[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.V. Bekker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 23 januari 2024 (het bestreden besluit) van verweerder, waarbij eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) is afgewezen als ongegrond en is bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) of uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw krijgt. Verder is bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen als bedoeld in artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000, gelezen in samenhang met paragraaf B8/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Het bestreden besluit geldt ook als een terugkeerbesluit. Eiser moet terugkeren naar Guinee.
Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en vindt dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank geeft hierna allereerst een beschrijving van eisers asielrelaas en het daarop gebaseerde bestreden besluit. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de aangevoerde beroepsgronden. Daarna volgen de conclusie en de beslissing.
Eisers asielrelaas
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2005 en heeft de Guinese nationaliteit. Op 14 maart 2022 heeft hij zijn asielaanvraag ingediend.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Na het overlijden van eisers moeder in 2018 heeft eisers oom (moederszijde) de zorg voor eiser op zich genomen. Zijn oom heeft hem mishandeld. In 2021 is een ruzie over de school van eiser ontstaan. Eisers oom stond het namelijk niet toe dat eiser naar een reguliere school zou gaan. Van zijn oom moest hij naar de Koranschool. Nadat hij zijn oom hierop aansprak, is de situatie geëscaleerd en is hij door zijn oom geschopt. Na de ruzie heeft eiser uit boosheid een Koran verscheurd. Toen zijn oom hierachter kwam, heeft hij eiser vastgebonden en geslagen. Eiser wist met behulp van een oude (buur)man te ontsnappen naar zijn tante (vaderszijde). Zij heeft vervolgens aangifte gedaan tegen zijn oom, maar dit veranderde de situatie niet. Als reactie hierop wilde zijn oom namelijk zowel hem als zijn tante vermoorden. Eisers tante heeft ervoor gezorgd dat eiser het land kon verlaten. Eiser vreest dat zijn oom hem nog altijd wil vermoorden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de oom van eiser wil hem vermoorden.
Verweerder heeft het eerste relevante element geloofwaardig geacht. Daarentegen heeft verweerder het tweede relevante element niet geloofwaardig geacht. Eisers asielrelaas is volgens verweerder niet geloofwaardig, omdat eiser – samengevat – op meerdere punten tegenstrijdig, summier, onnavolgbaar en inconsistent zou hebben verklaard. Volgens verweerder kan eiser op grond van het geloofwaardig geachte eerste relevante element niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Evenmin heeft eiser volgens verweerder aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Guinee een reëel risico loopt op ernstige schade. Tot slot kan volgens verweerder worden geconcludeerd dat er voor eiser sprake is van adequate opvang in Guinee en dat hij daarom niet in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Beroepsgronden
5. Eiser stelt – samengevat – dat verweerder zijn asielrelaas ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Eiser vindt dat verweerder bij de beoordeling van zijn asielrelaas ten onrechte heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen op meerdere punten tegenstrijdig, summier, onnavolgbaar en inconsistent zouden zijn. Verweerder heeft bij die beoordeling volgens eiser onvoldoende meegewogen dat hij een jeugdige leeftijd had ten tijde van de gebeurtenissen die hebben geleid tot zijn vlucht.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank gaat in overweging 6.1 in op de verwijzing naar de zienswijze in het beroepschrift. Hierna gaat de rechtbank in overweging 6.2 tot en met 6.7 in op de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas.
Zienswijze
Eiser voert allereerst aan dat wat hij in de zienswijze heeft gesteld, in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze. Voor zover eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten deze motivering ontoereikend is, kan de enkele herhaling van wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
De geloofwaardigheid van eisers asielrelaas
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn oom hem wil vermoorden. De rechtbank vindt dat verweerder zich niet ten onrechte op dit standpunt stelt. De rechtbank legt hierna uit waarom zij dat vindt.
Verweerder heeft niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over het verscheuren van de Koran. Uit eisers verklaringen blijkt namelijk enerzijds dat sprake zou zijn geweest van een bewuste, betekenisvolle actie van eiser, terwijl anderzijds sprake zou zijn geweest van een impulsieve actie. Het is niet aannemelijk dat eiser – die vanwege zijn afkomst, cultuur en geloof bekend is met de betekenis van de Koran – een voor zijn oom en diens familie zo’n heilig en belangrijk boek zou verscheuren, ook niet uit boosheid of impuls. In beide gevallen moet eiser zich hebben gerealiseerd welke verstrekkende consequenties die handelwijze voor hemzelf zou kunnen hebben. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een dergelijk risico zou nemen.
Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over de periode na de vlucht naar zijn tante. Eiser heeft eerst meerdere keren verklaard dat zijn oom naar zijn tante heeft gebeld om te vragen waar eiser was en dat zijn tante toen heeft aangegeven dat eiser bij haar was, zodat zijn oom naar zijn tante toe zou komen en zij met elkaar konden praten. Uit deze eerste verklaringen blijkt niet dat zijn tante de politie had ingeschakeld of een arrestatie van zijn oom wilde bewerkstelligen. Later, in de zienswijze, schetst eiser een ander scenario, namelijk dat zijn tante naar zijn oom heeft gebeld om hem naar haar huis te lokken, zodat de door haar ingeschakelde politie hem kon arresteren. Het schetsen van een ander scenario in de zienswijze, zonder (delen van) dat scenario tijdens eerdere gehoren of in de correcties en aanvullingen te hebben benoemd, maakt dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers verklaringen inconsistent en ongeloofwaardig zijn. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van eisers gemachtigde dat pas met het voornemen duidelijk is geworden dat verweerder waarde hechtte aan wat eiser hierover tijdens eerdere gehoren heeft verklaard. Van eiser mocht namelijk worden verwacht dat hij (delen van) het andere scenario eerder zou hebben benoemd, aangezien het een cruciaal onderdeel is van zijn asielrelaas. Overigens, al wordt van het in de zienswijze geschetste scenario uitgegaan, dan heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat niet aannemelijk dat eisers tante op eigen initiatief aan eisers oom heeft meegedeeld dat eiser bij haar verbleef, aangezien zij wist waartoe hij in staat was en op de hoogte was van zijn betrokkenheid bij de dood van eisers vader. Het meedelen van eisers verblijfplaats zou daarom ernstige consequenties met zich kunnen brengen. Eisers verwondingen als gevolg van de mishandeling door zijn oom zouden bovendien zo ernstig zijn geweest dat medische behandelingen noodzakelijk waren.
Verder is door en namens eiser aangevoerd dat zijn jonge leeftijd een verschoonbare reden is voor de wisselende en summiere verklaringen. De rechtbank vindt dat onvoldoende is toegelicht waaruit dat zou blijken. Niet is gebleken dat verweerder bij de beoordeling van eisers verklaringen geen rekening heeft gehouden met eisers persoonlijke omstandigheden, zoals zijn leeftijd, achtergrond, ervaringen en overtuigingen. Bovendien heeft verweerders gemachtigde tijdens de zitting aangegeven dat eisers jeugdige leeftijd bij de beoordeling is betrokken en dat altijd wordt gekeken naar het referentiekader van een vreemdeling. De rechtbank ziet in het geval van eiser geen aanleiding om daaraan te twijfelen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, in samenhang bezien, slagen de aangevoerde beroepsgronden niet. Verweerder heeft dus terecht de asielaanvraag van eiser afgewezen. Wat eiser verder heeft aangevoerd – bijvoorbeeld over de niet nagekomen belofte van zijn oom dat eiser naar school mocht, over de naam van de oude (buur)man en over de dood van zijn vader – en de reactie van verweerder daarop hoeft de rechtbank daarom niet te beoordelen.
Met betrekking tot de door eisers gemachtigde overgelegde brief van GGz Centraal van 10 juni 2024 overweegt de rechtbank nog het volgende. Uit de brief blijkt dat eiser klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis, naar aanleiding van trauma’s in het land van herkomst. Eiser heeft regelmatig nachtmerries, slaapt slecht, heeft herbelevingen en piekert veel. Eiser voelt zich somber en machteloos, waardoor hij suïcidale gedachten heeft. Tijdens de zitting heeft eiser aangegeven dat hij is gestart met traumabehandeling, maar dat dit ontzettend moeilijk voor hem is. De rechtbank vindt het naar voor eiser dat hij trauma’s heeft en kan zich voorstellen dat het moeilijk is voor eiser om deze trauma’s te verwerken. Desondanks leidt de brief niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt namelijk het standpunt van verweerders gemachtigde op de zitting dat de inhoud van de brief niets zegt over de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Het is mogelijk dat eiser in Guinee traumatiserende gebeurtenissen heeft meegemaakt, maar daarmee is niet gezegd dat dit de gebeurtenissen zijn die eiser ten grondslag heeft gelegd aan zijn asielrelaas.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u de behandeling van het hoger beroep niet kunt afwachten omdat de zaak spoed heeft, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.