uur op bij de ouders van de moeder. Bij dit overdrachtsmoment vertelt de man aan de ouders van de moeder naar welke locatie hij de kinderen die middag meeneemt c.q. welke activiteit hij met hen gaat ondernemen;
de moeder komt om 15.00 uur naar de door de man genoemde locatie om [de minderjarige 2] op te halen;
de man brengt [de minderjarige 1] om 18.00 uur terug bij de ouders van de moeder;
de moeder en de man zullen voorlopig – via Whatsapp – uitsluitend met elkaar communiceren over feitelijkheden die invloed hebben op de omgangscontacten (bijvoorbeeld: de tram heeft vertraging);
o partijen worden doorverwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling/Parallel Solo Ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige.
De moeder heeft ingestemd met dit verzoek van de man, blijkens de door haar overgelegde instemmingsverklaring. Uit het verslag van de bijzondere curator volgt dat de moeder bereid is om samen met de man naar de gemeente te gaan om de erkenning (zonder gezag) te regelen. Op de zitting is gebleken dat partijen dit nog niet met elkaar geregeld hebben. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] toewijzen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van de kinderen door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Omgangsregeling
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met het kind. Op grond van artikel 1:377a, tweede lid, BW stelt de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Partijen zijn het op de zitting eens geworden over een omgangsregeling tussen de man en de kinderen. Zij hebben afgesproken dat tot 1 januari 2026 de kinderen iedere zondag van 13.00 uur tot 18.00 uur bij de man zijn. Om 13.00 uur brengt de moeder de kinderen naar de man toe en zij haalt hen weer bij de man op om 18.00 uur.
Vanaf 1 januari 2026 hebben partijen afgesproken dat de kinderen iedere dinsdag van 16.30 uur tot 18.30 uur bij de man zijn om bij hem te eten en eenmaal in de twee weken in het weekend, van vrijdag 16.30 uur tot zondag 15.00 uur. Partijen zijn overeengekomen dat vanaf dit moment de moeder de kinderen altijd naar de man brengt en de man de kinderen altijd naar de moeder terugbrengt.
De rechtbank merkt daarbij op dat partijen hiervan kunnen afwijken als zij er in onderling overleg uitkomen op welke manier zij van deze regeling willen afwijken. Indien zij het daar niet over eens zijn of kunnen worden, blijft deze regeling gelden. Het is aan beide ouders om zich aan deze regeling te houden, waarbij beide ouders ook kunnen verwachten dat zonder tegenbericht van de andere ouder ervan uitgegaan moet worden dat de omgangsmomenten doorgaan. Voorafgaande bevestigingen zijn daarvoor dan ook niet nodig.
Ten aanzien van de verdeling van de schoolvakanties zijn partijen niets overeengekomen. De man heeft verzocht om deze bij helfte te verdelen en heeft ook verzocht om een specifieke regeling voor de verjaardagen van de kinderen en Moederdag en Vaderdag. De vrouw heeft ten aanzien van de vakanties aangevoerd dat er een regeling moet komen die zoveel mogelijk aansluit bij de ontwikkeling van de kinderen. De rechtbank acht het nu nog te vroeg voor het vaststellen van een vakantieregeling, nu partijen de reguliere omgang in een opbouwende regeling hebben afgesproken. Partijen dienen zelf in onderling overleg te bezien of en wanneer een vakantieregeling aan de orde is en daar, al dan niet met behulp van Family Supporters, afspraken over te maken, rekening houdend met wat de kinderen aankunnen. Voor wat betreft de verjaardagen en Vaderdag en Moederdag merkt de rechtbank op dat deze alle vier voor het eerst in 2026 zullen vallen. Gezien de (uitgebreidere) omgangsregeling die partijen voor 2026 hebben afgesproken, ziet de rechtbank geen bezwaar in het vaststellen van het verzoek van de man. De rechtbank zal het verzoek betreffende de verjaardagen van de kinderen in die zin aanpassen, dat de kinderen in de even jaren op hun verjaardag bij de moeder zijn en in de oneven jaren bij de man, zodat de moeder in 2026 de kinderen op hun verjaardag bij zich heeft.
Informatieregeling
De man wil betrokken zijn in het leven van de kinderen en wil informatie ontvangen ten aanzien van hun ontwikkeling. Daarom verzoekt hij te bepalen dat de moeder eens per maand schriftelijk de man dient te informeren en consulteren over de kinderen, waarbij zij in ieder geval dient te overleggen: een recente foto van hen beiden, waarop hun gezicht goed zichtbaar is en welke foto niet is bewerkt met teksten. Ook wenst hij informatie over de vorderingen op school, informatie over de gezondheid en de activiteiten in de vrije tijd, waarbij eenmaal per jaar een verslag van de school over de vorderingen wordt overgelegd.
