ECLI:NL:RBDHA:2025:25989

ECLI:NL:RBDHA:2025:25989, Rechtbank Den Haag, 24-12-2025, NL25.18934 en NL25.18935

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-12-2025
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer NL25.18934 en NL25.18935
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aanvraag: arbeid als zelfstandige. Artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit.

Uitspraak

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door de waarnemer van eiseres gemachtigde mr. E.S.O. Adomako en J.E. Hynd als tolk. Verweerder is, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Kameroense nationaliteit. Eiseres was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. Deze verblijfsvergunning was geldig van 1 december 2023 tot 1 december 2024. Op 28 november 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Volgens verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat met haar arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Volgens verweerder is onder andere het overgelegde ondernemingsplan inhoudelijk summier. Verder heeft eiseres onvoldoende ondernemerschapervaring en heeft zij niet voldaan aan de inkomenseis van het puntensysteem. Daarnaast beheerst eiseres ook de Nederlandse taal niet op B2-niveau. Eiseres heeft onvoldoende stukken overgelegd waardoor het voorleggen van haar aanvraag aan de minister van Economische Zaken en Klimaat (hierna: de minister van EZK) zinledig was. Tot slot stelt verweerder dat van horen in bezwaar kon worden afgezien.

Wat vindt eiseres in beroep?

4. Eiseres voert aan dat verweerder prematuur op de aanvraag heeft beslist, omdat zij nog aanvullende stukken wilde overleggen en haar om die reden een herstelverzuim had moeten worden geboden. Verweerder heeft ten onrechte de inkomenseis tegengeworpen nu eiseres in Nederland heeft gestudeerd en een zoekjaar heeft gehad, waardoor zij hier niet aan kon voldoen. Verweerder kan ook niet tegenwerpen dat ondernemingservaring vereist is, omdat deze in de praktijk tijdens het ondernemerschap wordt opgedaan. Eiseres heeft bovendien haar ondernemerschapservaring aangetoond. Zij is in het bezit van een Nederlands taalcertificaat en is voornemens het taalniveau B2 te behalen. Ten onrechte heeft verweerder haar aanvraag ter advisering niet voorgelegd aan de minister van EZK. Verder stelt eiseres dat zij ten onrechte niet is gehoord, waardoor zij geen volledig ondernemingsplan heeft kunnen overleggen.

Wat is het toetsingskader?

5. Aan een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend als daarmee een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Verweerder bepaalt of daar sprake van is en daarbij moet hij gebruik maken van een puntenstelsel. Het puntenstelsel omvat drie criteria:

Met de arbeid als zelfstandige is een wezenlijk Nederlands belang gediend indien aan de vreemdeling met toepassing van het puntenstelsel ten minste 30 punten worden toegekend voor elk van de drie criteria.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De beroepsgrond van eiseres, waarin zij stelt dat verweerder prematuur op de aanvraag heeft beslist, omdat zij nog nadere stukken zou kunnen overleggen en haar daarom een herstelverzuim had moeten worden geboden, slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het aan eiseres is om haar aanvraag met de nodige stukken te onderbouwen en aannemelijk te maken dat zij aan het vereiste van een onderneming met een wezenlijk Nederlands belang voldoet. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder van eiseres mag verwachten dat zij haar aanvraag onderbouwt volgens de vereisten die in het beleid zijn gesteld. Verweerder heeft er op mogen wijzen dat eiseres vanaf het moment van indiening van de aanvraag tot en met de bezwaarprocedure meerdere mogelijkheden heeft gehad om de ontbrekende documenten te overleggen, maar eiseres dit zelf heeft nagelaten. Zo is reeds in het aanvraagformulier vermeld welke bewijsstukken moeten worden toegevoegd om de aanvraag te onderbouwen. De stelling van eiseres dat zij niet in de gelegenheid is gesteld de relevante informatie aan te leveren volgt de rechtbank dan ook niet.

7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de onderbouwing van de aanvraag van eiseres op een aantal punten onvoldoende is. Verweerder heeft in de besluiten van 18 februari 2025 en 1 april 2025 duidelijk omschreven om welke punten het gaat. Kort gezegd gaat het om de onderbouwing van de persoonlijke ervaring, het ondernemingsplan en het innovatieve karakter van de onderneming. Ook tijdens de bezwaarprocedure heeft eiseres de ontbrekende onderbouwing niet overgelegd, waardoor er ook op dat moment geen verplichting ontstond om de aanvraag van eiseres door te zenden naar de minister van EZK. De door eiseres in beroep overgelegde aanvullende stukken maakt het oordeel van de rechtbank niet anders gelet op de ex tunc-toetsing in reguliere zaken. Bovendien is met die stukken nog niet de onderbouwing gegeven die nodig is.

8. Ten aanzien van het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar geldt dat verweerder daarvan kan afzien indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de gronden van bezwaar geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat een hoorzitting tot een ander standpunt zou kunnen leiden. Er zijn in bezwaar ook geen stukken overgelegd zodat op voorhand duidelijk was dat nog steeds niet aan de voorwaarden werd voldaan. Een hoorzitting had daarom niet tot een ander besluit kunnen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verweerder daarom ervan kunnen afzien eiseres te horen. 9.Tot slot heeft eiseres in de aanvullende gronden van beroep voor het eerst een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. Gelet op het feit dat eiseres in de aanvraag en in bezwaar niets heeft aangevoerd over privéleven, was verweerder niet gehouden om dit (ambtshalve) bij de besluitvorming te betrekken. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing in stand blijft.

11. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.

12. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri Shirazi, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N. Bagheri Shirazi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?