[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: verzoeker)
(gemachtigde: mr. G. Ocak),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan op 7 juli 2025 bij de intrekking van zijn beroep tegen het bestreden besluit van verweerder van 25 maart 2025 waarin is besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw, en bij de intrekking van de verzoeken om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft de rechtbank op 21 juli 2025 meegedeeld dat hij zich verzet tegen een proceskostenveroordeling. Verweerder stelt dat eiser niet langer een procesbelang heeft bij de procedure, omdat eiser zelfstandig is vertrokken uit Nederland, waardoor eiser niet langer het beoogde doel – namelijk uitstel van vertrek om medische redenen – kan verkrijgen.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling in het beroep en in het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL24.40410 af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is uitgewerkt welke kosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
4. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is van tegemoetkomen alleen sprake als het bestuursorgaan een in het bestreden besluit genomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op een grond die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit inhoudt.
5. In het onderhavige geval heeft eiser verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Eiser is echter op 28 mei 2025 vrijwillig teruggekeerd naar Georgië. Omdat eiser zich niet meer in Nederland bevindt, kan hem geen uitstel van vertrek meer worden verleend. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser niet langer een procesbelang heeft bij de onderhavige procedures. Eiser heeft vervolgens het beroep en het verzoek zelf ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder dus niet tegemoetgekomen aan het beroep van eiser. De rechtbank en de voorzieningenrechter zien daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in het beroep en in het verzoek om een voorlopige voorziening.
6. Eiser heeft na het eerste verzoek om een voorlopige voorziening, ook een tweede verzoek om een voorlopige voorziening ingediend met zaaknummer NL25.14295. Nadat op het bezwaar is beslist werd dat eerste verzoek gelijkgesteld met een verzoek hangende beroep. Het was niet nodig om in beroep opnieuw de voorzieningenrechter te verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Nu eiser dit verzoek ook heeft ingetrokken, ziet de voorzieningenrechter ook in dit verzoek geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek om proceskostenveroordeling in het beroep af.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om proceskostenveroordeling in de voorlopige voorziening met zaaknummer NL24.40410 af;
- wijst het verzoek om proceskostenveroordeling in de voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.14295 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: