Wet tijdelijk huisverbod
Uitspraak inzake:
[eiser],
eiser,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gemachtigde: mr. Y.W.G. Verschuren te ’s-Gravenhage,
tegen:
de burgemeester van de gemeente [plaats 1]
verweerder.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[belanghebbende],
de ex-partner,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
IProcedure
Bij besluit van 1 juli 2025 heeft verweerder aan eiser een huisverbod op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) opgelegd, van 1 juli 2025 (14:48 uur) tot 11 juli 2025 (14:48 uur), ter zake van de woning aan het adres [adres], [postcode] [plaats 1] tevens inhoudend een contactverbod met de aldaar woonachtige [belanghebbende], zijn ex-partner, en [minderjarige] (geboren [geboortedatum] 2023), hun dochter.
Bij besluit van 10 juli 2025 heeft verweerder het huis- en contactverbod verlengd tot 29 juli 2025 (14:48 uur).
Tegen dit verlengingsbesluit heeft eiser bij brief van 18 juli 2025 beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.
IIBeoordeling
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en overeenkomstig artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een zitting achterwege gelaten.
Op grond van artikel 2, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 van deze wet.
Op grond van artikel 9, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.
Eiser kan zich niet verenigen met de verlenging van het huisverbod. Hij voert daartoe aan dat hij niet in de woning aan de [straatnaam] in [plaats 1] woont, maar feitelijk in [plaats 2] woont. Zijn aanwezigheid op het adres beperkt zich tot incidentele bezoeken om zijn dochter te zien. Eiser stelt verder dat het verlengen van het huisverbod disproportioneel is gelet op de feiten en omstandigheden van de situatie. Volgens eiser heeft er weliswaar een escalatie plaatsgevonden tussen hem en zijn ex-partner, maar is er geen sprake geweest van fysiek geweld tegen zijn ex-partner of hun dochter. Bovendien wordt eiser al geruime tijd intensief begeleid bij [zorginstelling] en is hij geen actief gebruiker meer van middelen. Er is dus geen sprake van een ernstige en onmiddellijke dreiging van gevaar die verlenging van het huisverbod rechtvaardigt. Tot slot betoogt eiser dat het besluit disproportioneel is, omdat het huisverbod onevenredig diep ingrijpt in het contact met zijn tweejarige dochter, terwijl er minder vergaande alternatieven beschikbaar zijn, zoals omgang elders dan in de woning en al dan niet onder begeleiding.
Verweerder voert gemotiveerd en onder verwijzing naar de stukken verweer.
De rechtbank stelt voorop dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het verlengingsbesluit, terwijl eiser tegen de oorspronkelijke oplegging van het huisverbod geen rechtsmiddel heeft ingesteld. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder bij de oorspronkelijke oplegging van het huisverbod terecht heeft geoordeeld dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 2 Wth. Dat betekent in dit geval dat de rechtbank ervan uitgaat dat het besluit van 1 juli 2025 op goede gronden is genomen. Hierbij merkt de rechtbank op dat, anders dan eiser betoogt, een huisverbod ook kan worden opgelegd aan een persoon die anders dan incidenteel in de woning verblijft. Uit de stukken, waaronder het proces-verbaal van aangifte, is gebleken dat eiser ondanks dat hij een eigen woning heeft regelmatig in de woning verblijft om zijn dochter te zien en in de periode van het huisverbod ook om de woning op te knappen voor de verkoop. In dit geval heeft verweerder dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om het huisverbod aan eiser op te leggen.
Verlenging van het huisverbod
In deze procedure ligt de vraag voor of verweerder in redelijkheid het huisverbod heeft kunnen verlengen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden het huisverbod heeft kunnen verlengen, omdat er op het moment van de verlenging weliswaar een netwerkgesprek had plaatsgevonden en een begin was gemaakt met de hulpverlening, maar dat er nog geen adequate veiligheidsafspraken tussen betrokkenen waren gemaakt, wat wel noodzakelijk is om veilig samen in de woning te kunnen verblijven. De dreiging van het gevaar of het ernstige vermoeden daarvan was daardoor nog niet geweken. Dit alles geldt temeer nu er nog een zeer jong kind in het gezin is, dat getuige is geweest van het incident dat heeft geleid tot de oplegging van het huisverbod.
Eiser heeft ten slotte gesteld dat de verlenging van het huisverbod disproportioneel was, omdat het aan het huisverbod verbonden contactverbod maakt dat het contact met zijn dochter volledig is verbroken. Daarmee grijpt het huisverbod onevenredig diep in, aldus eiser. De rechtbank is van oordeel dat contact tussen een ouder en een kind in principe in het belang van een kind moet worden geacht. Er kunnen echter redenen zijn om dat contact, al dan niet tijdelijk, te beperken. Het huisverbod is mede opgelegd zodat de dochter niet opnieuw getuige zou zijn van incidenten zoals het incident dat tot oplegging van het huisverbod heeft geleid. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de veiligheid van betrokkenen en het streven naar passende hulpverlening ter voorkoming van nieuwe incidenten maken dat van disproportioneel ingrijpen door verweerder geen sprake was.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 9 Wth gebruik heeft gemaakt.
Concluderend zal de rechtbank het beroep tegen het verlengingsbesluit ongegrond verklaren.
Er bestaat geen aanleiding tot veroordeling van één der partijen in de kosten van het geding.
IIIBeslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Een belanghebbende – onder wie in elk geval eiser wordt begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.
Afschrift verzonden op: