ECLI:NL:RBDHA:2025:26020

ECLI:NL:RBDHA:2025:26020, Rechtbank Den Haag, 18-12-2025, NL25.18405

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-12-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer NL25.18405
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Asielaanvraag, beroep gegrond, Ethiopië, rekrutering, ontsnapping uit militair trainingskamp, betrokkenheid vader en opa bij Fano-beweging, onvoldoende gemotiveerd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.18405

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),

en

(gemachtigde: [persoon A] ).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

Eiser heeft op 28 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend (asielaanvraag). Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 15 april 2025 afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en D. Hailemarium als tolk. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door eiser in beroep overgelegde documenten. Verweerder heeft hier 6 november 2025 op gereageerd. Eiser heeft vervolgens op 7 november 2025 een nadere reactie ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek met toestemming van partijen zonder nadere zitting op 17 november 2025 gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Het asielrelaas

2. Eiser stelt van Ethiopische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. Hij legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser komt uit Debre Berhan in de regio Amhara. Sinds 2021 vindt daar een oorlog plaats waarbij de overheid jongeren oppakt en gedwongen rekruteert. Eiser is in oktober 2022 tweemaal aangehouden. De eerste keer werd eiser meegenomen naar het politiebureau, maar is hij na een ondervraging weer vrijgelaten. Doordat eiser nu bekend was bij de politie is hij een week later nogmaals aangehouden en naar een militair kamp overgebracht. Na ongeveer twee maanden is eiser met een aantal andere jongeren uit het kamp ontsnapt. Na zijn ontsnapping zijn er foto’s verspreid waarop eiser wordt neergezet als gevaarlijke soldaat die gedeserteerd is. Bij terugkeer vreest eiser dat hij wordt opgepakt omdat hij is ontsnapt uit het militaire kamp. Daarnaast zijn eisers vader en opa betrokken bij de Fano-beweging. Volgens eiser loopt hij bij terugkeer gevaar om opgepakt te worden omdat de Ethiopische overheid denkt dat eiser zich net als zijn vader en opa ook bij de Fano-beweging zal aansluiten, of omdat hij als pressiemiddel tegen zijn vader kan worden gebruikt.

Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst

2. Problemen vanwege militaire training

3. Betrokkenheid van opa en vader bij de Fano-beweging.

Verweerder heeft alleen het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. Het tweede en derde motief wordt door verweerder niet geloofwaardig geacht omdat eisers verklaringen over deze motieven geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen in de zin van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Daartoe merkt verweerder allereerst op dat het niet met elkaar rijmt dat eiser bij zijn eerste aanhouding weer is vrijgelaten, om vervolgens bij zijn tweede aanhouding pas naar het militaire kamp te worden gestuurd. Daarnaast kan eiser niet verklaren hoeveel mensen er in het militaire kamp werden vastgehouden, en wordt hem tegengeworpen dat hij bij zijn ontsnapping uit het kamp geen eten, drinken en kleren heeft meegenomen. Ook kan eiser niet uitgebreid verklaren over de Fano-beweging, terwijl hij hier wel mee zou zijn opgegroeid. Tot slot stelt verweerder dat als de autoriteiten eiser hadden willen gebruiken als pressiemiddel tegen zijn vader, of eiser hadden willen oppakken vanwege zijn betrokkenheid bij de Fano-beweging, zij dit al hadden gedaan bij de eerdere aanhoudingen.

