[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. L.I. Siers),
en
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 december 2024 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Kan de minister in het geval van eiseres voor Slovenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Slovenië een verzoek om overname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek in haar reactie van 30 september 2024 niet geaccepteerd omdat Slovenië graag meer informatie wilde over de reisroute en informatie over een Sloveens visum. Nederland heeft op 2 oktober 2024 aanvullende informatie naar de Sloveense autoriteiten gestuurd. Op 8 oktober 2024 hebben zij het overnameverzoek geaccepteerd op grond van artikel 12, derde lid, van de Dublinverordening.
4. Eiseres betoogt dat de minister voor Slovenië – zonder het verkrijgen van individuele garanties – in haar situatie niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. De asielprocedure en opvangvoorzieningen in Slovenië bieden namelijk onvoldoende waarborgen voor asielzoekers die tot de LHBTI-gemeenschap behoren. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar informatie uit het AIDA-rapport Update 2023. Uit deze informatie volgt volgens eiseres dat zij voor het eerst na 3 tot 20 dagen recht op opvang heeft. Doordat zij geen recht heeft op aparte opvang vanwege haar geaardheid, loopt eiseres ook een risico om te worden blootgesteld aan gendergerelateerd geweld. Hiertegen is ook geen bescherming aanwezig, zoals volgt uit de aangehaalde passage van het ILGA-Europe 2024 rapport.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister mag in beginsel voor Slovenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is vervolgens aan eiseres om aannemelijk te maken dat in Slovenië sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiseres hier niet in is geslaagd. Hierbij weegt de minister terecht mee dat eiseres geen asielaanvraag heeft ingediend in Slovenië en geen persoonlijke ervaringen heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Verder is van belang dat de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn van toepassing zijn op de asielprocedure in Slovenië. Voor wat betreft de verwijzingen van eiseres naar het AIDA-rapport en het rapport van ILGA-Europe oordeelt de rechtbank dat eiseres hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Slovenië in haar specifieke situatie als (gesteld) homoseksuele asielzoeker sprake is van structurele problemen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De minister wijst er namelijk terecht op dat de beoordeling of eiseres homoseksueel is en daardoor gevaar loopt in haar land van herkomst een inhoudelijke oordeel betreft dat nog beoordeeld moet worden in de asielprocedure. Daarnaast is Slovenië ook partij bij het EVRM. De rechten voor de mens en de rechten van LHBTI’ers die uit het EVRM voortvloeien zijn dus ook van toepassing in Slovenië. Als Slovenië zich volgens eiseres niet houdt aan de (Europese) richtlijnen dient zij hierover te klagen bij de Sloveense autoriteiten of bij het EHRM. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiseres niet bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank was de minister dus ook niet gehouden om bijzondere garanties bij Slovenië te verkrijgen.
Had de minister in de bijzondere omstandigheden van eiseres aanleiding moeten zien om de asielaanvraag in behandeling te nemen?
5. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om haar asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen omdat overdracht aan Slovenië van onevenredige hardheid getuigt. Eiseres wilde expliciet in Nederland asiel aanvragen vanwege haar homoseksualiteit en de problemen als gevolg daarvan in Oeganda. In Nederland wordt goed omgegaan met de LHBTI-gemeenschap en de eerbiediging van hun rechten. Eiseres vreest voor overdracht naar Slovenië omdat daar niet goed met LHBTI’ers wordt omgegaan.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres in behandeling te nemen omdat overdracht aan Slovenië van onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank verwijst ten eerste naar rechtsoverweging 4.1, waarin zij oordeelt dat Slovenië ook partij is bij het EVRM en daarmee dus de rechten van LHBTI’ers dient te eerbiedigen. Daarbij is de persoonlijke keuze van eiseres om in Nederland asiel te willen aanvragen geen bijzondere omstandigheid die maakt dat overdracht aan Slovenië van onevenredige hardheid getuigt.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.