ECLI:NL:RBDHA:2025:26092

ECLI:NL:RBDHA:2025:26092, Rechtbank Den Haag, 08-12-2025, C/09/667187 / FA RK 24-3862

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-12-2025
Datum publicatie 15-01-2026
Zaaknummer C/09/667187 / FA RK 24-3862
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen

Uitspraak

Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 22 mei 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. K. Moene te ʼs-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L.E.M. Elbertse te Pijnacker.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift van de vrouw;

- het bericht van 12 juni 2024 van de vrouw;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van de man;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw;

- het aanvullend verweerschrift tevens gewijzigd zelfstandig verzoekschrift van de man;

- het aanvullend verzoekschrift van de vrouw.

Op 10 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.

Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het bericht van 10 november 2025 van de man;

- het bericht van 13 november 2025, met bijlage, van de vrouw.

Feiten

- Partijen op [datum] 2019 te [plaats 1] een geregistreerd partnerschap aangegaan.

- Zij zijn de ouders van het volgende meerderjarige kind:

- [meerderjarige], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats].

- Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [meerderjarige] bij de vrouw;

- vaststelling van de wijze van verdeling van het partnerschapsvermogen , conform het voorstel van de vrouw;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert – onder referte voor het overige – op dit moment nog verweer tegen de verzochte verdeling van de partnerschapsgemeenschap, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de man, na wijziging, zelfstandig verzocht om: :

- vaststelling van door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie van € 811,- per maand;

- de hierna te noemen beslissingen in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het partnerschap;

- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Ontbinding geregistreerd partnerschap

De vrouw heeft ontbinding van het geregistreerd partnerschap verzocht. Zij heeft gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De man heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist, zodat het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond kan worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats

[meerderjarige] is inmiddels meerderjarig geworden. Om deze reden heeft de vrouw dit verzoek op de zitting ingetrokken, zodat hierop niet meer hoeft te worden beslist.

Partneralimentatie

Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de man van in 2023 € 1.853,- netto per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt dit € 2.096,- netto per maand. Wel is tussen partijen de behoeftigheid van de man in geschil.

De man stelt dat hij behoefte heeft aan partneralimentatie. De man heeft enkele jaren geleden zijn baan opgezegd om fulltime voor zijn hulpbehoevende ouders in [land] te zorgen. Inmiddels zijn beide ouders overleden. Dit is voor de man een ingrijpende gebeurtenis geweest, waar hij nog steeds veel moeite mee heeft. Ook heeft de breuk tussen partijen veel invloed op de mentale gesteldheid van de man. De combinatie van het overlijden van zijn ouders en de breuk van partijen heeft ertoe geleid dat de man kampt met psychische problemen, waardoor hij niet in staat is om te werken. Verder voert de man aan dat het lastig is om een nieuwe baan te vinden. Het is voor hem namelijk moeilijk om aansluiting op de Nederlandse arbeidsmarkt te vinden, omdat hij de Nederlandse taal niet goed spreekt en zijn kennis inmiddels verouderd is.

De vrouw betwist dat de man behoeftig is. De vrouw stelt dat de man een verdiencapaciteit moet worden toegekend ter hoogte van zijn behoefte, zodat hij in zijn eigen behoefte moet kunnen voorzien. Volgens de vrouw heeft de man gedurende het geregistreerd partnerschap voornamelijk bij grote internationale bedrijven zoals Unilever en Shell gewerkt. De vrouw is van mening dat, indien het de man niet lukt om een functie van vergelijkbaar niveau te vinden, van hem verwacht mag worden dat hij ander werk accepteert om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Verder voert de vrouw aan dat de man niet heeft aangetoond dat hij arbeidsongeschikt is. Volgens haar heeft de man bovendien afgelopen zomer werkzaamheden in [land] verricht, hetgeen laat zien dat hij weldegelijk in staat is om te werken en in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.

De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat hij arbeidsongeschikt is. Hij stelt dat hij door zijn mentale problemen niet in staat is om te werken. De man heeft echter de aard en ernst van zijn mentale problemen onvoldoende onderbouwd. Hij verwijst naar een behandeltraject bij de GGZ, doch uit de stukken blijkt dat daar tot nu toe alleen een intakegesprek heeft plaatsgevonden. De man heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aangetoond dat hij niet, of beperkt, in staat is om te werken.