Het eerste geloofwaardig geachte asielmotief leidt volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Ook ziet verweerder geen aanleiding om een reguliere vergunning op humanitaire gronden, uitstel van vertrek om medische redenen, of een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid te verlenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het tweede asielmotief: problemen vanwege militaire training

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het tweede asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. In dit kader voert eiser aan dat het logisch is dat hij bij zijn eerste aanhouding is vrijgelaten omdat vooral ontheemde jongeren zonder identificerende documenten in Debre Berhan worden gerekruteerd, en de autoriteiten vanwege het ontbreken van een centraal registratiesysteem eerst moesten verifiëren of eiser stond geregistreerd. Daarnaast wordt hem ten onrechte tegengeworpen dat hij geen schatting kan geven van het aantal personen dat op het trainingskamp verbleef. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser wordt tegengeworpen dat hij geen eten, drinken of extra kleding heeft meegenomen tijdens zijn ontsnapping. Dit is volgens eiser geen goede reden om de ontsnapping ongeloofwaardig te achten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers problemen vanwege de militaire training ongeloofwaardig zijn, en daarmee niet wordt gevolgd dat hij gedwongen is gerekruteerd. De rechtbank stelt in dat kader allereerst vast dat verweerder ten onrechte heeft verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van januari 2024. Dit ambtsbericht heeft geen betrekking op de verslagperiode ten aanzien van de door eiser gestelde gebeurtenissen. Uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van november 2022, dat ziet op de relevante verslagperiode, volgt dat de ENDF (het regeringsleger) in verband werd gebracht met gedwongen rekrutering (pagina 54/55). Verder is vermeld dat de regionale regering in Oromia jongeren zou rekruteren. De rechtbank stelt vast dat Debre Berhan op geringe afstand van de regio Oromia ligt, zodat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat ook daar gedwongen werd gerekruteerd.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder het ongerijmd acht dat alleen eiser, en niet zijn vrienden, zijn opgepakt en eiser bovendien daarna in eerste instantie is vrijgelaten. Eiser heeft in dat kader naar voren gebracht dat hij vermoedt dat juist moeilijk traceerbare jongeren zoals hij doelwit zijn, hij de enige van zijn vrienden was zonder identiteitskaart en hij vermoedt dat hij is vrijgelaten om nader onderzoek (naar zijn traceerbaarheid) te doen. Dat eiser dit tijdens het gehoor naar voren had moeten brengen, zoals verweerder heeft tegengeworpen, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft immers reeds tijdens het nader gehoor verklaard dat iedereen een ID-kaart kon laten zien, behalve hij, en dat de reden is dat hij is weggevoerd. Verweerder heeft gevraagd waarom de politie naar de ID-kaarten vroeg, waarop eiser heeft verklaard dat het gebruikelijk was om jongeren op te pakken om ze het leger in te sturen. Verweerder heeft verder gevraagd of er nog een reden voor de vrijlating is gegeven, waarop eiser heeft aangegeven dat ze geen reden hebben verteld. Als verweerder hierover meer had willen weten, had het op diens weg gelegen hierop door te vragen. Hierbij komt dat niet kan worden uitgesloten dat eisers vermoeden dat de politie nader onderzoek wilde doen naar zijn traceerbaarheid niet zonder meer kan worden uitgesloten, mede gelet op het navolgende.

Ter onderbouwing van zijn standpunt - dat hij als ontheemde jongere is gerekruteerd - heeft eiser in beroep de volgende documenten overgelegd:

Bericht van het Ethiopische Rode Kruis;

Verklaring van de eigenaar van een vrijetijdsbestedingszaak van 27 mei 2025;

Persbericht van Amhara Association of America van 1 mei 2025.

Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de brief van het Rode Kruis dateert uit 2018 (naar de rechtbank begrijpt: dus dateert van vóór eisers gestelde problemen), en dat niet blijkt dat sprake is van gedwongen rekrutering. Met betrekking tot de verklaring van de eigenaar van de vrijetijdsbestedingszaak stelt verweerder zich op het standpunt dat er sprake is van een subjectieve verklaring zodat hieraan beperkte waarde toe komt. Voor wat betreft het persbericht heeft verweerder opgemerkt dat dit ziet op de periode van ná eisers gestelde problemen, zodat dit het relaas van eiser niet ondersteunt.