De moeder heeft zich gerefereerd aan dit verzoek van de man. De rechtbank zal een informatieregeling vaststellen conform het verzoek van de man. Het verzoek van de man om hem te consulteren over beslissingen ten aanzien van de kinderen, is een verzoek dat samenhangt met het verzoek tot gezamenlijk gezag. Zolang de man geen gezag heeft over de kinderen, is de moeder niet gehouden hem te consulteren over beslissingen aangaande de kinderen.
Gezag
Uit artikel 1:253c, lid 1 en lid 2 BW volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van een kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van vijf maanden om de erkenning van de kinderen door de man bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 1 mei 2026. De rechtbank overweegt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
De rechtbank heeft op de zitting het gezag wel al met partijen besproken, zodat de rechtbank na de erkenning een beslissing kan nemen. Te dien aanzien overweegt de rechtbank als volgt, waarbij wordt uitgegaan van een erkenning en de man daarom de vader wordt genoemd.
Als algemeen uitgangspunt geldt dat gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige moet worden geacht. Het verzoek van de man om hem samen met de moeder met het gezag te belasten kan – in het geval de moeder zich tegen het verzoek van de vader verzet – volgens artikel 1:253c, lid 2, BW slechts worden afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De man meent dat niet van het wettelijk uitgangspunt afgeweken moet worden. De man wil in alle aspecten betrokken worden bij de opvoeding van de kinderen en zo ook bij het nemen van de belangrijke beslissingen. Partijen hadden voorheen goed onderling contact over de kinderen maar dit is medio 2024 veranderd. De band tussen partijen is toen op scherp komen te staan, maar de man is nog steeds bereid en in staat om over alle zaken aangaande de kinderen met de moeder te communiceren.
Waar de moeder bij haar verweerschrift aanvankelijk instemde met het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag, heeft zij bij bericht van 24 februari 2025 deze toestemming ingetrokken. De man houdt zich volgens haar niet aan de afspraken en de moeder vreest voor problemen in de uitoefening van het gezag. [de minderjarige 2] heeft een taalontwikkelingsstoornis en wordt hiervoor begeleid door Kentalis en [de minderjarige 1] volgt speciaal onderwijs en krijgt speltherapie. De moeder vreest dat de man in de uitoefening van het gezamenlijk gezag zijn toestemming voor deze hulpverleningstrajecten voor de kinderen zal weigeren.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en hetgeen op de zitting besproken volgt dat de onderlinge verhouding tussen partijen gedurende het laatste jaar is verslechterd. Om dit te verbeteren zijn partijen bij beschikking van voorlopige voorziening van 5 februari 2025 doorverwezen naar een traject van ouderschapsbemiddeling/parallel solo ouderschap. Partijen hebben inmiddels drie gesprekken hebben gehad bij Family Supporters en zij zullen het traject van Parallel Solo Ouderschap gaan volgen.
Het uitgangspunt van de wet(gever) is dat de ouders het gezamenlijk gezag over de kinderen uitoefenen. De slechte communicatie tussen de ouders vormt naar het oordeel van de rechtbank daarop geen uitzondering. De man wil een betrokken vaderrol vervullen in het leven van de kinderen. De moeder maakt zich zorgen dat de van de hulpverlening voor de kinderen niet zal voortzetten bij gezamenlijk gezag, maar niet is gebleken dat de man de hulpverlening zal belemmeren. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat partijen bij Family Supporters het gezamenlijk ouderschap op een voor hen werkbare manier gaan vormgeven en dat zij zullen leren hoe zij het gezamenlijk gezag moeten invullen in het belang van de kinderen. Zoals de Raad op de zitting heeft gezegd, is het in het belang van de kinderen dat de man meer betrokkenheid krijgt bij de opvoeding en de verzorging van de kinderen. Daarnaast hebben partijen laten zien dat zij over belangrijke aangelegenheden rondom de kinderen wel degelijk kunnen overleggen. Zo zijn zij gedurende deze procedure tot overeenstemming gekomen over de omgangsregeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag en is voornemens om het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag toe te wijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 3] 1990 te ’ [geboorteplaats 1] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 4] 1986 te [geboorteplaats 2] (Suriname), vervangt, tot erkenning van de minderjarigen:
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat de kinderen bij de man zullen zijn:
*
bepaalt dat de kinderen op Vaderdag bij de man zullen zijn en op Moederdag bij de moeder, en voorts dat de kinderen op hun verjaardag in de oneven jaren bij de man zullen zijn en in de even jaren bij de moeder;
*
bepaalt dat de moeder met ingang van heden de man eenmaal per maand schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen, vorderingen op school, informatie over hun gezondheid en activiteiten in de vrije tijd, en daarbij zal voegen een goed gelijkende recente kleurenfoto van elk van de minderjarigen waarop hun gezicht goed zichtbaar is en welke foto niet is bewerkt met teksten, en eenmaal per jaar informatie een kopie van het laatste schoolrapport met een verslag van de school over de vorderingen wordt overgelegd;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt aangehouden tot 1 mei 2026 pro forma;
*
bepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.