Ten aanzien van de verdiencapaciteit en (on)mogelijkheid van het vinden van werk oordeelt de rechtbank als volgt. De man heeft, ter onderbouwing van zijn stelling dat hij geen baan kan vinden, slechts enkele motivatiebrieven overgelegd, waarbij niet duidelijk is geworden of hij daadwerkelijk is afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee onvoldoende vast komen te staan dat de man zich intensief en structureel heeft ingespannen om een baan te vinden. Daarbij komt dat er in de huidige arbeidsmarkt ook vraag is naar niet-Nederlands sprekend personeel.

De behoefte van de man bedraagt € 2.096,- per maand. De vrouw heeft becijferd dat op basis van het minimumloon 2024 van € 13,68 per uur, vermeerderd met 8% vakantiegeld, een brutoloon van € 2.581,- per maand kan worden verworven. Voor 2025 geldt een netto-minimumloon van € 14,06, wat bij een 40-urige werkweek resulteert in een netto maandloon tussen € 1.940,- en € 2.020,- exclusief vakantiegeld. Gelet op zijn opleidingsniveau en werkervaring moet de man in staat worden geacht een baan te vinden waarmee hij op zijn minst dit minimumloon kan verdienen en daarmee in zijn eigen huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien. Om deze reden zal de rechtbank het verzoek van de man om partneralimentatie afwijzen.

Verdeling beperkte gemeenschap van goederen

Partijen zijn op [datum] 2019 in [plaats 1] een geregistreerd partnerschap aangegaan, zodat sprake is van een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Dit betekent dat alleen hetgeen de partners tijdens hun partnerschap hebben opgebouwd, alsmede de goederen die vóór het geregistreerd partnerschap aan hen gezamenlijk toebehoorden, tot de gemeenschap behoren. Het vermogen dat ieder van partijen voor het aangaan van het geregistreerd partnerschap had, alsmede schenkingen en erfenissen, blijven behoren tot privévermogen.

Peildatum

Voor de verdeling van de eenvoudige gemeenschap geldt als peildatum voor het bepalen van de omvang en samenstelling de datum van indiening van het verzoek tot ontbinding geregistreerd partnerschap, zijnde 22 mei 2024. Als peildatum voor de waardering van het te verdelen goed geldt de datum van de verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan dient te worden afgeweken.

Omvang

Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in hun wettelijk beperkte gemeenschap vallen:

Ad. a) de echtelijke woning

Niet in geschil is dat de echtelijke woning aan een derde verkocht moet worden. Tussen partijen bestaat echter geen overeenstemming over de wijze waarop de woning verkocht moet worden. Op de zitting hebben beiden zich geschaard achter het inschakelen van een makelaar. Zij konden het niet eens worden welke makelaar de woning zal verkopen; voor de man is het belangrijk dat de kosten van de makelaar zo laag mogelijk blijven, terwijl het voor de vrouw het meest belangrijk is dat de makelaar die actief is in [plaats 2] of in de directe omgeving. Na de zitting heeft de man als makelaar voorgesteld: [naam], werkzaam bij [makelaarskantoor 1] in Den Haag. De vrouw heeft hierop aangegeven dat zij niet kan instemmen met de door de man voorgestelde makelaar nu deze niet vaak huizen in [plaats 2] verkoopt en zijn verkoopgebied voornamelijk in Den Haag is gelegen. Ook wijst de vrouw erop dat de vaste prijs van € 6.500,- die de door de man voorgestelde makelaar hanteert, hoger is dan de courtage van de door haar reeds voorgestelde makelaar-taxateurs. De door haar voorgestelde drie makelaar-taxateurs hanteren namelijk een courtage van 1% van de verkoopprijs, terwijl de woning naar verwachting minder dan € 650.000,- zal opleveren.

Nu er geen evident voordeel is bij de makelaar-taxateur die de man heeft voorgesteld, zal de rechtbank het voorstel van de vrouw volgen. Dit betekent dat de man binnen twee weken na de datum van deze beschikking (dus uiterlijk op maandag 22 december 2025) een keuze mag maken tussen de drie door de vrouw voorgestelde makelaar-taxateurs: [makelaarskantoor 2], [makelaarskantoor 3] of [makelaarskantoor 4].

Partijen dienen vervolgens zo snel mogelijk gezamenlijk een opdracht tot taxatie en verkoop aan de door de man gekozen makelaar-taxateur te geven. De makelaar-taxateur zal partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning. Partijen zijn het erover eens dat uit de verkoop van de woning, vermeerderd met de waarde van de gekoppelde polis, de hypotheek zal worden afgelost en de aan de verkoop van de woning verbonden kosten zullen worden voldaan. De alsdan resterende overwaarde dient bij helfte tussen partijen te worden gedeeld. Partijen hebben hierbij afgesproken dat de overdracht van de echtelijke woning niet eerder dan 1 juni 2026 zal plaatsvinden, tenzij tussen hen beiden anders wordt afgesproken. Tot slot zijn partijen het er ook over eens dat bij de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning de hierna te bespreken vorderingen aan beide zijden zullen worden verrekend.

Tot slot heeft de man op de zitting naar voren gebracht dat hij zelf nog een aantal verbeteringen aan het huis wil aanbrengen en de kosten daarvan met de vrouw wil delen. De vrouw heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank zal daarom bepalen dat slechts in het geval dat de makelaar het in het kader van de verkoop noodzakelijk acht om verbeteringen aan het huis aan te brengen, partijen hiertoe zullen overgaan. Hierbij dienen de kosten door partijen ieder bij helfte te worden gedragen. Ter voorkoming van discussies over de hoogte van de te maken kosten, zullen partijen een professionele derde moeten inschakelen. Indien zij het niet eens worden over welke professionele derde moet worden ingeschakeld, zullen partijen de makelaar om advies vragen. Hierbij geldt dat de door de makelaar geadviseerde professionele derde de opdracht zal uitvoeren.

Voortgezet gebruik

Partijen zijn het erover eens dat aan de man het voortgezet gebruik van de echtelijke woning zal worden toegekend tot 1 juni 2026. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Vaste lasten woning

Partijen zijn het erover eens dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de ontbinding van het partnerschap in de registers van de burgerlijke stand de hypotheekrente, de gemeentelijke belastingen en de kosten voor gas, water en licht voor zijn rekening zal nemen. Ook hebben partijen afgesproken dat zij beiden de helft van de inleg in het spaarproduct – zijnde de levensverzekering bij Interpolis, eindigend op [nummer 1] – tot de datum van de verkoop van de echtelijke woning zullen blijven betalen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Gebruiksvergoeding

De vrouw heeft verzocht om een gebruiksvergoeding voor het gemis en genot van de woning en gemist rendement. De schadeloosstelling wegens gemist woongenot stelt de vrouw gelijk aan het bedrag dat zij op dit moment nog ten behoeve van de woning betaalt, te weten € 514,- per maand. De schadeloosstelling wegens gemist rendement stelt de vrouw over een periode van zes maanden op 1,5% van haar aandeel in de overwaarde.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij stelt dat hij niet in staat is om de door de vrouw verzochte gebruiksvergoeding te betalen. De vrouw kan wat hem betreft weer samen met hem in de woning blijven, teneinde kosten uit te sparen. Bovendien stelt de man dat hij veel minder woongenot heeft dan voorheen. De vrouw heeft namelijk zonder zijn weten de echtelijke woning samen met [meerderjarige] verlaten toen hij in [land] verbleef. De echtelijke woning zit volgens de man vol met herinneringen en voelt sinds het vertrek van de vrouw en [meerderjarige] leeg aan. Dit valt de man erg zwaar. Ten aanzien van het gemiste rendement stelt de man dat het door de vrouw verzochte percentage van 1,5% van het aandeel van de vrouw in de overwaarde te hoog is.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor de man emotioneel zwaar is om in de echtelijke woning te verblijven, neemt dit niet weg dat de man hierbij ook een financieel voordeel heeft. Hij hoeft immers geen woning elders te huren, wat in het algemeen duurder is. De vrouw daarentegen moet het woongenot van de woning missen. Verder is op de zitting gebleken dat de verhoudingen tussen partijen ernstig gespannen zijn. Om deze reden kan niet van de vrouw worden verwacht dat zij met de man in de echtelijke woning verblijft. Tot slot overweegt de rechtbank dat partijen hebben afgesproken dat zij alles verrekenen bij de eindafrekening, waardoor de gebruiksvergoeding die de man aan de vrouw moet betalen in mindering kan worden gebracht op het aandeel van de man in de overwaarde van de echtelijke woning. Gelet op de huidige gangbare rentepercentages bij de Nederlandse banken voor spaarrekeningen of spaardeposito’s, vindt de rechtbank de door de vrouw verzochte 1,5% van het aandeel van de vrouw in de overwaarde niet onredelijk. Daarnaast is het alleszins redelijk dat de man vanaf de datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap zijn eigen woonlasten betaalt, bestaande uit het bedrag van € 514,- per maand. De rechtbank zal aldus beslissen.