De rechtbank merkt evenwel op dat de brief van het Ethiopische Rode Kruis is gedateerd ‘7/1/2018 E.C’. Dit ziet dus op de ‘Ethiopian Calendar’, wat niet correspondeert met de Gregoriaanse kalender. De rechtbank begrijpt dat de brief in de Gregoriaanse kalender overeenkomt met 17 september 2025. De rechtbank stelt verder vast dat uit het bericht van het Ethiopische Rode Kruis blijkt dat ontheemde jongeren in Debre Berhan zeer kwetsbaar zijn. Deze ontheemde jongeren worden geconfronteerd met een breed scala aan problemen, waaronder verlies van identiteitsdocumenten, intimidatie tijdens veiligheidscontroles die soms leiden tot kortdurende detentie en herhaaldelijke rekrutering of dienstplicht door lokale gewapende groeperingen. Veel van deze jongeren worden gedwongen om informeel of gevaarlijk werk te doen om te overleven. Uit het persbericht van de Amhara Association of America blijkt eveneens dat in de regio Amhara massale gedwongen rekruteringscampagnes plaatsvinden waarbij jongeren zijn ontvoerd uit openbare ruimtes, waaronder straten. Ook uit de verklaring van de eigenaar van de vrijetijdsbestedingszaak blijkt dat ontheemden jongeren die zich in Debre Berhan hebben gevestigd vaak worden aangehouden omdat zij geen documenten hebben en niet zijn geregistreerd. De eigenaar heeft verder verklaard dat in Debre Berhan vooral jongeren die uit andere gedeeltes van het land zijn gevlucht en jongeren zonder documenten worden gearresteerd en vaak gedwongen naar militaire training worden gebracht. Voor zover verweerder erop heeft gewezen dat voornoemde stukken zien op de huidige situatie en dus niet op eisers gestelde problemen, acht de rechtbank dit onvoldoende redengevend om tot een ander oordeel te komen, te meer daar de eigenaar heeft bevestigd dat eiser rond september / oktober 2022 is aangehouden door de politie en de autoriteiten ongeveer twee maanden later op zoek waren naar eiser. Hierbij komt dat niet blijkt dat er in Ethiopië sprake is van een centraal registratiesysteem. Zo volgt uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van november 2022 dat een centraal systeem voor de registratie van kebele kaarten ontbreekt (pagina 45) en blijkt uit het huidige Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van januari 2024 dat als iemand zich wil vestigen in een andere regio, een brief van de oude kebele is vereist (pagina 39). Dit wijst er op dat iedere kebele zijn eigen administratie heeft. Eiser heeft er in dat kader ook op gewezen dat lokale autoriteiten geen inzage hebben in de persoonsregisters van andere lokale autoriteiten. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onaannemelijk dat de politie geen toegang had tot een centraal registratiesysteem en zij niet bekend waren met eisers familiaire achtergrond. Dat, zoals eiser stelt, hij eerst is aangehouden vanwege het niet kunnen tonen van een identiteitskaart, de politie vervolgens tijd nodig had om te controleren of hij geregistreerd staat dan wel uit een ander deel van het land afkomstig is (en dus niet traceerbaar is), zoals eiser ter zitting heeft toegelicht, en hij in afwachting daarvan is vrijgelaten, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande niet zonder meer niet aannemelijk. De rechtbank acht verweerders standpunt dat onaannemelijk is dat eiser is gerekruteerd omdat het niet met elkaar rijmt dat eiser bij zijn eerste aanhouding is vrijgelaten dan ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

