RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).
proces-verbaal uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.41948
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
Procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.41949, op 2 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Eiser heeft de Roemeense nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Eiser heeft op 30 juli 2025 asiel gevraagd. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij een EU onderdaan is.
2. Eiser voert aan dat de minister het bestreden besluit niet ondertekend heeft en dat daardoor aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Eiser wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 november 2023.1
3. De rechtbank is van oordeel dat er geen gebrek kleeft aan het besluit. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2023, waar eiser naar verwezen heeft, volgt dat een besluit kenbaar en toetsbaar moet zijn. De vreemdeling moet kunnen controleren of het besluit door een bevoegd persoon genomen is. In het geval van de uitspraak van 6 november 2023 was dit niet mogelijk omdat de handtekening onder het bestreden besluit ontbrak. In dat geval ging het om een ‘kaal’ terugkeerbesluit genomen door de AVIM. Dat is een ander besluitvormingskader dan het in deze procedure bestreden besluit. In dit geval is geen sprake van een ondertekeningsmandaat in de zin van artikel 10:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar van een – regulier- afdoeningsmandaat in de zin van artikel 10:1 van de Awb. In die situatie is ondertekening niet verplicht.2 Daar komt bij dat het voor eiser wel mogelijk is om te controleren of het besluit door een bevoegd persoon is genomen. Onderaan het besluit staat immers de naam van de beslismedewerker die het besluit genomen heeft. Ook staat in het colofon van het besluit dat de beslismedewerker werkzaam is bij de [bedrijf] , [bedrijf] [plaats] . Een handtekening van deze beslismedewerker voegt hier niets aan toe. Ook zonder handtekening is het besluit voldoende kenbaar en toetsbaar voor eiser. Er is dan ook geen sprake van een gebrek. Deze grond slaagt niet.
4. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
1. Uitspraak van de Afdeling van 6 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4082.
2 Dat sprake is van een afdoeningsmandaat volgt uit het Mandaatbesluit IND Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022.
17 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: