RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/9571 (beroep)
AWB 25/9573 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. A. van Driel)
en
(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 4 september 2024 een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van een GVVA. Deze aanvraag is door verweerder met het primaire besluit van 15 november 2024 afgewezen. Het door eiser daartegen ingestelde bezwaar is met het besluit van 11 april 2025 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 15 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 oktober 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Beide partijen hebben ook een deskundige meegebracht naar de zitting. Namens eiser is [deskundige 1] opgetreden als deskundige. Namens verweerder is van het UWV mr. [deskundige 2] verschenen. Tevens was aanwezig mw. [naam] van de zijde van de werkgever.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de aanvraag
Besluitvorming
3. Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is geboren op [datum] 1990. Hij heeft een aanvraag voor een mvv in het kader van een GVVA ingediend omdat hij in Nederland wil werken in de functie van assistent hoofd nacht productie bij [werkgever] . (hierna: werkgever). De broer van eiser werkt ook bij deze werkgever als hoofd nacht productie. De broer van eiser heeft dringend ondersteuning nodig bij deze werkzaamheden. Daarom is er door de werkgever een vacature opengezet voor de functie van assistent hoofd nacht productie.
4. De voorwaarden voor het verkrijgen van een mvv zijn hetzelfde als de voorwaarden voor de verlening van de GVVA. Om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor de verlening van de GVVA, heeft verweerder advies gevraagd aan het UWV. Het UWV heeft op 12 november 2024 een negatief advies uitgebracht. Dit negatieve advies steunt op het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en c en in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Volgens het UWV is er voldoende prioriteitgenietend aanbod aanwezig, heeft de werkgever geen (goede) vacaturemelding gedaan, heeft de werkgever onvoldoende gezocht naar kandidaten en heeft de werkgever irreële functie-eisen gesteld. Het UWV ziet, nu er voldoende prioriteitgenietend aanbod aanwezig is, geen reden om toepassing te geven aan artikel 10 van de Wav. Verweerder heeft dit advies gevolgd en heeft de aanvraag met het primaire besluit afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft verweerder het UWV nogmaals om advies gevraagd. Ook is er een ambtelijke hoorzitting geweest op 20 maart 2025. Op 7 april 2025 heeft het UWV geadviseerd om het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren. Het UWV heeft daaraan dezelfde redenen ten grondslag gelegd als in het eerdere advies. Verweerder heeft ook dit advies gevolgd en heeft het bezwaar van eiser met het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder werpt ook tegen dat eiser al in Nederland is en niet in het bezit is van een mvv, terwijl dat op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw, een van de voorwaarden is voor de GVVA en de mvv-aanvraag moet worden afgewacht in het land van herkomst of bestendig verblijf. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet onder één van de redenen voor vrijstelling van het mvv-vereiste valt en dat de hardheidsclausule ook niet van toepassing is. Omdat de aanvraag mede is afgewezen vanwege afwijzingsgronden uit artikel 8 van de Wav, die dwingendrechtelijk van aard zijn, is er geen ruimte meer voor een belangenafweging op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordelingskader
5. De voor eiser aangevraagde vergunning kan worden verleend als wordt voldaan aan artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Op grond van dit artikel kan de vergunning worden verleend als geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 16 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 8 en 9 van de Wav.
Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wav weigert de minister een gecombineerde vergunning:
a. indien voor de desbetreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is;
b. indien het een arbeidsplaats betreft waarvan de beschikbaarheid niet ten minste vijf weken voor het indienen van de aanvraag aan het UWV is gemeld;
c. indien de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd de arbeidsplaats door prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt te vervullen;
(…).
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wav kan de minister een gecombineerde vergunning weigeren:
(…)
f. indien door de werkgever anderszins belemmeringen zijn opgeworpen waardoor de arbeidsplaats niet overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde door aanbod op de arbeidsmarkt vervuld kon worden;
(…).
Op grond van artikel 10, eerste lid van de Wav kan de minister voorschriften verbinden aan een gecombineerde vergunning, die ertoe strekken:
(…)
Artikel 3:31, eerste lid, van het Vb en artikel 8 van de Wav zijn dwingend recht. Dat betekent dat er geen ruimte is om in een individueel geval van deze bepalingen af te wijken. Ook is één van de weigeringsgronden in artikel 8, eerste lid, van de Wav al voldoende om de vergunning te weigeren. De weigeringsgronden in artikel 9, eerste lid van de Wav zijn facultatief van aard.