Ten aanzien van de tegenwerping van verweerder dat eiser niet kan aangeven hoeveel personen op het trainingskamp werden vastgehouden en hij hiervan ook geen schatting kan geven, merkt de rechtbank op dat eiser ter zitting heeft toegelicht dat er binnen het kamp verschillende sectoren waren, iedereen een ander schema had, mensen het kamp in- en uitgingen en dat hij eerlijk antwoord wil geven en niet wil verklaren dat er bijvoorbeeld 200 mensen waren, terwijl hij dat niet zeker weet. Hoewel details nuttig zijn om asielmotieven te onderbouwen, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft opgemerkt, ziet de rechtbank, mede in het licht van eisers toelichting ter zitting, geen reden om aan het ontbreken van een schatting doorslaggevende betekenis te hechten. Eiser heeft verder toegelicht dat hij alleen tijdens het trainen en eten vrij mocht bewegen. Dat eiser ten tijde van het nader gehoor (op pagina 20) heeft verklaard dat ze vrij waren om binnen de omheining vrij te bewegen, maakt dat niet anders, nu eiser – anders dan verweerder blijkens het bestreden besluit meent – niet heeft verklaard dat dit altijd was.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts niet aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen eten, drinken of kleren mee heeft genomen tijdens zijn ontsnapping, terwijl hij niet wist waar het kamp zich precies bevond en dus ook niet wist hoe lang zijn geplande vlucht van het kamp vervolgens zou duren. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit eisers verklaringen dat hij de wachttorens, shifts van de bewakers en de ontsnappingsroute heeft bestudeerd en voorbereid (pagina 20 nader gehoor), volgt dat eiser handelde uit logica. Het zou daarom volgens verweerder logisch zijn geweest als eiser de hele ontsnapping goed zou hebben voorbereid. Daarnaast stelt verweerder dat eisers standpunt dat hij bang was om te worden betrapt met een tas vol eten en kleren onvoldoende verklarend is, omdat eiser sowieso gestraft zou worden voor zijn poging om te ontsnappen. De rechtbank volgt dit standpunt niet en is het met eiser eens dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hem wordt tegengeworpen dat hij geen eten, drinken of extra kleding heeft meegenomen tijdens zijn ontsnapping. Het is immers niet onaannemelijk dat eiser bang was om op voorhand eten en kleding te moeten verzamelen, en hij eerder met een tas vol eten en kleren kon worden betrapt, waaruit zou kunnen blijken dat hij wilde proberen te ontsnappen, met alle gevolgen van dien. De rechtbank acht verder niet onaannemelijk dat eisers focus op het ontsnappen zelf lag, maar niet op hoe hij daarna zou overleven. Dit te meer daar eiser ten tijde van belang nog jong (16 jaar) was, en algemeen bekend is dat op die leeftijd nog niet alles wordt overzien voor wat betreft planning, controle en langetermijndenken. Dat eiser de ontsnapping heeft voorbereid, maakt niet zonder meer dat hij ook de daarop opvolgende vlucht heeft voorbereid. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom eiser wordt tegengeworpen dat hij geen eten, drinken en kleding mee had bij zijn ontsnapping.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd met betrekking tot de problemen vanwege de militaire training.