Ad. b) de inboedel

Partijen zijn overeengekomen dat zij onderling de inboedel zullen verdelen, waarbij de vrouw een lijst maakt van privégoederen, waaronder de fotoalbums van haar ouders, die de man aan haar zal geven. Ten aanzien van de overige inboedel geldt dat de vrouw een inboedellijst maakt die de man kan aanvullen. Vervolgens zullen partijen om de beurt een item van de inboedellijst kiezen, waarbij de man de eerste keuze heeft. Indien partijen er onderling niet uitkomen, kunnen zij eventueel de broer van de vrouw vragen te bemiddelen, mits hij daartoe bereid. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.

Ad. c) de auto’s

Partijen hebben ten aanzien van de auto’s overeenstemming bereikt, in die zin dat ieder van partijen de auto die op zijn of haar naam staat, toegedeeld krijgt, zonder nadere verrekening van de waarde van de auto. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.

Ad. d) de vakantietoeslag

Partijen zijn het erover eens dat de door de vrouw in mei 2024 ontvangen vakantietoeslag van € 2.500,- netto in de beperkte gemeenschap valt, zodat de vrouw een bedrag van € 1.250,- netto aan de man moet betalen. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.

Ad. e) de bank- en spaarrekeningen

Door partijen zijn de volgende bankrekeningen naar voren gebracht:

- een gezamenlijke bankrekening bij ING, eindigend op [nummer 2];

- een bankrekening bij ABN AMRO, op naam van de man, eindigend op [nummer 3];

- een bankrekening bij ING, op naam van de vrouw, eindigend op [nummer 4];

- een spaarrekening bij ING, op naam van de vrouw, eindigend op [nummer 5];

- een beleggingsrekening bij ING (Zelf op de Beurs), op naam van de vrouw, eindigend op [nummer 6].

Partijen zijn overeengekomen dat de gezamenlijke rekening bij ING, eindigend op [nummer 2], wordt voortgezet totdat de echtelijke woning wordt overgedragen aan een derde. Hierna zal voornoemde rekening worden opgeheven en zal het saldo op de peildatum bij helfte worden gedeeld. De bankrekening bij ABN AMRO op naam van de man eindigend op [nummer 3] wordt voortgezet door de man, onder voldoening van de helft van het saldo op de peildatum aan de vrouw, te weten € 914,20. Ten aanzien van de bank- en spaarrekeningen die op naam van de vrouw zijn gesteld, te weten de ING bankrekening eindigend op [nummer 4] en de ING spaarrekening eindigend op [nummer 5], worden voortgezet door de vrouw. Partijen zijn het erover eens dat de saldi van voornoemde rekeningen gedurende het geregistreerd partnerschap met een bedrag van € 2.853,89 zijn toegenomen, hetgeen betekent dat de vrouw een bedrag van € 1.426,95 aan de man moet vergoeden.

Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de beleggingsrekening bij ING (Zelf op de Beurs) op naam van de vrouw dat de portefeuillewaarde van deze rekening op de peildatum € 16.188,49 bedroeg. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij deze rekening gedurende het geregistreerd partnerschap heeft geopend en dat het saldo gevormd is door een erfenis die zij heeft ontvangen. De man heeft dit niet betwist. Dit betekent dat het saldo op deze beleggingsrekening buiten de beperkte gemeenschap valt.

Schulden

Door de man zijn de volgende schulden naar voren gebracht:

- een creditcardschuld ter hoogte van € 200,-;

- een schuld bij de Belastingdienst in verband met te veel ontvangen zorgtoeslag ter hoogte van € 764,-.

Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW. In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.

Partijen zijn overeengekomen dat de man zowel de creditcardschuld als de schuld bij de Belastingdienst – in de onderlinge verhouding tussen partijen – op zich zal nemen en dat de vrouw de helft van de belastingschuld, te weten € 382,-, aan de man zal voldoen. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.

Vorderingen van de man

Aflossingen hypotheek voorafgaand het geregistreerd partnerschap

Tussen partijen is niet in geschil dat de man voorafgaand het geregistreerd partnerschap vanuit privévermogen een bedrag van € 128.800,- op de gezamenlijke hypotheek heeft afgelost. Partijen zijn het erover eens dat de man daarmee in beginsel een vordering van € 64.400,- op de vrouw heeft. Ook zijn partijen het erover eens dat de vrouw in de periode van mei 2015 tot en met maart 2019 een bedrag van € 11.126,- meer aan hypotheekrente heeft betaald dan de man. De vrouw is van mening dat beide partijen, ook nadat de man vanuit zijn privévermogen aflossingen had gedaan op de hypotheekschuld, onverminderd gehouden waren evenveel bij te dragen in de hypotheekrente. Om deze reden stelt zij zich op het standpunt dat de helft van voornoemd bedrag van € 11.126,- in mindering moet worden gebracht op de vordering van de man.

De rechtbank zal voorbij gaan aan het door de vrouw ingenomen standpunt. De man heeft immers in de periode van mei 2015 tot en met april 2018 aanzienlijke bedragen op de hypotheek afgelost, in totaal met een bedrag van € 128.800,-,. Ten gevolge van de aflossingen door de man is het bedrag aan maandelijks te betalen hypotheekrente gedaald. Na iedere aflossing bleef de vrouw hetzelfde bedrag aan hypotheekrente betalen, en de man een lager bedrag. Kennelijk was dit destijds afgesproken, althans hebben zij destijds geen afspraak gemaakt die inhield dat de man ondanks zijn aflossingen uit privé-vermogen een zelfde bedrag aan rente zou moeten betalen. Niet valt in te zien op welke rechtsgrond de vrouw achteraf aanspraak kan maken op betaling door de man van de helft van de hypotheekrente, ondanks zijn aflossingen met privévermogen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank vaststellen dat de man een vordering van € 64.400,- op de vrouw heeft.

Aflossing hypotheek gedurende geregistreerd partnerschap

De man stelt dat het saldo van de bankrekening bij ABN AMRO op naam van de man eindigend op [nummer 3] op [datum] 2019 (datum aangaan geregistreerd partnerschap) € 15.445,34 bedroeg. Op 1 juni 2019 heeft de man vanaf voornoemde bankrekening een bedrag van € 20.000,- afgelost op de gezamenlijke hypotheek. Gelet op het saldo van de bankrekening ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap, blijkt volgens de man dat hij die aflossing voor het gedeelte van € 15.445,34 met privévermogen heeft gedaan. Om deze reden stelt de man dat hij een vordering met toepassing van de beleggingsleer van € 15.455,34 op de gemeenschap heeft.