Beleidsregels over dit wettelijk kader zijn opgenomen in de bijlage, die ook deel uitmaakt van deze uitspraak.
Een advies van het UWV over de vraag of er prioriteitgenietend aanbod is, is een deskundigenadvies aan verweerder voor de uitoefening van diens bevoegdheden. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet verweerder, indien hij een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Indien verweerder heeft voldaan aan de vergewisplicht kan een vreemdeling de uitkomst van een deskundigenadvies succesvol bestrijden door overlegging van een ander deskundigenadvies.
Heeft verweerder voldaan aan zijn vergewisplicht ten aanzien van een zorgvuldige totstandkoming?
6. Eiser voert aan dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door zijn adviseur, het UWV, onvoldoende kritisch te bevragen naar zijn standpunt over het door de heer [deskundige 1] opgestelde contra-expertiserapport. Ook voert hij aan dat verweerder en het UWV allebei ten onrechte geen overweging hebben gewijd en onvoldoende gewicht hebben toegekend aan het overgelegde advies van de Arboarts, over de situatie waarin de broer van eiser verkeert. Nu het bestreden besluit op het advies van het UWV is gebaseerd, is het bestreden besluit onzorgvuldig.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het UWV alle door eisers gemachtigde ingebrachte informatie betrokken heeft bij de totstandkoming van het advies.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het UWV in zijn meest recente advies van 7 april 2025 op pagina 2 stelt dat de inhoud van het dossier bij het advies betrokken is en dat op pagina 3 en 7 ook specifiek het rapport van de heer [deskundige 1] aangehaald wordt. Daarmee volgt de rechtbank dan ook het standpunt van verweerder ter zitting dat het UWV het rapport van de heer [deskundige 1] bij zijn advies betrokken heeft. Eiser heeft ook niet concreet gemaakt wat het UWV niet zou hebben betrokken. Daarnaast heeft het UWV zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij begrip heeft voor de situatie van de broer van eiser, maar dat dat niet de toets is die hij verricht in zijn advies. Het UWV heeft toegelicht dat het uitgangspunt bij het opstellen van het advies namelijk al is dat er iemand nodig is voor de functie. Daarna toetst hij aan de (dwingendrechtelijke) afwijzingsgronden uit artikel 8 en 9 van de Wav. Dat de broer van eiser hard ondersteuning nodig heeft, doet daarmee niet af aan de omstandigheid dat er afwijzingsgronden uit artikel 8 en 9 van de Wav van toepassing kunnen zijn. De rechtbank volgt deze motivering.
Verweerder heeft aldus met betrekking tot de zorgvuldigheid aan zijn vergewisplicht voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het advies ook naar inhoud inzichtelijk en concludent?
Prioriteitgenietend aanbod (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav)
7. Eiser voert aan dat er geen prioriteitgenietend aanbod beschikbaar is. Een geschikt persoon voor deze functie zonder dat diegene ervaring heeft in dit werkveld, dat is theoretisch misschien mogelijk, maar feitelijk zijn deze personen niet beschikbaar. De meeste werkzoekenden reageren alleen op deze vacature omdat ze daartoe verplicht zijn om hun uitkering te behouden.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er voldoende prioriteitgenietend aanbod beschikbaar is. Het UWV heeft overzichten overgelegd waaruit volgt dat voor functies van hoofd productie (landelijk) en productiemedewerker (Noord-Holland) voldoende prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. De stelling van eiser dat het aanbod feitelijk niet beschikbaar is, treft geen doel, nu uit artikel 8.1.a.1. van de RuWav 2022 volgt dat het UWV niet aan hoeft te tonen dat dit aanbod concreet voor de werkgever geschikt en beschikbaar is. De stelling van eiser ter zitting, dat verweerder dit werk ten onrechte ziet als laagopgeleid werk, treft ook geen doel. In de vacaturetekst zijn immers ook geen opleidingseisen opgenomen.
