ECLI:NL:RBDHA:2025:26010

ECLI:NL:RBDHA:2025:26010, Rechtbank Den Haag, 12-12-2025, NL25.14720

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-12-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer NL25.14720
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Verblijfsvergunning regulier ‘arbeid als zelfstandige’, Turkije. Aanvraag van eiser is afgewezen omdat hij geen geldige machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) heeft en hij niet voldoet aan vrijstelling daarvan. De uitspraak gaat over de vraag of de herinvoering van het mvv-vereiste voor Turkse burgers om toegang te krijgen tot Nederland in strijd is met het Turkse Associatierecht. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet het geval is, omdat het mvv-vereiste een wettelijke grondslag heeft en gerechtvaardigd is. Er is namelijk een dwingende reden van algemeen belang voor het mvv-vereiste en het vereiste is geschikt voor de verwezenlijking van dat doel. Ook gaat het vereiste niet verder dan nodig is voor het bereiken van het doel. Verder oordeelt de rechtbank dat het mvv-vereiste niet discriminatoir is en dat eiser niet gehoord had hoeven worden. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

2. ECLI:NL:RBDHA:2024:12223.

3 ECLI:NL:RVS:2025:2935.

Is het mvv-vereiste gerechtvaardigd?

Dwingende reden van algemeen belang

Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat dwingende redenen van algemeen belang de herinvoering van het zelfstandige mvv-

vereiste rechtvaardigen. Deze herinvoering is namelijk primair gericht op de inburgeringstoets in het buitenland en niet op het voorkomen en tegengaan van illegaal verblijf of werken in Nederland. Eiser leidt dit af uit het tijdsverloop sinds het arrest Yön van het Hof.4 Bovendien levert de groep Turkse zelfstandigen geen ongecontroleerde migratie op en hebben zij geen motief om illegaal te verblijven op het Nederlandse grondgebied.

De rechtbank is van oordeel dat het voldoende duidelijk is dat de minister het effectief beheer van migratiestromen, als dwingende reden van algemeen belang heeft beoogd bij het opnieuw toepassen van het mvv-vereiste bij Turkse onderdanen die in Nederland arbeid als zelfstandige willen verrichten. Dit volgt namelijk uit de brief van de minister van 5 juli 2022 aan de Tweede Kamer5 en het WBV 2022/23. Ook volgt uit het Yön-arrest in punt 77 dat het efficiënte beheer van migratiestromen en het voorkomen van illegale binnenkomst en illegaal verblijf een dwingende reden van algemeen belang vormen. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang, gelegen in het effectief beheer van de migratiestromen. Dat de groep Turkse zelfstandigen geen ongecontroleerde migratie oplevert en geen motief heeft om illegaal te verblijven op het Nederlandse grondbied is door eiser niet verder onderbouwd. Bovendien zijn Turkse nieuwkomers die verblijf willen in Nederland om arbeid als zelfstandige te verrichten en voor dat verblijfsdoel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aanvragen, niet inburgeringsplichtig. Het verrichtten van arbeid als zelfstandige is namelijk een tijdelijk verblijfsdoel in de zin van de Wet inburgering 2021. De rechtbank verwijst hiervoor naar de Afdelingsuitspraak van

9 juli 20256, onder 5.1 en 5.2.

Geschiktheid van de maatregel

Eiser stelt verder dat de strikte toepassing van het mvv-vereiste het nut van de vrij verkeer-bepaling in het EG-verdrag ondermijnt, waardoor het voor potentiële Turkse zelfstandigen bijna onmogelijk wordt om in aanmerking te kunnen komen voor verblijfsrecht en het vrije verkeer onmogelijk wordt. Het is namelijk niet mogelijk om een eenmanszaak op te richten of om zich in te schrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK) vanuit het buitenland.

De rechtbank is van oordeel dat het mvv-vereiste geschikt is om het doel van de maatregel, het effectief beheer van migratiestromen, te bereiken. Door het invoeren van het mvv-vereiste kan voorafgaand aan de feitelijke binnenkomst van de Turkse onderdanen worden onderzocht of aan alle vereisten voor de toelating wordt voldaan en de rechtmatigheid van het verblijf worden gecontroleerd. Dit heeft het Hof in punt 79 van het arrest Yön geoordeeld. Zie hiervoor ook de Afdelingsuitspraak van 1 juli 2025, onder 8. Het argument dat het bijna onmogelijk is om aan de voorwaarden van het mvv-vereiste te voldoen omdat er geen eenmanszaak kan worden opgestart in het buitenland en een

4 Zie ECLI:EU:C:2018:632.

5 Kamerstukken II, 2021/2022, 32 824, nr. 366.

6 Zie ECLI:NL:RVS:2025:3171.

inschrijving van het KvK vanuit het buitenland niet kan, is relevant in het kader van de evenredigheid. Dat geldt eveneens voor de stelling dat het vrije verkeer van potentiële zelfstandigen onmogelijk wordt. De rechtbank behandelt deze argumenten daarom hierna onder 7.6 en verder.

