Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 7 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Vurdelja te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Spoek te Amsterdam .
Procedure
Bij beschikking van 17 april 2025 van deze rechtbank is een beslissing over verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming Den Haag (hierna te noemen: de raad) van 23 september 2025, met kenmerk [kenmerk] ;
- het F9-bericht van de moeder van 11 november 2025, met bijlagen.
Op 21 november 2025 heeft op een zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden. Op deze zitting is ook het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] behandeld (geregistreerd onder het kenmerk C/09/692102 / JE RK 25-1658). Op dit laatste verzoek is op 21 november 2025 een mondelinge uitspraak gedaan (schriftelijk uitgewerkt op 5 december 2025).
Op de zitting zijn verschenen:
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
De vader heeft verzocht om de vaststelling van een zorgregeling tussen hem en [minderjarige] . Op de zitting is gesproken over het verloop van dit contact in de afgelopen periode. Daarbij is gebleken dat de in de eerdere beschikking vastgestelde voorlopige zorgregeling moeizaam van de grond is gekomen. Dat is deels veroorzaakt doordat het de moeder niet duidelijk was wat er van haar op basis van de beschikking werd verwacht. Begeleiding of hulpverlening is daardoor niet van de grond gekomen. De vader heeft [minderjarige] vervolgens steeds onbegeleid gezien. De vader loopt daarbij aan tegen praktische problemen. Hij wil dolgraag regelmatig (en uitgebreider) contact met [minderjarige] , maar het is voor hem financieel niet haalbaar om steeds de reis van [plaats 1] naar [plaats 2] (waar de moeder met [minderjarige] in een vrouwenopvang verblijft) te maken. Naar de mening van de vader moet het halen en brengen tussen de ouders worden gedeeld. De moeder leeft echter ook van een bijstandsuitkering en zij voelt zich te onveilig om de overdracht met de vader zelf te doen. Op de [instantie] wordt ook geen ruimte aangeboden voor het contact, zodat de vader is aangewezen op contact buiten. Dat is, mede gelet op de leeftijd en problematiek van [minderjarige] , niet wenselijk.
De rechtbank vindt het van groot belang dat het contact tussen de vader en [minderjarige] blijft plaatsvinden. Daarvoor is het wel vereist dat de praktische uitvoering wordt verbeterd. Naar oordeel van de rechtbank is hier een rol weggelegd voor de jeugdbeschermer, die in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken zal zijn. De rechtbank denkt hierbij aan contact op een geschikte – en goed bereikbare – locatie in [plaats 2] , waarbij de moeder [minderjarige] naar de locatie brengt en haalt en de vader haar daar ziet. Voor de langere termijn is het, in ieder geval vanuit het oogpunt van contact tussen vader en dochter, wenselijk als de fysieke afstand tussen de ouders wordt verkleind. Daarvoor moet echter eerst meer duidelijkheid bestaan over de veiligheidsrisico’s en het verloop van het contact.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank op dit moment nog geen definitieve zorgregeling vaststellen. In de komende periode zal de in de praktijk uitgevoerde zorgregeling blijven voortduren, waarbij de vader en [minderjarige] elkaar wekelijks zien. Vanaf het moment dat er een geschikte omgangslocatie is, kan de omgang worden uitgebreid in tijd, bijvoorbeeld twee uur per keer of langer. De rechtbank legt de regie voor deze uitbreiding bij de jeugdbeschermer. Daarbij wordt benadrukt dat ook rekening moet worden gehouden met de zorgen over [minderjarige] en haar mogelijke problematiek, zoals verwoord in het rapport van de Raad. Indien dit haalbaar en praktisch uitvoerbaar blijkt, kan de vader [minderjarige] op een gegeven moment meenemen naar zijn huis. Het doel is op dit moment om uiteindelijk toe te werken naar een zorgregeling, waarbij [minderjarige] wekelijks op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de vader verblijft, zoals ook door de Raad is geadviseerd.
De rechtbank zal de definitieve beslissing over de zorgregeling aanhouden voor een termijn van negen maanden, zodat er voldoende tijd is om het contact rustig op te bouwen en hierbij de benodigde begeleiding en hulpverlening in te zetten. Mogelijk is dan ook meer bekend over een definitieve woonplek voor de moeder en de kindeigen-problematiek van [minderjarige] . De rechtbank vindt het daarbij ook wenselijk als het verzoek tegelijkertijd wordt behandeld met een eventueel verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025:
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , [land] :
en bepaalt dat deze voorlopige regeling onder regie van de jeugdbeschermer kan worden uitgebreid tot een regeling waarbij [minderjarige] wekelijks op zaterdag bij de vader (thuis) is van 10.00 tot 18.00 uur
en verklaart deze voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek tot vaststelling van de zorgregeling aan tot 15 september 2026;
uiterlijk op die datum moeten partijen en de gecertificeerde instelling zich uitlaten over de stand van zaken, het verloop van de zorgregeling en de gewenste voortgang van de procedure;
en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.