Vacaturemelding (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav)
8. Eiser voert aan dat ten onrechte is tegengeworpen dat de werkgever de vacature voor de functie van assistent hoofd nacht productie niet minstens vijf weken vóór de datum van de GVVA-aanvraag zou hebben gemeld bij het UWV. De vacature is op 24 juli 2024 aangemeld bij werk.nl, dat is bevestigd door het UWV. Het UWV stelt ook dat eiser de functie niet op tijd heeft gemeld bij het werkgeversservicepunt (WSP), maar dat hoeft niet altijd als de functie ook al op werk.nl aangemeld is. Daarnaast blijkt uit de overgelegde brief van 3 september 2024 dat WSP Zuid-Kennemerland al wel op de hoogte was.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de werkgever, hoewel deels wel tijdig, geen goede vacaturemelding heeft gedaan. Uit artikel 3 van de UWV Beleidsregels uitvoering Wav 2018 volgt dat de verplichte vacaturemelding kan plaatsvinden door middel van melding van de vacature op werk.nl of door middel van een melding van de vacature bij een WSP van het UWV. Verweerder heeft zich, in navolging van het UWV, terecht op het standpunt gesteld dat, hoewel de vacature tijdig gemeld is op werk.nl, de werkgever niet heeft aangetoond welke zoekacties zijn ondernomen in de werkzoekendenbestanden, terwijl dit wel vereist is op grond van artikel 3 van UWV Beleidsregels uitvoering Wav 2018. Ook heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de vacaturemelding bij het WSP op 18 oktober 2024 niet tijdig is, omdat deze niet tenminste 5 weken vóór de aanvraag is gedaan. De stelling van eiser dat uit de overgelegde brief van 3 september 2024 blijkt dat het WSP Zuid-Kennemerland al wel op de hoogte was, kan de rechtbank niet volgen, nu het niet duidelijk is op welke brief in het dossier eiser doelt en hij daarnaast ook niet heeft onderbouwd dat er hiermee wel sprake is van een tijdige vacaturemelding bij het WSP.
Voldoende inspanningen (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav)
9. Eiser voert aan dat de werkgever voldoende, op de juiste manier en met inschakeling van de daarvoor volgens het UWV aangewezen kanalen en instanties inspanningen heeft verricht om kandidaten te vinden waarmee de arbeidsplaats kan worden vervuld. Eiser heeft een overzicht bijgevoegd van de door de werkgever verrichte wervingsinspanningen.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de werkgever onvoldoende heeft gezocht naar kandidaten, omdat van de werkgever wordt verwacht dat hij alle mogelijkheden benut om voldoende personeel te vinden binnen Nederland, de EU/EER en Zwitserland, en hij dat, blijkens de UWV-adviezen, niet gedaan heeft. In het eerste UWV-advies van 12 november 2024 is al benadrukt dat de werkgever niet alle mogelijkheden heeft benut om voldoende personeel te vinden binnen Nederland, de EU/EER en Zwitserland. Het UWV benoemt hierbij ook specifiek de mogelijkheden die de werkgever nog had kunnen benutten. In het tweede UWV-advies van 7 april 2025 is het UWV uitgebreider ingegaan op wat de werkgever aan de wervingsinspanningen al gedaan heeft en waarom dat onvoldoende is. Het UWV stelt dat werkgever weliswaar gebruik gemaakt heeft van enkele kanalen (Indeed, Nationale Vacaturebank en Zebra Uitzendbureau) maar dat de vacaturetekst van Indeed niet is overgelegd zodat niet kan worden geverifieerd met welke tekst is gezocht. Ook blijkt uit de overgelegde mail van XYTO Media dat de advertentie niet in de drie maanden vóór het indienen van de aanvraag is geplaatst. Verder heeft het UWV in zijn advies benoemd dat de werkgever niet via EURES heeft geworven. Eiser heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat er wel via EURES is geworven, maar heeft geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt. De rechtbank acht daarbij tot slot nog van belang dat eind september 2024 pas stukken zijn overgelegd van de wervingsinspanningen, terwijl dat op grond van artikel 8.1.c. van de RuWav 2022 al bij de aanvraag had gemoeten. En daarbij zijn deze inspanningen grotendeels niet van data voorzien, zodat ook niet kan worden vastgesteld dat ze zien op de periode voorafgaande aan de aanvraag. Verweerder heeft dus kunnen tegenwerpen dat de werkgever onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht.
