ECLI:NL:RBDHA:2025:25963

ECLI:NL:RBDHA:2025:25963, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, NL24.36048

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 05-01-2026
Zaaknummer NL24.36048
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Regulier, mvv, jongvolwassenenbeleid, 8 EVRM, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. mr. I.A.G. Lodders).

Samenvatting

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.36048

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.1 Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een mvv voor zijn moeder [persoon1] en zijn broer [persoon2] (hierna: betrokkenen). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 2 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Najjar als tolk en de gemachtigde van de minister.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
Is er sprake van familie- en gezinsleven of privéleven in de zin van artikel 8 EVRM?
Jongvolwassenenbeleid
Zijn er bijkomende elementen van afhankelijkheid?

Is het beroep tijdig ingesteld?

3. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat het beroep niet tijdig is ingediend. Op 16 september 2024 is enkel beroep ingesteld voor [persoon3] , waarvan de aanvraag voor een mvv op 20 augustus 2024 was afgewezen per separate beschikking. Pas op 15 oktober 2024 is met de gronden van beroep kenbaar geworden dat er beroep wordt aangetekend tegen de beschikking van [persoon1] en [persoon2] . Dit is ruim na het aflopen van de beroepstermijn op 17 september 2024.

4. De rechtbank stelt vast dat de minister op dezelfde dag twee besluiten heeft genomen die beide gericht zijn aan [persoon3] en één van die twee besluiten heeft ook betrekking op [persoon1] en [persoon2] . [persoon3] beschikt over een verblijfsvergunning. [persoon1] en [persoon2] niet. Het is daarom evident dat het inleidende beroep gericht was tegen het besluit voor zover dat betrekking had op [persoon1] en [persoon2] en dat de gemachtigde door enkel ten behoeve van [persoon3] beroep in te stellen een vergissing heeft gemaakt. Dat het hier om een vergissing ging, blijkt ook uit de aanvullende gronden. De rechtbank volgt de minister daarom niet in het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk beoordelen.

5. De minister heeft de mvv-aanvraag voor betrokkenen afgewezen en stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat er tussen eiser en betrokkenen geen sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser valt niet onder het jongvolwassenebeleid. Er bestaat tussen eiser en betrokkenen geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, want er zijn geen bijkomende elementen van afhankelijkheid.

6. De minister neemt familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarigen aan als er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. De minister neemt familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aan tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist zijn, als het meerderjarig kind aan het jongvolwassenenbeleid voldoet. De eerste vraag is dan ook of het meerderjarige kind voldoet aan het jongvolwassenenbeleid en als dat niet het geval is, of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

7. Eiser voert aan dat hij moet worden aangemerkt als jongvolwassene, omdat hij voldoet aan de criteria van het jongvolwassenenbeleid als bedoeld in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), nader uitgewerkt in Werkinstructie 2020/16 (WI). Ten aanzien van het criterium van samenleven met de ouder voert eiser aan dat niet in geschil is dat hij met zijn moeder heeft samengewoond tot zijn vertrek naar Turkije. Bij de beoordeling van dit criterium is de situatie van eiser tot aan de binnenkomst naar Nederland leidend. In geval van eiser is sprake van een onvrijwillige scheiding van zijn ouder. Eiser is naar Turkije gegaan vanwege de onveilige situatie in Syrië en om daar te werken om zo zijn gezin te onderhouden. Hij heeft de stap naar zelfstandigheid niet willen zetten, waardoor de scheiding hem niet kan worden tegengeworpen2. In Turkije heeft eiser bij zijn broer gewoond en dus niet zelfstandig. Eiser heef ook in [plaats] gewoond waar hij voor kanker in het ziekenhuis is behandeld. Wanneer hij niet in het ziekenhuis verbleef, verbleef hij in [plaats] bij zijn neven. Ten aanzien van het criterium niet voorzien in eigen onderhoud, voert eiser aan dat hij hierin niet zelf heeft voorzien. Dat eiser tijdens zijn ziekte in Turkije in zijn eigen onderhoud voorzag, wordt niet gevolgd. Eiser kon in deze periode namelijk op de financiële hulp van zijn neven rekenen. Daarnaast heeft de broer van eiser deels de medische kosten betaald. Eiser ging werken uit noodzaak om zijn moeder en broer te onderhouden, wat er juist van getuigt dat hij niet in zijn eigen onderhoud voorzag. Eiser wijst in dit kader op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 19 april 2022.3 De omstandigheden dat eiser in Nederland naar school gaat en de ambitie heeft om weer te werken, zijn mede het gevolg van de duur van de procedure en kan de minister niet zonder meer als contra-indicatie tegenwerpen. Eiser wijst in dit kader op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 10 februari 2022.4

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

8. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier inhoudelijke cumulatieve vereisten: (1) het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, (2) met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, (3) niet in zijn eigen onderhoud voorzien en (4) geen zelfstandig gezin hebben gevormd.5 Dit betekent dat als het meerderjarig kind niet voldoet aan een of meer van deze vereisten het niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid.

