[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.V. Bekker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 8 februari 2024 (het bestreden besluit) van verweerder, waarbij eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) is afgewezen als ongegrond en is bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) of uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw krijgt. Het bestreden besluit geldt ook als een terugkeerbesluit. Eiser moet terugkeren naar Afghanistan.
Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en vindt dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank geeft hierna allereerst een beschrijving van eisers asielrelaas en het daarop gebaseerde bestreden besluit. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de aangevoerde beroepsgronden. Daarna volgen de conclusie en de beslissing.
Eisers asielrelaas
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 31 mei 2022 heeft hij zijn asielaanvraag ingediend.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is tijdens zijn werk als schapenherder aangesproken door leden van de Taliban. Zij hebben eiser gevraagd om een paar schapen aan hen te geven. Eiser heeft dat geweigerd en is vervolgens met de kolf van het geweer op zijn hoofd geslagen. Eiser is mishandeld, maar heeft op enig moment kunnen ontsnappen. Daarnaast heeft er een incident plaatsgevonden waarbij de Taliban zich erover beklaagden dat dorpelingen van eiser de Taliban hebben verraden bij de overheid. Vanwege het gevaar van de Taliban heeft eiser Afghanistan verlaten. Eiser vreest dat de Taliban hem gaan vermoorden of dat ze zijn moeder of broer iets zullen aandoen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. mishandeld door Taliban leden vanwege weigering om schapen aan hen te geven.
Verweerder heeft beide relevante elementen geloofwaardig geacht. Toch leveren deze elementen volgens verweerder geen asielgrond op, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen of dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt.
Verder heeft verweerder overwogen dat eiser niet onder de risicogroepen valt, zoals bedoeld in paragraaf C7/2.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Beroepsgronden
5. Eiser stelt dat verweerder heeft miskend dat eiser daadwerkelijk in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. Eiser heeft zich namelijk verzet tegen de Taliban en is al jaren weg uit het land van herkomst. Volgens eiser kan het niet anders dan dat zijn vertrek inmiddels is opgevallen bij de Taliban. Daarnaast stelt eiser dat verweerder heeft nagelaten onderzoek te verrichten naar de risico’s voor Afghaanse vluchtelingen bij terugkeer.
Tijdens de zitting heeft eiser zijn eerder ingenomen standpunt – dat hij wel valt onder de risicogroepen, zoals bedoeld in paragraaf C7/2.3.2 van de Vc – laten vallen.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank gaat in overweging 6.1 in op de verwijzing naar de zienswijze in het beroepschrift. Hierna gaat de rechtbank in overweging 6.2 tot en met 6.9 in op de gestelde negatieve belangstelling van de Taliban voor eiser. Tot slot gaat de rechtbank in overweging 6.10 tot en met 6.12 in op de risico’s bij terugkeer naar Afghanistan.
Zienswijze
Eiser voert allereerst aan dat wat hij in de zienswijze heeft gesteld, in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze. Voor zover eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten deze motivering ontoereikend is, kan de enkele herhaling van wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
De negatieve belangstelling van de Taliban
De vraag of eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban staat, valt – gelet op eisers beroepsgronden – uiteen in twee deelvragen. De eerste deelvraag is of eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban stond op het moment dat hij Afghanistan verliet. De tweede deelvraag is of eiser op dit moment in de negatieve belangstelling van de Taliban staat.
De eerste deelvraag
Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban stond op het moment dat hij Afghanistan verliet. Hoewel eiser heeft verklaard dat hij door leden van de Taliban is mishandeld nadat hij weigerde om schapen aan hen te geven en verweerder dit voorval geloofwaardig heeft geacht, is dit onvoldoende om tot de conclusie te komen dat eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban stond op het moment dat hij Afghanistan verliet. Eiser heeft namelijk ook verklaard dat hij verder nooit persoonlijk problemen met de Taliban heeft gehad, dat hij tijdens zijn verblijf in Afghanistan na het voorval niet door hen is bedreigd of anderszins door hen is benaderd en dat hij zijn dorp zonder problemen heeft verlaten. Het voorval kan dus worden gezien als een eenmalig en op zichzelf staand incident. Bovendien heeft eiser zelf verklaard dat er geen speciale reden is waarom hij en zijn familie in de negatieve belangstelling van de Taliban zouden staan. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom in zoverre niet.
De tweede deelvraag
Op het moment van het nemen van het bestreden besluit heeft verweerder zich, mede gelet op wat hiervoor is overwogen, verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij of zijn familie specifiek doelwit van de Taliban is. Ook is van belang dat niet is gebleken dat iemand, behalve eisers eigen familieleden, op de hoogte was van eisers vertrek uit Afghanistan en eiser daarom zou kunnen verraden bij de Taliban. Dat het goed zou kunnen zijn dat de Taliban hem zien als verrader en dat het niet anders kan dan dat zijn vertrek inmiddels is opgevallen bij de Taliban, heeft eiser onvoldoende onderbouwd. Overigens, al zou eisers vertrek inmiddels is opgevallen bij de Taliban, dan is dat op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. Eiser heeft niet verder toegelicht waarom dat volgens hem zo is. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom in zoverre ook niet.
Na het bestreden besluit is er nieuwe informatie gekomen. Vlak voor de zitting heeft eisers gemachtigde een aanvullend stuk overgelegd. Hierin staat onder meer het volgende:
“Eiser vertelde mij dat zijn ouders inmiddels door de Pakistaanse autoriteiten naar Afghanistan waren uitgezet. De ouders van eiser waren teruggekeerd naar het dorp en daar opgeroepen door de Taliban die eiser zoeken. Ze hebben een brief van de Taliban gekregen die eiser in kopie aan mij heeft overgelegd. […] De tolk die ik op kantoor had, heeft op mijn verzoek de tekst vertaald. Er zou staan:
Brief van de Veiligheidsafdeling van de provincie Paktia district Zormad datum is moeilijk te lezen. 26-02-1447 zegt de tolk. Dat is 26 augustus 2025.
Door middel van deze brief wordt [eiser], zoon van [naam 2] opgeroepen om bij deze politieafdeling te verschijnen. Indien hij dat niet doet, dan zal hij daar de gevolgen van krijgen.
De ouders van eiser zijn vervolgens naar Jallalabad gegaan en proberen het land weer te verlaten. Een scan van de brief zal ik uploaden in het dossier.”
Tijdens de zitting heeft eisers gemachtigde aangegeven dat de brief is vertaald door een beëdigde tolk en dat de inhoud van de brief een indicatie is dat eiser op dit moment door de Taliban wordt gezocht. De gemachtigde van verweerder heeft aangegeven dat zij erop vertrouwt dat de inhoud van de brief correct is vertaald, maar dat de brief volgens haar onvoldoende is om te concluderen dat de Taliban naar eiser op zoek zijn. Bovendien is de herkomst van de brief volgens haar twijfelachtig.
De rechtbank betrekt de nieuwe informatie bij haar beoordeling en gaat uit van een juiste vertaling van de brief.
De rechtbank is van oordeel dat de brief niet aannemelijk maakt dat eiser op dit moment in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. Ten eerste zijn eisers verklaringen over de herkomst van de brief tegenstrijdig en vaag. Tijdens de zitting heeft eiser namelijk verklaard dat hij geen contact meer heeft met zijn ouders sinds zij terug in Afghanistan zijn en dat hij voor het laatst in de zevende maand (de rechtbank begrijpt: in juli 2025) door hen is gebeld. Deze verklaringen stroken niet met de datum van de brief (26 augustus 2025) en dus met het moment waarop de brief op zijn vroegst naar eiser zou kunnen zijn doorgestuurd. Dat eisers ouders de brief via de telefoon van iemand anders zouden hebben doorgestuurd, zoals eiser tijdens de zitting heeft verklaard, is vaag en niet verder onderbouwd en doet daarom niet af aan de hiervoor vermelde tegenstrijdigheid in eisers verklaringen. Ten tweede kan uit de brief niet worden afgeleid wat de reden is waarom eiser wordt opgeroepen. De enkele mededeling dat eiser wordt opgeroepen om te verschijnen en dat het niet verschijnen gevolgen heeft, is daarom onvoldoende voor de conclusie dat eiser op dit moment in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre evenmin.
Gelet op het voorgaande en omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer door de Taliban zal worden ondervraagd, gaat de rechtbank niet in op het standpunt van eisers gemachtigde tijdens de zitting dat de Taliban zich niet houden aan de normale regels van ondervraging, waarmee sprake zou kunnen zijn van een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De risico’s bij terugkeer naar Afghanistan
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft onder meer in de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 11, overwogen dat uit artikel 31 van de Vw volgt dat verweerder de beoordeling van het reële risico op ernstige schade van een Afghaanse asielzoeker moet verrichten aan de hand van de persoonlijke kenmerken van een vreemdeling, diens individuele omstandigheden en wat een vreemdeling verder heeft aangevoerd. Die omstandigheden moeten worden bezien tegen de achtergrond van de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst. Het is aan een vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij op individuele gronden in aanmerking komt voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. In diezelfde uitspraak, onder 12 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt.
Het is dus aan een vreemdeling die stelt dat hij onder meer vanwege zijn verblijf in het Westen bij terugkeer naar Afghanistan problemen zal krijgen, in dit geval dus aan eiser, om aannemelijk te maken waarom juist hij, gelet op het samenstel van zijn individuele omstandigheden, problemen zal krijgen en waaruit die bestaan. Verweerder moet bij zijn beoordeling of een vreemdeling dat aannemelijk heeft gemaakt alle relevante individuele factoren die een vreemdeling heeft aangedragen, in onderlinge samenhang bezien. Daartoe behoort ook de factor dat een vreemdeling in het Westen heeft verbleven. Het verblijf in het Westen zou, in combinatie met andere individuele factoren en afhankelijk van de aangeleverde informatie uit algemene bronnen over de problemen die kunnen ontstaan, ertoe kunnen leiden dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Hoewel verweerder zich in het bestreden besluit nagenoeg alleen maar op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet viel onder het destijds geldende landenbeleid en daarmee het terugkeerrisico van eiser niet individueel heeft beoordeeld, is dat geen reden om het bestreden besluit te vernietigen. Gelet op wat de rechtbank onder 6.2 tot en met 6.9 heeft overwogen, heeft verweerder niet ten onrechte niet aannemelijk geacht dat eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban stond op het moment dat hij Afghanistan verliet of dat eiser op dit moment in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. Eiser heeft verder alleen gesteld dat hij bij terugkeer uit het Westen risico loopt, zonder dat aan de hand van concrete en individuele omstandigheden te onderbouwen. Niet is gebleken dat eiser op dit moment een conflict heeft met de Taliban of anderen dat bij terugkeer tot problemen kan leiden. Verweerder heeft dan ook deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gelet op zijn individuele omstandigheden bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u de behandeling van het hoger beroep niet kunt afwachten omdat de zaak spoed heeft, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.