ECLI:NL:RBDHA:2025:25818

ECLI:NL:RBDHA:2025:25818, Rechtbank Den Haag, 04-12-2025, C/09/692776 / FA RK 25-7622

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-12-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer C/09/692776 / FA RK 25-7622
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Uitspraak

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 9 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. de Boorder te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.M.C. Wittens te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:

- het F9-formulier van 22 oktober 2025 van de zijde van de moeder, met producties;

- de brief van 29 oktober 2025 van de zijde van de moeder, met producties.

De minderjarige [minderjarige] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.

Op 6 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:

- de brief van 18 november 2025 van de zijde van de moeder;

- de brief van 18 november 2025 van de zijde van de vader.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt:

dag, met een maximum van € 25.000,-;

Subsidiair:

dag, met een maximum van € 25.000,-,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt tevens zelfstandig:

- een zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] te bepalen waarbij de

omgangsmomenten voorlopig onder begeleiding zullen plaatsvinden, waarbij de

regie over de uitbreiding in frequentie en duur en vormgeving bij de begeleidende

instantie rust;

- dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank juist acht,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

- De minderjarige verblijft feitelijk bij de vader.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

- In het ouderschapsplan van 2 mei 2022 zijn onder meer de volgende afspraken opgenomen:

“Zorgen omgang:

[minderjarige] is op de volgende momenten bij vader:

Zaterdag van 18:30 uur tot dinsdag 17:00 uur.

Overige dagen is zij bij de moeder.

Vader haalt [minderjarige] op zaterdag 18:30 uur op en brengt

[minderjarige] dinsdagochtend naar school en moeder haalt

[minderjarige] s’middags van de BSO.

Indien zij op dinsdag niet naar de BSO gaat brengt vader

[minderjarige] om 17:00 uur bij de moeder

(…)

Het verblijf van [minderjarige] tijdens feestdagen:

Kerstdagen: dit wordt besloten elk jaar in de derde week van

november. Als er geen andere afspraak wordt gemaakt is

[minderjarige] de eerste kerstdag bij vader en de tweede kerstdag

bij moeder.

Oud en nieuw: Het ene jaar oudjaarsavond bij de ene ouder,

andere jaar wisselen zij dit af. Beginnend met 2022-2023 bij

vader. De andere ouder mag [minderjarige] op nieuwjaarsdag wel

zien/bellen/ Facetimen indien gewenst.

Moederdag: Op Moederdag is [minderjarige] bij de moeder.

Verjaardag [minderjarige] : De ouder bij wie [minderjarige] op die dag is

geeft de andere ouder de kans [minderjarige] te bellen/ Facetimen.

Zomervakanties: Deze worden in twee gedeeld. Het ene jaar

is [minderjarige] de eerste drie weken bij de moeder en de laatste

drie weken bij de vader. In 2022 is [minderjarige] de eerste drie

weken bij de moeder en vervolgens draaien zij dit jaarlijks

om.

Overige vakanties: Dit kan in onderling overleg verdeeld

worden.

Beoordeling

Zorgregeling

Wettelijke kader

Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Op grond van het vierde lid van dat artikel is artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing. Hieruit volgt dat de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een beslissing inzake het contact alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling kan wijzigen, onder meer op de grond dat nadien de omstandigheden gewijzigd zijn.

Standpunt moeder

De moeder verzoekt nakoming van de zorgregeling uit het ouderschapsplan. De moeder heeft begin 2024 een burn-out gekregen, en heeft destijds aan de vader gevraagd om [minderjarige] per augustus 2024 (tijdelijk) op te vangen. Vanaf die datum heeft de vader – zonder dat de moeder dit wist – [minderjarige] bij hem ingeschreven en belet hij normaal contact tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder mag [minderjarige] alleen onder begeleiding van de vader één uur per weekend zien. Daarnaast mag [minderjarige] alleen onder begeleiding van de vader met de moeder bellen. De vader weigert het ouderschapsplan na te komen en de moeder begrijpt niet waarom. De moeder heeft jarenlang grotendeels alleen voor [minderjarige] gezorgd. Tijdens de burn-out heeft de moeder een periode te veel gedronken, maar inmiddels is de situatie verbeterd. De moeder drinkt niet meer, en ze zit in een traject van hulpverlening.

Standpunt vader

De vader voert verweer. De ouders hebben voorheen de zorgregeling uit het ouderschapsplan geprobeerd te volgen, maar deze regeling is amper nageleefd. De moeder heeft regelmatig gevraagd of de vader [minderjarige] eerder op kon halen en de moeder deed regelmatig een beroep op opa en oma (vaderszijde). Volgens de vader is er daarnaast altijd al sprake geweest van zorgen rondom het mentale welzijn en het overmatige alcoholgebruik van de moeder. Het is volgens de vader meermaals voorgekomen dat hij moest ingrijpen. Zo was de vrouw vaak in beschonken toestand en kon zij op die momenten niet voor [minderjarige] zorgen. Anders dan de moeder stelt heeft de vader [minderjarige] niet zonder haar medeweten op zijn adres ingeschreven, maar is dit in onderling overleg gegaan. [minderjarige] is met ingang van 1 september 2024 ingeschreven op een school in [plaats] , waar zij het volgens de vader erg naar haar zin heeft. De vader heeft hiermee gepoogd de nodige rust in het leven van [minderjarige] te brengen.

De vader wenst te benadrukken dat hij absoluut niet tegen een stabiel en goed contact tussen

de moeder en [minderjarige] is. Daarbij meent hij evenwel dat het patroon van

alcoholgebruik aan de zijde van de moeder meermaals en té vaak tot groot verdriet en onzekerheid bij [minderjarige] heeft geleid. [minderjarige] loopt sinds 6 maart 2025 bij een therapeut van de kinderpraktijk [instelling 1] . Uit het rapport die de therapeut heeft opgesteld volgt dat [minderjarige] een meisje is met een behoorlijk rugzakje. Het advies van de therapeut is duidelijk: [minderjarige] heeft behoefte aan structuur en voorspelbaarheid in de contactmomenten met de moeder, met hulp van een betrokken professional. Wat de vader betreft bestaat er dus een grote indicatie en noodzaak om de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] in eerste instantie onder begeleiding van een professional te laten verlopen. Gelet op de hierboven omschreven momenten waarop de vader [minderjarige] (met spoed) bij de moeder heeft opgehaald en het advies van de therapeut, meent de vader dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, waardoor het niet zomaar kan zijn dat de oude afspraken met betrekking tot de zorgregeling hervat kunnen worden.

De Raad

De Raad heeft tijdens de zitting onder meer geadviseerd dat het in het belang van [minderjarige] is dat de ouders met elkaar om de tafel gaan zitten om elkaars visie beter te begrijpen en vertrouwen op te bouwen. Dit zou bijvoorbeeld onder begeleiding bij een hulpverleningstraject zoals ouderschapsbemiddeling kunnen plaatsvinden. Ook merkt de Raad op dat de huidige omgangsmomenten heel ingewikkeld voor [minderjarige] zijn, nu [minderjarige] tijdens deze omgangsmomenten (letterlijk) tussen haar ouders in zit. Daarom heeft de Raad geadviseerd en voorgesteld om tijdelijk iemand anders dan de vader de omgangsmomenten te laten begeleiden.

De rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het van belang is dat de moeder en [minderjarige] uiteindelijk weer op regelmatige basis onbegeleid contact met elkaar hebben, maar dat de (emotionele) veiligheid van [minderjarige] daarbij voorop moet staan en dat gekeken moet worden naar wat [minderjarige] aankan en wat zij nodig heeft. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat de ouders hulp krijgen om het ouderschap weer samen vorm te gaan geven. De rechtbank heeft daarom tijdens de zitting de mogelijkheid van een traject voor ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding met de ouders besproken. De ouders hebben tijdens de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan voornoemde trajecten. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan deze trajecten, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar [instelling 2] voor deelname aan voornoemde trajecten en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal een kennisgeving van deze beschikking per post zenden aan [instelling 2] .

De rechtbank verwacht van de ouders dat zij in overleg met de hulpverleningsorganisatie zullen gaan kijken hoe het contact tussen de moeder en [minderjarige] stapsgewijs kan worden uitgebreid naar de situatie dat [minderjarige] weer op regelmatige basis onbegeleid bij de moeder thuis is. Gelet op het feit dat er nog een andere (nog niet op zitting geplande) bodemprocedure tussen de ouders loopt waarin het onder meer ook over de zorgregeling gaat, zal de rechtbank in deze procedure een eindbeslissing nemen en bepalen dat de zorgregeling onder begeleiding van de hulpverleningsorganisatie zal worden uitgebreid. Eventuele ontwikkelingen kunnen dan in die procedure worden meegenomen.

Ten aanzien van het contact tussen de moeder en [minderjarige] tot aan de start van het hulpverleningstraject overweegt de rechtbank als volgt. Tijdens de zitting is met partijen besproken of het mogelijk zou zijn om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te laten plaatsvinden onder begeleiding van [naam 2] (de vriendin/buurvrouw van de moeder) in plaats van door de vader en dat de vader hierover contact met [naam 2] zou hebben. Na de zitting heeft de rechtbank van de vader bericht ontvangen dat hij geen goed gevoel heeft bij [naam 2] en van de moeder bericht ontvangen dat de vader [naam 2] heeft geweigerd. Hoewel het geen ideale situatie is voor [minderjarige] dat zij tijdens de omgang letterlijk tussen haar ouders in zit, acht de rechtbank het van belang dat [minderjarige] haar moeder tot aan de start van het traject bij [instelling 2] wel op regelmatige basis blijft zien. De rechtbank zal daarom bepalen dat de zorgregeling, zoals deze de afgelopen periode door de ouders is uitgevoerd (zijnde dat [minderjarige] haar moeder elke vrijdag 1,5 uur in het bijzijn van de vader ziet), wordt voortgezet totdat het traject bij [instelling 2] van start gaat.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder tot nakoming van de bestaande regeling en het daarmee samenhangende verzoek tot het opleggen van een dwangsom afwijzen.

Proceskosten

Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

stelt vast dat partijen, te weten:

[de moeder] , (de moeder),

wonende aan [adres 1] ,

en

[de vader] (de vader),

wonende aan [adres 2] );

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar [instelling 2] voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar [instelling 2] , [adres 3] en de Raad voor de Kinderbescherming;

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] tot de start van het hulpverleningstraject elke vrijdag 1,5 uur (onder begeleiding van de vader) bij de moeder zal zijn, waarna de zorgregeling onder begeleiding van de hulpverleningsorganisatie zal worden uitgebreid;

en verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2025.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.E. Visser

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?