De vrouw betwist niet dat er ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap op deze ABN AMRO rekening op naam van de man een bedrag van € 15.445,34 stond. Ook betwist de vrouw niet dat door de man op 1 juni 2019 een bedrag van € 20.000,- op de hypotheekschuld is afgelost. De vrouw sluit echter niet uit dat die aflossing volledig met gemeenschappelijk geld is gedaan.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen het moment van aangaan van het geregistreerd partnerschap en de aflossing van € 20.000,- zit minder dan vier maanden tijd. Zonder nadere onderbouwing aan de zijde van de vrouw valt niet in te zien hoe in minder dan vier maanden tijd een gemeenschappelijk vermogen van € 20.000,- is ontstaan. Om deze reden gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de vrouw. De rechtbank vindt het dan ook aannemelijk dat de man het bedrag van € 15.445,34 aan privévermogen heeft aangewend om af te lossen op de gezamenlijke hypotheekschuld. Partijen zijn het erover eens dat op privé investeringen ten tijde van het geregistreerd partnerschap de beleggingsleer van toepassing is, zoals door de vrouw onder 14 van haar verweerschrift op zelfstandige verzoeken d.d. 19 september 2025 is omschreven en door de man niet betwist: (15.445,34/270.000)*waarde echtelijke woning. De rechtbank zal de vordering van de man om deze reden toewijzen.

Achtergehouden gelden

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw ten tijde van het geregistreerd partnerschap gelden heeft achtergehouden. Hiertoe voert hij aan dat het vermogen van de vrouw ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap ongeveer € 25.000,- bedroeg. Dit is volgens de man gedurende het geregistreerd partnerschap gestegen tot ongeveer € 70.000,-. Gelet hierop is de man ervan overtuigd dat de vrouw een bedrag van in ieder geval € 20.000,-, althans € 31.000,-, van haar eigen rekeningen heeft opgenomen en daarmee ten onrechte heeft onttrokken aan de gemeenschap. Daarbij heeft de man een geluidsfragment overgelegd, die zijn stelling volgens hem onderbouwt. De man is dan ook van mening dat hij een vordering van € 20.000,- op de vrouw heeft.

De vrouw betwist hetgeen de man heeft aangevoerd. De vrouw erkent dat zij in september 2023 in ieder geval € 20.000,- van haar eigen rekeningen heeft opgenomen. Zij stelt echter dat dit volledige bedrag na het uiteengaan van partijen is opgegaan aan kosten van levensonderhoud. Zo heeft de vrouw in een tijdsbestek van een jaar een bedrag van ongeveer € 15.000,- aan huur moeten voldoen. Daarnaast heeft de vrouw advocaatkosten moeten maken en heeft zij studiekosten en rijlessen voor [meerderjarige] betaald.

De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man onvoldoende aangetoond dat de vrouw gelden heeft onttrokken aan de gemeenschap en/of de gemeenschap heeft benadeeld. Vaststaat dat de vrouw in ieder geval vanaf januari 2024 maandelijks de huur van haar tijdelijke woning van € 2.150,- per maand heeft betaald. Ook staat vast dat [meerderjarige] sinds september 2024 een fulltime HBO-opleiding volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw dan ook voldoende aannemelijk gemaakt dat zij sinds het uiteengaan van partijen aanzienlijke (extra) kosten heeft moeten maken. Het door de man overgelegde geluidsfragment is moeilijk te beluisteren en ondersteunt, voor zover hieruit iets duidelijk is geworden, de stellingen van de man niet. Hoewel de vrouw in het geluidsfragment iets zegt over een bedrag van € 20.000,- , vormt dit naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs dat zij daadwerkelijk € 20.000,- aan de gemeenschap heeft onttrokken en/of de gemeenschap heeft benadeeld. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van de man afwijzen.

Vorderingen van de vrouw

Aflossingen hypotheek voorafgaand het geregistreerd partnerschap

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw voorafgaand het geregistreerd partnerschap vanuit privévermogen een bedrag van € 20.000,- op de gemeenschappelijke hypotheek heeft afgelost. Partijen zijn het er dan ook over eens dat de vrouw een vordering van de helft daarvan, te weten € 10.000,-, op de man heeft. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.

Aflossingen hypotheek gedurende het geregistreerd partnerschap

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw gedurende het geregistreerd partnerschap een bedrag van € 39.450,- die zij heeft ontvangen uit een erfenis, op de gezamenlijke hypotheek heeft afgelost. Partijen zijn het er dan ook over eens dat de vrouw een vordering op de gemeenschap heeft met toepassing van de beleggingsleer zoals onder 14 van het verweerschrift op zelfstandige verzoeken d.d. 19 september 2025 van de vrouw is omschreven en door de man niet betwist: (39.450/270.000)* waarde echtelijke woning. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.