Irreële functie-eisen (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wav)
10. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de werkgever een kandidaat voor de functie zou kunnen vinden zonder enige ervaring in een leidinggevende functie. Het is een gecombineerde functie, juist daarom worden die twee maanden ervaring gevraagd. Eiser verwijst ook naar de hoorzitting. Daar is ook nog toegelicht dat de eis van twee maanden werkervaring door de werkgever bij de vacature is opgenomen omdat er anders vooral mensen reageren om ervoor te zorgen dat hun uitkering kan blijven bestaan.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt, dat de werkgever irreële functie-eisen heeft gesteld in de geplaatste vacature op werk.nl. Volgens het UWV advies beperkt de werkgever zijn wervings-en selectiegebied tot een selecte groep werkzoekenden die beschikt over 2 maanden werkervaring in een productiebedrijf. Ter zitting heeft het UWV hieraan toegevoegd dat er in de vacature zelf geen opleidingseisen worden genoemd, waardoor het irreëel is om wel twee maanden werkervaring te vragen. Ook motiveert het UWV in zijn advies dat de functienaam ‘assistent hoofd nacht productie’ een combinatiefunctie is, omdat meerdere functies zijn samengevoegd tot één functie en hij daardoor een groot deel van het beschikbare aanbod uitsluit. De stelling van eiser dat de eis van twee maanden werkervaring wordt gesteld omdat er anders veel mensen reageren die dat alleen doen om ervoor te zorgen dat hun uitkering kan blijven bestaan, maakt dit niet anders. Immers, dit doet niet af aan het feit dat de werkgever daarmee een grote groep op voorhand uitsluit voor de functie, waar ook mensen tussen zouden kunnen zitten die niet alleen reageren om hun uitkering te behouden. De stelling van eiser ter zitting dat hij alle taken die gevraagd worden voor de functie kan en zal gaan doen, doet verder ook niet af aan het feit dat het irreëel is om in één functie meerdere ‘functies’ samen te pakken en de werkgever ook daardoor een groot deel van het beschikbare aanbod uitsluit.
Vergunning onder voorwaarden (artikel 10, eerste lid, van de Wav)
11. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft willen geven aan artikel 10 van de Wav, waarin de bevoegdheid is opgenomen om een vergunning te verlenen onder voorschriften. Eiser verwijst hierbij naar paragraaf 43 van de RuWav 2014. Nu de werkgever heel veel wervingsinspanningen heeft verricht, had verweerder aanleiding moeten zien om deze bevoegdheid te gebruiken. Ter zitting heeft eiser zich ook nog op het standpunt gesteld dat uit de Memorie van Toelichting (MvT) van de wijziging van de Wav in 2020/2021 volgt dat er mogelijkheden zijn om een GVVA te verlenen, ondanks dat er onvoldoende wervingsinspanningen zijn verricht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav. Er zijn daarin toezeggingen van de minister gedaan dat, als er van alles gedaan is door de werkgever, het beleid minder streng wordt toegepast. Hierom had verweerder toepassing moeten geven aan zijn bevoegdheid uit artikel 10 van de Wav.
De rechtbank overweegt als volgt. Het UWV heeft ter zitting en in het advies toegelicht dat op grond van artikel 10 van de Wav aan een GVVA voorschriften kunnen worden verbonden, die de werkgever verplichten inspanningen te verrichten gericht op het vervullen van de arbeidsplaatsen met prioriteitgenietend aanbod of het wegnemen van gebreken. Dit ziet volgens het UWV op uitzonderlijke gevallen waarin het prioriteitgenietend aanbod weliswaar aanwezig is, maar in slechts zo’n beperkte mate dat de arbeidsmarkt geen reële mogelijkheden biedt om de vacature binnen een redelijke termijn met prioriteitgenietend aanbod te vervullen. Nu de rechtbank onder 7.1 al overwogen heeft dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voldoende prioriteitgenietend aanbod beschikbaar is, heeft verweerder zich ook op het standpunt kunnen stellen dat er daarom geen aanleiding is om toepassing te geven aan de bevoegdheid om een vergunning onder voorschriften te verlenen. Eiser verwijst verder in dit kader naar de RuWav van 2014, maar verweerder heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat deze niet meer geldig is en is vervangen door de RuWav van 2022, waarin een soortgelijk artikel niet opgenomen is. De verwijzing van eiser naar de MvT treft geen doel. De rechtbank trekt niet dezelfde conclusies uit de toelichting als eiser. De rechtbank leest namelijk in de MvT dat het mogelijk is om een GVVA te verlenen terwijl er niet voldoende wervingsinspanningen zijn verricht, maar dat dit nog steeds om incidentele gevallen zal gaan, als er bijvoorbeeld sprake is van een heel krappe arbeidsmarkt. Daarbij is ook niet specifiek genoemd dat het dan zou gaan om een vergunning onder voorschriften, als bedoeld in artikel 10 van de Wav. Daarom heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er geen toepassing wordt gegeven de bevoegdheid om een vergunning onder voorschriften te verlenen.
12. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder het advies van het UWV aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen nu het naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Verweerder heeft daarmee aan zijn vergewisplicht voldaan. Ook blijkt uit het voorgaande dat eiser met het advies van [deskundige 1] het UWV-advies niet of onvoldoende heeft bestreden.
4:84 Awb en het evenredigheidsbeginsel
13. Eiser voert aan dat verweerder een belangenafweging had moeten maken, en op grond daarvan af had moeten zien van toepassing van de beleidsregels, omdat de afwijzing onevenredig hard is voor eiser en de werkgever.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat, nu de afwijzingsgronden uit artikel 8 van de Wav dwingendrechtelijk van aard zijn, er geen ruimte is om van de beleidsregels over deze wetsartikelen af te wijken op grond van het evenredigheidsbeginsel. Dit is anders voor artikel 9 van de Wav, maar nu het besluit al kan worden gebaseerd op artikel 8 van de Wav, laat de rechtbank dit verder buiten beschouwing.
Mvv-vereiste
14. Eiser voert aan dat hij vrijstelling zou moeten krijgen van het mvv-vereiste. Het is in verband met de omstandigheden noodzakelijk dat het hoofd nacht productie op korte termijn ontlast wordt.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat de broer van eiser graag op korte termijn ondersteuning zou willen hebben bij zijn functie als hoofd nacht productie, is zij van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit geen omstandigheid is op grond waarvan hij toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule van artikel 3.71, derde lid, van het Vb en paragraaf B1/4.1. van de Vc. Verweerder heeft een mvv van eiser kunnen verlangen.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen.
Nu de rechtbank uitspraak doet over eisers beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank,
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter,
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
BIJLAGE
Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022
Artikel 8.1.a.1. Prioriteitgenietend aanbod
Een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning wordt geweigerd als voor de desbetreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. Of er voldoende prioriteitgenietend aanbod aanwezig is, blijkt in eerste instantie uit de bestanden van het UWV zelf. Daarnaast zal het UWV ook andere beschikbare informatie gebruiken zoals van Gemeenten, EURES, het Europese netwerk van arbeidsbureaus waarin gegevens over werkzoekenden op de Europese arbeidsmarkt wordt uitgewisseld of van bijvoorbeeld informatie van (internationale) uitzend- en detacheringsbureaus. Ook niet vergunningplichtige vreemdelingen in Nederland en uit de overige EER-landen en Zwitserland behoren tot het prioriteitgenietend aanbod. Het prioriteitgenietend aanbod is immers het aanbod van de zijde van Nederlanders en vreemdelingen, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, en 4, eerste lid, van de Wav. Bij de aanvraag wordt nagegaan of deze weigeringsgrond van toepassing is. Daarbij wordt niet alleen naar de aanwezigheid in de eigen vestigingsplaats of regio van de werkgever gekeken, maar ook naar de aanwezigheid in andere regio’s binnen Nederland en binnen de EER en Zwitserland. Toetsen aan het prioriteitgenietend aanbod betekent niet dat het UWV moet aantonen dat dit aanbod concreet voor de werkgever geschikt en beschikbaar is. Het is aan de werkgever om zelf actief dit aanbod te werven en te benaderen. Er is ook sprake van prioriteitgenietend aanbod indien werkzoekenden pas na een inwerkperiode of na enige scholing aan de functie-eisen kunnen voldoen
Artikel 8.1.b. Vacaturemelding
Op grond van het eerste lid, onderdeel b wordt een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning geweigerd als het een arbeidsplaats betreft waarvan niet ten minste vijf weken voor het indienen van de aanvraag aan het UWV is gemeld dat deze beschikbaar is voor vervulling. Daarnaast wordt een vacaturemelding van ouder dan drie maanden in de regel niet aanvaard als een tijdige melding omdat het aanbod op de arbeidsmarkt kan fluctueren. De UWV beleidsregels uitvoering Wav 2018 geven aan hoe en waar de vacature moet worden gemeld.