9. In geschil is de vraag of eiser voldoet aan de voorwaarden vermeld onder 2 en 3, waarbij ook de vraag voorligt welke feiten bij de boordeling daarvan dienen te worden betrokken.

10. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)6 volgt dat het peilmoment voor de beoordeling van het familie- en gezinsleven in reguliere gezinsherenigingszaken het moment van het besluit op de gezinsherenigingsaanvraag is, maar dat de minister bij het besluit op bezwaar ook de feiten en omstandigheden moet meenemen die zich hebben voorgedaan in de periode tussen het besluit op aanvraag en het besluit op bezwaar. Eiser kan dus niet worden gevolgd in zijn standpunt dat bij de beoordeling van de vraag of eiser voldoet aan de voorwaarden 2 en 3 van het jongvolwassenenbeleid enkel de situatie tot aan binnenkomst Nederland bepalend is. De minister heeft terecht ook beoordeeld of zich na binnenkomst van eiser in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat van samenleving in gezinsverband niet langer sprake is.7

2 Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1085.

3 ECLI:NL:RBDHA:2022:3679, r.o. 5.3.

4 ECLI:NL:RBDHA:2022:1614, r.o. 3.7.

5 Paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000.

6 ECLI:NL:RVS:2024:4630.

11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende gemotiveerd heeft uitgelegd dat de gezinsverband tussen eiser en zijn moeder sinds zijn vertrek uit Syrië is verbroken. Daarbij heeft de minister terecht belang gehecht aan de lange periode dat eiser sinds zijn vertrek uit Syrië niet meer met zijn moeder woont. Dat zijn vertrek vanuit Syrië naar Turkije was ingegeven door de veiligheidssituatie en de noodzaak om te werken om in het levensonderhoud van zijn moeder en de overige familie te voorzien en dat het dus niet ging om een vrijwillige keuze, betekent in dit geval niet dat de gezinsband is blijven bestaan. Voor het standpunt dat de gezinsverband niet is blijven bestaan, heeft de minister terecht aandacht besteed aan de wijze waarop eiser zichzelf in Turkije en Nederland staande heeft weten te houden. Daarbij is ook van belang dat eiser niet heeft voldaan aan criterium dat geen sprake is van een situatie dat hij niet in zijn eigen levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Niet is betwist dat eiser bijna drieënhalf jaar in Turkije heeft gewerkt. Dat hij naast zijn eigen levensonderhoud met het verworven inkomen ook heeft voorzien in het levensonderhoud van zijn moeder, doet niet af aan de zelfstandigheid waarmee eiser zich in Turkije heeft staande gehouden. Uit de door eiser geschetste situatie dat hij perioden bij zijn broer en neven heeft gewoond en dat hij van hen (financiële) hulp heeft gehad, kan niet een vorm van afhankelijkheid worden opgemaakt dat niet kan worden uitgegaan van het verbreken van de gezinsband. De minister heeft in deze situatie daarom geen aanleiding hoeven zien om tot een andere beoordeling te komen. Verder is ook onvoldoende gebleken dat eiser zich in Nederland moeilijk staande kan houden. Met deze gestelde omstandigheden heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een nog steeds bestaande gezinsband. Ook wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat eiser niet in zijn eigen onderhoud voorziet. De minister heeft terecht geen toepassing gegeven aan het jongvolwassenenbeleid. De door eiser aangehaalde uitspraken geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, omdat de in die uitspraken genoemde omstandigheden niet vergelijkbaar zijn met die van eiser en het hier gaat om een individuele beoordeling die sterk casuïstisch is. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Eiser heeft ook aangevoerd dat de beoordeling van de minister niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden omdat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt aan welke criteria van het jongvolwassenenbeleid is getoetst. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen, omdat uit de beroepsgronden blijkt dat het bestreden besluit eiser voldoende inzicht heeft gegeven om zich te verweren. Eiser is ingegaan op de twee criteria die aan eiser zijn tegengeworpen. Dat de beoordeling niet expliciet per criterium heeft plaatsgevonden maakt het bestreden besluit niet onzorgvuldig. Ook niet omdat aan deze criteria deels dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag liggen. De beroepsgrond slaagt niet.

