RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54589
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. N.R.H. Boon),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H.M.M. van Dooren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande berichtgeving , niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
5. Eiser stelt dat de minister ten aanzien van Spanje niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser voert hiertoe aan dat hem in Spanje medische zorg is onthouden en dat hij op straat is gezet. In de persoonlijke verklaringen van eiser had de minister aanknopingspunten moeten zien om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Daarnaast loopt er een inbreukprocedure tegen Spanje, omdat niet volledig aan de Unierechtelijke opvangverplichtingen wordt voldaan. Verder kan er niet op vertrouwd worden dat Spanje zijn asielverzoek in behandeling neemt. In Spanje heeft hij een ticket gekregen om door te reizen, waaruit volgt dat Spanje zijn asielaanvraag niet in behandeling wil nemen.
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 24 juni 20242 en 3 februari 20253 bevestigd. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 Handvest. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo. Eiser is hierin niet geslaagd.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Spanje niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Hetgeen eiser aanvoert over het gebrek aan medische zorg, het uit de opvang te zijn gezet en het krijgen van een ticket om door te reizen, is hiertoe onvoldoende. Niet is gebleken dat eiser medische zorg nodig heeft en ook is niet gebleken dat hem medische zorg is ontzegd. Eiser heeft in beroep niet gespecificeerd waar hij medische zorg voor nodig heeft en geen (medische) stukken overgelegd. Daarbij komt dat eiser niet in een situatie van asielopvang heeft gezeten, omdat hij geen asielaanvraag in Spanje heeft gedaan. Met het accepteren van het claimakkoord hebben de Spaanse autoriteiten ingestemd met de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag van eiser. Hierbij dienen de Spaanse autoriteiten zich te houden aan hun internationale verplichtingen, waaronder die uit de Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn. Het gestelde over een doorreis ticket is daarom niet meer relevant om te beoordelen. Ook de omstandigheid dat er een inbreukprocedure loopt, leidt niet tot een ander oordeel. Het starten van deze procedure is op zichzelf onvoldoende om aan te tonen dat Spanje structurele tekortkomingen heeft in de opvangvoorzieningen. Daar komt bij dat de Europese Commissie de Spaanse autoriteiten de gelegenheid heeft gegeven om de gebrekkige implementatie van de Opvangrichtlijn te herstellen.4
Verder kan de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat de medische voorzieningen in Spanje van vergelijkbare kwaliteit zijn en ook ter
2 ECLI:NL:RVS:2024:2548.
3 ECLI:NL:RVS:2025:381.
4 Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16113.
beschikking staan aan Dublinclaimanten. Indien eiser in Spanje toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen in de asielopvang, medische zorg of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Spaanse (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat hij medische zorg nodig heeft en dat hij dit niet kan krijgen. Hij is in Spanje gediscrimineerd en hij verbleef op straat. Hij voelde zich daar niet veilig.
8. Het is aan de minister om te beoordelen of sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank moet deze beoordeling terughoudend toetsen.5 De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser bij voorkomende problemen in beginsel kan klagen bij de Spaanse autoriteiten, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ten aanzien van de medische zorg is in het bestreden besluit gemotiveerd dat de minister erop mag vertrouwen dat de medische zorg hetzelfde is als in Nederland. Ook is niet aangetoond dat eiser deze zorg niet zou kunnen krijgen. Daarbij komt dat niet duidelijk is welke medische zorg eiser nodig heeft.
Wat betreft de gestelde discriminatie, heeft de minister aanvullend ter zitting gemotiveerd dat ook dit niet is aangetoond en dat hij daarover kan klagen, als dit aan de orde zou zijn. Dat sprake zou zijn van discriminatie, is – zo staat al in de beschikking – niet bijzonder en individueel genoeg om artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toe te passen. Ten aanzien van het verblijf op straat van eiser heeft de minister ter zitting aanvullend gemotiveerd dat hij niet terugkeert naar de illegale situatie van na de inreis, omdat hij nu asielopvang zal krijgen. Daarbij merkt de minister op dat eiser niet heeft aangetoond dat hij op straat heeft verbleven.
Omdat de motivering ten aanzien van de discriminatie en het verblijf op straat ontbrak in het bestreden besluit, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dit gebrek echter met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren. De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat eiser door deze motivering ter zitting niet in zijn belangen is geschaad, omdat de minister in beroep alsnog het gebrek in de motivering heeft hersteld.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, gelet op de aanvullende motivering, deugdelijk gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waaruit volgt dat de overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt niet.
5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Vanwege het toepassen van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.