Evenredigheid en noodzakelijkheid van de maatregel

Eiser vindt verder dat het mvv-vereiste onevenredig is voor het bereiken van de door de minister gestelde doelen, omdat de doelgroep niet aansluit op het probleem. Daartoe stelt eiser dat Turkse zelfstandigen geen significante groep vormen die een risico vormen voor ongecontroleerde migratiestromen, onrechtmatig blijf of integratieproblemen. Daarnaast zorgt het mvv-vereiste volgens eiser ook voor onevenredige beperkingen, omdat het generieke karakter ervan ook zelfstandigen treft die geen risico vormen. Hij stelt dat er minder ingrijpende alternatieven zijn die dezelfde doelen kunnen bereiken, zonder dat er sprake is van strijd met de rechten van Turkse zelfstandigen onder de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Het mvv-vereiste is daarmee disproportioneel en niet noodzakelijk.

De rechtbank overweegt dat artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 en paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 regelen dat een vreemdeling vrijstelling kan krijgen van het mvv-vereiste als de minister van oordeel is dat uitzetting in strijd is met het Associatierecht. Daarvoor is van belang dat de vreemdeling voldoet aan de overige voorwaarden van het verlenen van de verblijfsvergunning en dat er sprake moet zijn van bijzondere individuele omstandigheden die tot de conclusie leiden dat er sprake is van onevenredigheid. In het beleid van de minister ten aanzien van het mvv-vereiste voor Turkse zelfstandigen is er dus een evenredigheidstoets opgenomen. Op die manier heeft de minister dus voorzien in een mogelijkheid om een vreemdeling vrij te stellen van het mvv-vereiste als het niet redelijk zou zijn om van die vreemdeling te verwachten dat hij vanuit zijn land van herkomst een mvv zou moeten aanvragen. Vergelijk het Yön-arrest, punt 82. Verder is in paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 onder meer opgenomen dat het aan de vreemdeling is om de eventuele bijzondere individuele omstandigheden bij indiening van de aanvraag aan te voeren en met bewijsmiddelen te onderbouwen. Dat er volgens eiser alternatieven zijn om hetzelfde doel te bereiken, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu eiser dit niet heeft onderbouwd.

Eiser voert aan dat het onmogelijk is om vanuit het buitenland aan de documentatievereisten te voldoen, omdat stukken zoals de inschrijving bij de KvK, een Nederlandse bankrekening en een btw-nummer in Nederland moeten worden geregeld.

De rechtbank volgt dit betoog van eiser niet en verwijst hiervoor naar de Afdelingsuitspraak van 1 juli 2025, onder 9.2.1 en 9.2.2. Een Nederlandse bankrekening of een btw-nummer worden niet genoemd in bijlage 8aa, behoren bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV 2000, en paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000, als stukken die bij de aanvraag moeten worden overgelegd. Verder geldt dat de minister mag verlangen dat een vreemdelingen de in deze bepalingen genoemde stukken indient, voor zover hij daarover redelijkerwijs kan beschikken. Als een vreemdeling een steekhoudende verklaring heeft gegeven waarom hij over een bepaald stuk of bepaalde stukken niet de beschikking kan krijgen, en de minister de aanvraag desondanks niet voorlegt voor advies aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zal de minister dit moeten motiveren. Zie de uitspraak van

de Afdeling van 26 februari 20257, onder 5.1. Dit is in deze zaak niet het geval. Eiser heeft namelijk bij zijn aanvraag een uittreksel van de KvK van de inschrijving van zijn eenmanszaak overgelegd, en een ondernemingsplan. Een Nederlandse bankrekening en een btw-nummer worden in de eerder genoemde bepalingen niet genoemd als stukken die moeten worden overgelegd. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser zijn eenmanszaak heeft opgericht terwijl hij illegaal in Nederland verbleef. Hij had namelijk geen verblijfsrecht dat hem toestond arbeid in Nederland te verrichten. Het voorkomen van illegale arbeid is juist een van de dwingende redenen van algemeen belang waarom de minister het mvv-vereiste weer is gaan toepassen.

Verder heeft eiser aangevoerd dat wanneer iemand terug zou moeten naar Turkije om daar een mvv aan te vragen, deze persoon zal worden uitgeschreven uit de KvK. Bovendien zal deze persoon zijn ondernemingsplan niet kunnen onderbouwen, omdat de onderneming niet dan actief is. Daarvoor is ook inschrijving van in de KvK nodig, en een DigiD. Dat kan niet vanuit het buitenland worden geregeld.

