ECLI:NL:RBDHA:2025:26015

ECLI:NL:RBDHA:2025:26015, Rechtbank Den Haag, 15-12-2025, NL24.44121

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-12-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer NL24.44121
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Herhaalde asielaanvraag welke niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a lid 1 sub d Vw. Eiseres en haar twee minderjarige dochters hebben de Syrische nationaliteit maar hebben een asielstatus in Cyprus. De minister oordeelt in deze procedure terecht dat eiseres geen nieuwe en relevante feiten en/of bevindingen heeft aangedragen ten opzichte van de vorige procedure. De minister kan nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Cyprus, en dus kan de niet-ontvankelijkheidsverklaring in stand blijven. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres

Samenvatting

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44121

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en haar minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 en [geboortedatum 2] 2019, V-nummers: [V-nummer 2] en [V-nummer 2] , (gemachtigde: mr. W.C. Boelens),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Procesverloop

3. Bij besluit van 11 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

4. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, NL25.44122, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Sharo als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiseres is van Syrische nationaliteit en geboren op [geboortedatum 3] 1996. In 2013 is zij vanuit Syrië naar Cyprus gevlucht. Daar heeft zij op 20 juli 2015 internationale bescherming gekregen. Die bescherming geldt ook voor haar twee minderjarige dochters, die in Cyprus zijn geboren. In 2023 is eiseres samen met haar dochters naar Nederland vertrokken, omdat zij te maken had met mishandelingen door haar ex-man. Als gevolg daarvan heeft eiseres op 26 mei 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Deze aanvraag is door de minister op 12 juni 2023 afgewezen als niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat eiseres in Cyprus internationale bescherming geniet. De rechtbank heeft het beroep dat hiertegen is ingesteld ongegrond verklaard en in hoger beroep is dit bevestigd.

6. Op 1 september 2025 heeft eiseres een nieuwe asielaanvraag ingediend. Zij heeft tijdens de aanvraag drie omstandigheden aangevoerd waaruit volgens haar blijkt dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die afwijken van de vorige procedure. Daarom vindt zij dat deze aanvraag inhoudelijk moet worden behandeld. De minister heeft ook deze nieuwe aanvraag afgewezen als niet-ontvankelijk, ditmaal op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, omdat volgens de minister geen sprake is van nieuwe relevante elementen of bevindingen ten opzichte van de vorige procedure. Daartoe overweegt de minister dat niet is gebleken dat de internationale bescherming van eiseres en haar dochters is ingetrokken, waardoor zij daar nog steeds van bescherming kunnen genieten. Verder heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten in Cyprus haar geen bescherming of hulp willen of kunnen bieden en dat de nationale mogelijkheden zonder succes zijn gebruikt. Daardoor kan er nog steeds worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres krijgt een terugkeerbesluit opgelegd naar Cyprus.

7. Bij haar aanvraag heeft eiseres documenten en een toelichting overgelegd waaruit drie omstandigheden naar voren komen die moeten worden aangemerkt als nieuw en relevant ten opzichte van haar vorige procedure. Zij heeft deze omstandigheden tweemaal verder toegelicht tijdens het beroep. Ten eerste voert zij aan dat de Cypriotische verblijfsvergunning van haar en haar dochters is verlopen, waardoor er niet met zekerheid kan worden gesteld dat eiseres en haar dochters bij terugkeer naar Cyprus bescherming zullen krijgen. Ten tweede, en daarop voortbordurend, stelt eiseres dat zij en haar dochters bij terugkeer naar Cyprus in een toestand van materiële deprivatie terecht zullen komen. Zij verwijst hiervoor naar de documenten en toelichting die zijn gegeven bij haar aanvraag. Volgens eiseres blijkt daaruit dat zij problemen zullen krijgen bij het verkrijgen van huisvesting en sociale voorzieningen, nu hun verblijfsvergunningen zijn verlopen. Ten derde wijst eiseres op de omstandigheid dat zij haar dochters heeft onttrokken aan het gezag van haar ex-man. Daardoor hangt haar een arrestatiebevel boven het hoofd, nu haar ex-man aangifte in Cyprus heeft gedaan. In de vorige procedure is hiermee geen rekening gehouden, omdat er toen vanuit is gegaan dat eiseres eenhoofdig gezag had. Bij terugkeer zal dit betekenen dat zij zal worden opgepakt. Haar dochters zullen dan in de handen van haar ex- man belanden. Zij verwijst hiervoor naar een verzoekschrift dat haar ex-man heeft ingediend bij een Zweedse rechtbank, in de veronderstelling dat eiseres en haar dochters daar zouden verblijven. Eiseres voert aan dat het niet in het belang van haar dochters is om bij hun vader te verblijven, mede gelet op de mishandelingen die ook zij hebben meegemaakt. Zowel in de

onderhavige als vorige procedure zijn deze belangen niet meegewogen. Zij wijst daarbij ook op het Verdrag van Istanboel. Verder wijst eiseres erop dat zij en haar dochters nooit zijn gehoord, terwijl de overgelegde stukken en toelichtingen bij haar aanvraag daartoe wel aanleiding geven.