Aanspraak deel erfenis

De vrouw heeft tijdens het geregistreerd partnerschap een erfenis van in totaal € 79.093,26 ontvangen. Zoals hiervoor besproken, heeft de vrouw een deel hiervan aangewend om op de gezamenlijke hypotheek af te lossen. Het restant, te weten € 39.643,26 behoort volgens de vrouw tot haar privévermogen. Voor zover dit bedrag niet meer op haar bankrekening staat, stelt de vrouw dat dit ten goede is gekomen van de gemeenschap. Hiertoe was zij echter niet gehouden, omdat er ten tijde van het geregistreerd partnerschap zowel voldoende inkomen als voldoende gemeenschappelijk vermogen was om in de kosten van de huishouding te voldoen. Om deze reden stelt de vrouw dat zij een vordering van € 39.643,26 op de gemeenschap heeft. De man heeft dit betwist.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft op de zitting desgevraagd aangegeven dat zij niet weet waaraan het bedrag van € 39.643,26 precies is besteed. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen of en zo ja, door wie en waaraan, het restant van de erfenis van de vrouw besteed is. Om deze reden bestaat er naar het oordeel geen grond voor de vordering van de vrouw. De rechtbank zal de vordering van de vrouw dan ook afwijzen.

Vermogen van de vrouw buiten de gemeenschap

Beleggingsverzekering bij De Goudse

Partijen zijn het erover eens dat de beleggingsverzekering bij De Goudse op naam van de vrouw buiten de gemeenschap valt en daarom niet voor verdeling in aanmerking komt. Ook zijn partijen het erover eens dat de vrouw een bedrag van € 262,- aan de man dient te voldoen, vanwege premies die door de vrouw met gemeenschappelijke gelden zijn betaald. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.

Knab beheerd beleggen (voorheen Aegon)

Partijen zijn het erover eens dat de beleggingsportefeuille op naam van de vrouw buiten de gemeenschap valt en daarom niet voor verdeling in aanmerking komt. Ook zijn partijen het erover eens dat de vrouw een bedrag van € 500,- aan de man dient te voldoen, vanwege inleg op de beleggingsportefeuille die door de vrouw met gemeenschappelijke gelden is gedaan. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.

Lijfrente Aegon

Partijen zijn het erover eens dat het lijfrente product bij Aegon op naam van de vrouw buiten de gemeenschap valt en daarom niet voor verdeling in aanmerking komt. Zij zijn het er ook over eens dat er gedurende het geregistreerd partnerschap vanuit gemeenschappelijke middelen een bedrag van in totaal € 5.814,- bruto betaald is, welk bedrag deels bestaat uit premie voor de overlijdensrisicocomponent en deels uit kapitaalvormende inleg. Op de zitting is namens de vrouw gesteld dat het bedrag aan kapitaalvormende inleg € 4.328,- bruto bedraagt. Namens de man is aanvankelijk gesteld dat over het volledige bedrag van € 5.814,- een rendement van 38% moet worden berekend. Op de zitting is de man akkoord gegaan met een gemiddeld rendement van 19%. Partijen zijn verdeeld over de vraag over welk bedrag dat rendement moet worden berekend. De rechtbank is het met de vrouw eens dat het rendement moet worden berekend over het totale bedrag aan kapitaalvormende inleg, dus over het bedrag van € 4.328,-, en niet over de betaalde premie voor het overlijdensrisico. Vermeerderd met een rendement van 19% resulteert dit in een bedrag van € 5.150,32 bruto. De man kan aanspraak maken op de helft van voornoemd bedrag, te weten € 2.575,- bruto.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan te [plaats 1] op [datum] 2019;