Het derde asielmotief: betrokkenheid van opa en vader bij de Fano-beweging

5. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder het derde asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hij voert hiertoe aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser veel zou moeten afweten van de Fano-beweging. Eiser beroept zich namelijk op een risico dat voortvloeit uit de betrokkenheid van zijn vader en opa bij de Fano-beweging, maar niet op zijn eigen betrokkenheid bij Fano. Daarnaast was eisers hoofdverblijf niet bij zijn vader en wordt betrokkenheid bij oppositiebewegingen of gewapende groepen in Ethiopië vaak geheim gehouden, vanwege het daarmee gepaard gaande gevaar. Eiser is dus niet blootgesteld aan de ideeën van de beweging. Eiser heeft pas in Nederland meer onderzoek naar de beweging gedaan. Verweerder heeft hier onvoldoende op doorgevraagd in het nader gehoor. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte niet geloofwaardig acht dat hij bij terugkeer via de luchthaven, of bij het aanvragen van een ID, zal worden opgepakt vanwege zijn vader. Volgens eiser is er namelijk een verschil tussen de toegang tot informatie voor lokale autoriteiten, waar geen centraal registratiesysteem is, en centrale autoriteiten zoals een luchthaven, waar wel een registratiesysteem is. Bij terugkeer via de luchthaven of bij het aanvragen van een ID zal er een link worden gelegd tussen eiser en zijn vader.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom niet geloofwaardig is dat eiser problemen zal ondervinden vanwege de betrokkenheid van zijn opa en vader bij de Fano-beweging. Alhoewel verweerder er naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op wijst dat eiser niet uitgebreid kan verklaren over de Fano-beweging, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom van eiser kan worden verwacht dat hij daarover uitgebreid kan verklaren. In dat kader acht de rechtbank van belang dat eiser heeft verklaard dat hij pendelde tussen het huis van zijn vader en moeder, en hij dus, naar de rechtbank begrijpt, een groot deel van zijn tijd niet bij zijn vader woonde, terwijl eiser destijds ook nog maar acht jaar oud was en zijn vader niet met hem over Fano sprak, zoals hij ter zitting heeft toegelicht. Eiser heeft in ieder geval sinds 2019 geen contact meer met zijn vader gehad (pagina 6 nader gehoor). Eiser wijst er terecht op dat hij toen slechts 13 jaar oud was. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom van een jong kind kan worden verwacht dat hij veel weet over de Fano-beweging als zijn vader en opa daarbij betrokken zijn, te meer nu eiser een groot deel van de tijd niet met zijn vader heeft doorgebracht. Daarnaast heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer via de luchthaven geen problemen zal ondervinden. Dat, zoals verweerder stelt, eiser eerder door de politie is aangehouden en hij toen al problemen zou moeten hebben ondervonden vanwege de betrokkenheid van zijn vader en opa bij de Fano-beweging, volgt de rechtbank niet nu, zoals onder 4.3.1. is overwogen, niet onaannemelijk is dat de politie geen toegang heeft tot een centraal registratiesysteem, en daarom ook niet zonder meer aannemelijk is dat de politie bekend was met eisers vader en opa. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over het bestaan van een centraal registratiesysteem, door enerzijds aan te geven dat er geen centraal registratiesysteem is waar de lokale autoriteiten de identiteit kunnen checken met mogelijke oppositieleden, maar er bij het aanvragen van een identiteitskaart of terugreis via de luchthaven wel sprake van is. Anders dan hiervoor is overwogen over een registratiesysteem op regionaal (kebele) niveau, lijkt bij de binnenkomst via de luchthaven wel sprake te zijn van een centraal registratiesysteem. Zo volgt uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van november 2022 (pagina 45) dat er in Ethiopië geen centraal systeem bestond voor de registratie van kebele-kaarten, maar wel één voor paspoorten. Verder is in dat ambtsbericht vermeld dat de autoriteiten die belast waren met immigratie een digitale database beheerden met daarin de gegevens van alle uitgegeven paspoorten. De biometrische gegevens die in de nationale databases waren opgeslagen konden bij officiële punten van binnenkomst en uitreis in Ethiopië worden opgezocht. Verweerders standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over het bestaan van een centraal registratiesysteem kan daarom geen stand houden. Daarbij merkt de rechtbank overigens nog op dat – voor zover eiser erop heeft gewezen dat bij het aanvragen van een identiteitskaart bekend kan worden wie zijn vader is - uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van januari 2024 (pagina 42) volgt dat, om thans aanspraak te maken op een digitale nationale identiteitskaart, een kebele-identiteitskaart en/of een geboorteakte moet worden overgelegd. Met het overleggen van een geboorteakte zou bekend kunnen worden wie eisers vader is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd met betrekking tot de betrokkenheid van eisers opa en vader bij de Fano-beweging.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7. De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Verweerder krijgt hiervoor een termijn van zes weken.

8. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en 0,5 punt voor het indienen van een nadere reactie, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Griffier

  • mr. A. Duijf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?