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd ten opzichte van haar eerste asielaanvraag. In die eerdere procedure is vastgesteld dat de minister bij de beoordeling van haar situatie uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Cyprus. Omdat eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen in deze procedure heeft aangedragen, mag de minister zich in deze procedure opnieuw van datzelfde vertrouwensbeginsel uitgaan. Hieronder licht de rechtbank toe hoe zij tot dit oordeel komt.

9. Ten aanzien van eiseres haar stelling dat haar en haar dochters verblijfsvergunningen zijn verlopen, stelt de rechtbank vast dat ter zitting is besproken dat uit de brief van de Cypriotische autoriteiten van 2 april 2025 blijkt dat de internationale bescherming van eiseres en haar dochters nog geldig is. Daarom staat dit punt niet meer ter discussie bij partijen. Wel stelt eiseres dat uit de stukken blijkt dat de passen van haar en haar dochters zijn verlopen. De minister heeft ter zitting echter terecht gesteld dat het enkele verloop van passen onvoldoende is om te stellen dat zij en haar dochters geen bescherming meer kunnen verkrijgen van de Cypriotische autoriteiten. Dit volgt namelijk niet uit de brief van 2 april 2025 en is verder ook niet op enigerlei wijze door eiseres aannemelijk gemaakt.1 Omdat er tijdens de vorige procedure ook is uitgegaan van het feit dat eiseres en haar dochters internationale bescherming in Cyprus genieten, kan de in deze procedure aangevoerde grond daarover niet worden aangemerkt als nieuw en relevant, en slaagt daarom niet.

10. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres en haar dochters zich bij terugkeer naar Cyprus kunnen wenden tot de bevoegde autoriteiten als zij problemen ondervinden bij het verkrijgen van huisvesting en sociale voorzieningen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de overgelegde documenten en toelichting waar eiseres zich op beroept over de situatie bij terugkeer – het risico op materiële deprivatie – in wezen niet anders zijn dan hetgeen zij in de eerdere procedure heeft aangevoerd. In die procedure is reeds vast komen te staan dat de minister in eiseres haar situatie uit mocht gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Cyprus. Dat de passen van eiseres en haar dochters zijn verlopen, maakt dit niet anders. Bovendien heeft de minister terecht gesteld dat uit het feit dat eiseres en haar dochters internationale bescherming genieten blijkt dat de Cypriotische autoriteiten bereid zijn hen bescherming te bieden. Er is immers niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten dit, ondanks de status van eiseres en haar dochters, niet zouden kunnen of willen, waarmee het beroep op het terechtkomen in een toestand van materiële deprivatie bij terugkeer ook niet slaagt.

11. Ten aanzien van de stelling dat eiseres haar dochters heeft onttrokken aan het gezag van haar ex-man, overweegt de rechtbank dat deze omstandigheid niet kan worden aangemerkt als een nieuw element of nieuwe bevinding ten opzichte van de vorige procedure. Eiseres heeft tijdens de aanvraag van onderhavige procedure gewezen op een uitspraak van de Cypriotische familierechtbank van april 2021. Uit die uitspraak blijkt dat

1. Zie: ECLI:NL:RVS:2023:1179.

eiseres en haar ex-man tot een overeenkomst zijn gekomen over de zorg van hun dochters. Daaruit volgt dat eiseres in ieder geval op het moment dat zij Cyprus in 2023 verliet, wist dat zij en haar ex-man gezamenlijke het gezag hadden. De rechtbank heeft eiseres hierover tijdens de zitting bevraagd, waarna zij bevestigde dat zij hiervan op de hoogte was. Daarmee heeft zij haar dochters bewust onttrokken aan het gezag van de vader door ze mee te nemen naar Nederland zonder de vader hiervan op de hoogte te stellen. Dat deze situatie mogelijk gevolgen kan hebben bij terugkeer naar Cyprus, staat op zichzelf. Ook ten aanzien van dit punt mocht de minister immers uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer geen eerlijk proces zou kunnen krijgen of dat zij, anders dan zij stelt, in een kwetsbare positie zou komen ten aanzien van haar elementaire levensbehoeften. Uit niets blijkt dat zij zich niet zou kunnen wenden tot de autoriteiten over de redenen van haar vertrek uit Cyprus. Uit de overgelegde stukken blijkt juist dat eiseres in het verleden wel bescherming heeft gekregen in het kader van de door haar gestelde mishandelingen door haar ex-echtgenoot. De minister heeft ter zitting terecht gesteld dat de redenen van vertrek in een procedure in Cyprus besproken zullen moeten worden, evenals de belangen van de kinderen en de toepassing van het Verdrag van Istanboel. De rechtbank is met de minister van oordeel dat een procedure zoals onderhavige daarvoor niet bedoeld is. Verder is er geen aanwijzing dat eiseres geen procedure in Cyprus zou kunnen opstarten.

12. Gezien het voorgaande heeft de minister de herhaalde asielaanvraag van eiseres terecht afgewezen als niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid en onder d, van de Vw. Daardoor heeft de minister ook mogen afzien van het horen van eiseres en haar kinderen. Dit volgt uit paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft terecht tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de herhaalde asielaanvraag kunnen komen. Daardoor kan het bestreden besluit in stand blijven. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

15 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.E.A. Braeken

Griffier

  • mr. M.M. Tank

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?