*

stelt de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap, onder de voorwaarde van inschrijving van de ontbindingsbeschikking in registers van de burgerlijke stand, als volgt vast:

de ING bankrekening eindigend op [nummer 2] zal worden voortgezet totdat de echtelijke woning aan een derde wordt overgedragen. Hierna zal de rekening worden opgeheven en zal het saldo op de peildatum tussen partijen bij helfte worden gedeeld;

de ABN AMRO rekening eindigend op [nummer 3] wordt voortgezet door de man, onder vergoeding van een bedrag van € 914,20 aan de vrouw;

de ING bankrekening eindigend op [nummer 4] en de ING spaarrekening eindigend op [nummer 5] worden voortgezet door de vrouw, onder vergoeding van een bedrag van € 1.426,95 aan de man;

5. Ten aanzien van de echtelijke woning te ([postcode]) [plaats 2], [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire lening en polis:

de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden: - de man moet binnen twee weken na de datum van deze beschikking – dus uiterlijk op maandag 22 december 2025 – een keuze maken tussen de drie door de vrouw voorgestelde makelaar-taxateurs; - partijen dienen vervolgens zo snel mogelijk een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar- taxateur zal partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning; - de overdracht van de woning zal, tenzij anders overeengekomen, niet eerder plaatsvinden dan 1 juni 2026;de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld; - de overwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis ten tijde van de overdracht en minus de resterende hypotheek en de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur; vervolgens worden eerst de hierna te vermelden vorderingen van de man en de vrouw (ter zake gebruiksvergoeding, creditcard- en belastingschuld, door beide partijen gedane aflossingen op de hypotheeklening, verzekeringen en lijfrente) over en weer verrekend, zodat ieder gerechtigd is op het saldo van de helft van de overwaarde minus datgene wat hij/zij uit hoofde van verrekening aan de ander is verschuldigd; - partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning.

*

bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning te ([postcode]) [plaats 2], [adres] voort te zetten tot 1 juni 2026, onder de voorwaarde dat de man deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;

*

bepaalt dat de man, vanaf de datum van inschrijving van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap en zolang hij in de echtelijke woning verblijft, de hypotheekrente, de gemeentelijke belastingen en de kosten voor gas, water en licht voor zijn rekening neemt;

*

bepaalt dat de man, zolang hij in de echtelijke woning verblijft, vanaf de datum van inschrijving van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, een gebruiksvergoeding aan de vrouw voldoet ter hoogte van 1,5% van de waarde van het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning zoals hiervoor omschreven;

*bepaalt dat partijen beiden de helft van de inleg in het spaarproduct – zijnde de levensverzekering bij Interpolis, eindigend op [nummer 1] – tot de datum van de verkoop van de echtelijke woning zullen blijven betalen;

*

bepaalt dat de man, in de onderlinge verhouding tussen partijen, de creditcardschuld en de schuld bij de Belastingdienst voor zijn rekening neemt, met dien verstande dat de vrouw de helft van de hoogte van de belastingschuld, te weten € 382,-, aan de man dient te voldoen;

*

stelt vast dat de man de volgende vordering jegens de vrouw heeft:

- € 64.400,- ten aanzien van de aflossing op de gezamenlijke hypotheekschuld voorafgaand het geregistreerd partnerschap;

- € 262,- ten aanzien van de beleggingsverzekering bij de Goudse;

- € 500,- ten aanzien van Knab beheerd beleggen (voorheen Ageon);

- € 2.575,- bruto ten aanzien van de lijfrente Aegon;

*

stelt vast dat de man de volgende vordering jegens de gemeenschap heeft:

- € 15.445,34 ten aanzien van de aflossing op de gezamenlijke hypotheek gedurende het geregistreerd partnerschap met toepassing van de beleggingsleer zoals in het lichaam van deze beschikking vermeld;

*

stelt van dat de vrouw de volgende vordering jegens de man heeft:

- € 10.000,- ten aanzien van de aflossing op de gezamenlijke hypotheekschuld voorafgaand het geregistreerd partnerschap;

*

stelt vast dat de vrouw de volgende vordering jegens de gemeenschap heeft:

- € 39.450,- ten aanzien van de aflossing op de gezamenlijke hypotheek gedurende het geregistreerd partnerschap met toepassing van de beleggingsleer zoals in het lichaam van deze beschikking vermeld;

*

verklaart deze beschikking– met uitzondering van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.C. Olland

Griffier

  • mr. A.J.A. Olthoff

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?