Ook dit betoog volgt de rechtbank niet. De minister heeft terecht gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat de inschrijving bij de KvK wordt doorgehaald wanneer iemand zich buiten Nederland bevindt of dat dit bij terugkeer naar Turkije zal gebeuren. Dit geldt evenzo voor het overleggen van het ondernemingsplan. Bovendien heeft eiser bij zijn aanvraag een ondernemingsplan overgelegd. De stelling dat het vanuit Turkije onmogelijk is om zich in te schrijven bij de KvK behoeft geen verdere bespreking, aangezien de eenmanszaak van eiser al staat in geschreven bij de KvK. De andere in punt 7.4 genoemde stelling dat vrij verkeer feitelijk onmogelijk zal worden gemaakt door toepassing van het mvv-vereiste, is evenmin onderbouwd. Dat hij tijdens zijn verblijf in Nederland zonder mvv wel een KvK-uittreksel en ondernemingsplan heeft kunnen overleggen, benadrukt bovendien dat niet valt in te zien waarom het in zijn situatie onevenredig zou zijn om het mvv-vereiste toe te passen.

Ten aanzien van het nieuwe vereiste van bijzondere individuele omstandigheden stelt eiser zich verder op het standpunt dat dit geen aanvaardbare invulling van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 is. Het beleid is namelijk te stringent geformuleerd. Dat is volgens eiser in strijd met artikelen 12-14 van het Associatierecht. In dat kader verwijst eiser naar het Yön-arrest en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november 2024.8 Verder acht eiser het nieuwe vereiste in strijd met het transparantie- en rechtszekerheidbeginsel, omdat de eis zodanig vaag is geformuleerd dat het afhankelijk is van wat de minister als bijzonder en persoonlijk wil aanmerken.

Dit betoog leidt evenmin tot de conclusie dat het toepassen van het mvv-vereiste voor eiser onevenredig is. Zoals hiervoor uiteengezet wordt er in het beleid rekening gehouden met bijzondere individuele omstandigheden, als dergelijke omstandigheden worden aangevoerd. Eiser heeft bij de aanvraag en in bezwaar geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht, waarom het in zijn geval niet redelijk zou zijn om te verwachten dat hij in Turkije een mvv aanvraagt. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er in het geval van eiser geen sprake is van bijzondere individuele

7. ECLI:NL:RVS:2025:734.

8 Zie ECLI:NL:RBDHA:2024:18426.

omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het stellen van het mvv-vereiste voor hem onevenredig is. Dat er volgens eiser geen omstandigheden kunnen worden bedacht die kunnen leiden tot de vrijstelling van het mvv-vereiste, maakt niet dat de maatregel daarom onevenredig is. Eiser heeft verder niet nader onderbouwd dat het vereiste in strijd is met het transparantie- en rechtszekerheidsbeginsel. Ook slaagt het beroep op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2024 niet, nu de rechtbank niet toetst aan de juistheid van een uitspraak van een andere rechtbank. Daarvoor staat de weg van hoger beroep open.

Tussenconclusie artikel 41 van het Aanvullend Protocol

Uit het voorgaande volgt dat de herinvoering van het zelfstandige mvv-vereiste vanaf 1 oktober 2022 niet in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Er is namelijk een dwingende reden van algemeen belang aanwezig voor aanscherping van het mvv-vereiste. De maatregel is geschikt om de verwezenlijking van het doel, het effectief beheer van de migratiestromen te waarborgen, en het gaat niet verder dan nodig is voor het bereiken van dat doel. Zie hiervoor ook de Afdelingsuitspraken van 1 juli 2025, 9 juli 2025 en 4 september 2025.9

Is het mvv-vereiste discriminatoir?

8. Eiser voert voorts aan dat het besluit in strijd is met het discriminatieverbod op grond van nationaliteit in artikel 9 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije.

De rechtbank volgt dit betoog van eiser niet. Zij verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7.14 van deze uitspraak en de Afdelingsuitspraak van 1 juli 2025, onder

Omdat de maatregel gerechtvaardigd is, sluit dat uit dat de maatregel discriminatoir is. Er is daarom geen strijd met artikel 9 van de Associatieovereenkomst.

Had eiser moeten worden gehoord in bezwaar?

9. Tenslotte vindt eiser dat hij had moeten worden gehoord. In dat kader wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 7 maart 2023.10

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen in bezwaar mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.11 In deze zaak is er aan die maatstaf voldaan, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiser heeft in bezwaar namelijk geen bijzondere individuele feiten en omstandigheden naar voren gebracht.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Daardoor is er geen aanleiding voor veroordeling in de proceskosten.

9 Zie ECLI:NL:RVS:2025:4285.

10 Zie ECLI:NL:RBDHA:2023:4114.

11 Zie ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 4.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.

zaaknummer: NL25.14720

10

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

12 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.M. Dijksterhuis

Griffier

  • mr. M.M. Tank

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?