13. Eiser voert aan dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem, zijn moeder en broer (betrokkenen). Niet in geschil is dat eiser met betrokkenen heeft samengewoond tot aan zijn vertrek naar Turkije. Ook is niet in geschil dat sprake is van een financiële afhankelijkheid tussen eiser en betrokkenen. Hiervan heeft eiser ook bewijsstukken overgelegd. Daarnaast is sprake van wederzijdse emotionele afhankelijkheid. Eiser heeft dit onderbouwd met screenshots van gesprekken en foto's van de leefomstandigheden na de aardbeving. Het argument van de minister dat eiser in het dagelijks leven nog normaal kan functioneren, is een te zware toets voor dit criterium. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 7 december 2018.8 Verder wijst eiser op de medische problemen van betrokkenen. Dat eiser of betrokkenen niks meer zouden kunnen ten gevolge van de gezondheid kan niet als vereiste worden gesteld. Eiser is van mening dat betrokkenen exclusief afhankelijk zijn van hem.

Eiser heeft betrokkenen ook in zijn nabijheid nodig. Daarbij komt dat de banden van eiser met Syrië niet of nauwelijks aanwezig zijn. De minister had dit in het voordeel van eiser moeten betrekken, gelet op WI 2020/16.

7 Zie ook werkinstructie 2020/16, richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.

14. Bij bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen, gaat het er vooral om of sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Het gaat dus niet alleen om de vraag of de relatie in emotioneel opzicht uitstijgt boven dat wat tussen volwassen familieleden gebruikelijk is.9 De minister moet een beoordeling maken van de vraag of bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Elementen zoals samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst kunnen bij de beoordeling hiervan relevant zijn. Het is aan de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard.

15. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de aangedragen feiten en omstandigheden, ook als deze in onderlinge samenhang worden gezien, niet leiden tot de conclusie dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft bij die beoordeling betrokken dat eiser tot zijn veertiende met zijn moeder heeft samengewoond en dat betrokkenen financieel afhankelijk zijn van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister mogen concluderen dat dit onvoldoende is om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en betrokkenen aan te nemen. De minister heeft namelijk ook terecht betrokken dat eiser langdurig niet meer met betrokkenen samenwoont. De financiële ondersteuning kan op afstand plaatsvinden en vanuit Nederland worden voortgezet.

Wat betreft de medische situatie heeft de minister weliswaar ten onrechte geoordeeld dat eiser de benodigde zorg voor zijn broer niet duidelijk heeft gemaakt, maar de constatering van de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn broer voor de nodige zorg niet terecht kan bij zijn moeder, blijft juist. Niet is gebleken dat de moeder niet in staat is de nodige zorg te bieden. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd. De minister heeft kunnen concluderen dat de gezondheidssituatie niet leidt tot een exclusieve afhankelijkheid tussen eiser en betrokkenen en dat niet is gebleken dat alleen eiser de zorg aan zijn broer zou kunnen verlenen. De bewijslast ter zake ligt bij eiser.

Ten aanzien van de banden met het land van herkomst heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat dit niet leidt tot een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Zoals de minstier in het eerdere besluit van 2 februari 2023 heeft overwogen, heeft eiser hiertoe geen bijzondere omstandigheden aangevoerd. Dit wordt niet in het nadeel van eiser meegewogen, zoals hij betoogt, maar hieruit blijkt echter niet dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid.

8 ECLI:NL:RBDHA:2018:14825, r.o. 5.2.2.

9 Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 3.

Ten aanzien van de emotionele afhankelijkheid tussen eiser en betrokkenen heeft de minister de conclusie kunnen trekken dat niet is gebleken van een zeer bijzondere emotionele band die het gebruikelijke overstijgt. Ook bij de beoordeling van het bestaan van een zeer bijzondere emotionele band heeft de minister mogen betrekken dat eiser jarenlang zonder betrokkenen heeft gewoond en dat niet is gebleken dat eiser en betrokkenen zonder elkaars aanwezigheid niet in staat zijn om zelfstandig te functioneren dan wel dat het functioneren van eiser of betrokkenen hierdoor sterk is achteruit gegaan. De verwijzing van eiser naar deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 7 december 2018, treft geen doel. De minister heeft alle onder 14 genoemde factoren gewogen. De rechtbank oordeelt daarom dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat er tussen eiser en betrokkenen geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn.

16. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat tussen eiser en betrokkenen geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit het vorenstaande volgt dat geen sprake is van een familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister is gelet hierop terecht niet toegekomen aan een belangenafweging.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

22 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. Fijnheer

Griffier

  • mr. M.A.W.M. Engels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?