Artikel 8.1.c. Voldoende inspanningen
Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef, onderdeel c, van de Wav wordt een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning afgewezen, als de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd om prioriteitgenietend aanbod te werven. Van de werkgever wordt verwacht dat hij alle mogelijkheden benut om aan voldoende niet-vergunningsplichtig personeel te komen. De werkgever zal onder meer in verschillende media de vacature bekend moeten maken. Dit is afhankelijk van hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is, afhankelijk van de aard van de functie en de duur van de werkzaamheden. Verder kan hierbij gedacht worden aan het benaderen door de werkgever van (internationale) uitzend- en detacheringsbureaus en bureaus voor werving en selectie om te zorgen dat de vacature wordt vervuld met prioriteit genietend aanbod.
Als de werkgever geen wervingsinspanningen via het EURES-systeem in andere landen van de EER of Zwitserland heeft verricht, of vergelijkbare inspanningen heeft gedaan om binnen de EER of Zwitserland arbeidskrachten te werven, wordt een tewerkstellingsvergunning op grond van dit artikel geweigerd.
De werkgever toont bij de aanvraag bij het UWV zijn wervingsinspanningen aan en doet verslag van de resultaten van de werving. Het UWV kan deze informatie verifiëren. Wervingsinspanningen dienen in de periode voorafgaand aan het indienen van de aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning te hebben plaatsgevonden.
Indien in het verleden is gebleken dat het vervullen van een vacature moeilijk was maar aanbod wel aanwezig wordt geacht, klemt het des te meer dat van een werkgever mag worden verwacht dat hij juist in een dergelijke situatie in de regel gedurende ten minste 3 maanden voorafgaand aan het indienen van de aanvraag alle mogelijkheden benut om aan voldoende personeel te komen.
Daarbij kan naast het inzetten van voldoende en de juiste wervingskanalen ook gedacht worden aan het aanbieden van mogelijkheden tot opleiding en het bieden van aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden.
Er is in ieder geval sprake van onvoldoende inspanningen als een werkgever zonder ernstige redenen niet of niet volledig deelneemt aan gezamenlijke of door het UWV georganiseerde wervings- of scholingsprojecten in zijn branche gericht op het bevorderen van de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod.
Indien er sprake is van aanneming van werk, waaronder de overeenkomst om een opdracht te verrichten, waarbij bedrijven met vreemdelingen in dienst een opdracht uitvoeren, zal de opdrachtgever dienen aan te tonen dat er in Nederland/de EER en Zwitserland geen bedrijven zijn die op marktconforme wijze met prioriteitgenietend aanbod de opdracht zouden kunnen uitvoeren.
UWV Beleidsregels uitvoering Wav 2018
3. Vacaturemelding bij UWV
De verplichte vacaturemelding ingevolge artikel 8 eerste lid, onder b, van de Wav kan plaatsvinden door middel van melding van de vacature bij een Werkgeversservicepunt (WSP) van UWV of door middel van melding van de vacature op www.werk.nl. Bij de aanvraag van de tewerkstellingsvergunning of de aanvraag van de gecombineerde vergunning dient de werkgever aan te tonen dat en op welke wijze hij de vacature bij UWV heeft gemeld. Indien hij de vacature zelf op www.werk.nl heeft geplaatst dient hij dit aan te tonen door het overleggen van bewijsstukken van de plaatsing van zijn vacature en dient hij zelf inzage te geven op welke wijze hij naar kandidaten heeft gezocht. De werkgever kan daarom bij de aanvraag gevraagd worden inzage te geven in de selecties van werkzoekenden die hij heeft onderzocht op geschiktheid en beschikbaarheid, welke werkzoekenden hij heeft benaderd en waarom dit niet heeft geleid tot vacaturevervulling.
(…)
Gelet op de fluctuering van het ingeschreven aanbod bij UWV worden vacaturemeldingen van langer dan drie maanden vóór het indienen van een aanvraag niet in de beoordeling betrokken.