Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 22 oktober 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist in Oegstgeest.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. van Amsterdam in Leiden.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 24 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt:
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt hij zelfstandig:
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, blijkt dat er tijdens de relatie van partijen sprake was van veel heftige ruzies. De vrouw beschrijft een relatie waarin sprake is geweest van meerdere ingrijpende incidenten tussen partijen en zij heeft haar betoog onderbouwd met verklaringen van derden, waaronder maatschappelijk werk en grootmoeder (mz) en WhatsApp berichten van de man. De man erkent dat sprake is geweest van veel hoog oplopende ruzies tijdens het huwelijk en stelt dat de oorzaak daarvan er voornamelijk in gelegen is dat de man overbelast is geraakt naar aanleiding van de zorg voor zijn gezin. De man betwist dat sprake is geweest van fysiek geweld, zoals de vrouw ook stelt. Op 4 juli 2025 is een ruzie tussen partijen tijdens de vakantie van partijen in Spanje in ieder geval opnieuw geëscaleerd, waarbij de man de vrouw ernstig heeft bedreigd. De vrouw is daarop met [minderjarige] naar vrienden gevlucht en is de volgende dag met [minderjarige] naar Nederland teruggekeerd. De man is vervolgens ook naar Nederland teruggekeerd.
De vrouw en [minderjarige] verblijven sindsdien bij de ouders van de vrouw. [minderjarige] en de man zien elkaar iedere zondag op een neutrale locatie, waarbij de overdracht plaatsvindt via de ouders van de vrouw.
Toevertrouwing [minderjarige]
Sinds het uiteengaan van partijen zorgt de vrouw voor [minderjarige] . De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat dit voorlopig zo blijft. De man stelt dat de vrouw vanwege haar fysieke beperking niet in staat zou zijn om (goed) voor [minderjarige] te zorgen en meent dat [minderjarige] daarom niet aan de vrouw, maar aan hem moet worden toevertrouwd. De rechtbank volgt de man hierin niet. De omstandigheid dat de vrouw fibromyalgie heeft en daardoor soms fysieke beperkingen heeft, betekent niet dat zij niet voor [minderjarige] kan zorgen. Uit niets blijkt dat de vrouw niet in staat is voor [minderjarige] te zorgen. Dat volgt ook niet uit door de man overgelegde WhatsApp berichten van de vrouw, waarin de vrouw aangeeft heel moe te zijn en hulp nodig te hebben. Nog daargelaten dat onduidelijk van wanneer die berichten dateren, heeft de man op 6 juli 2025 zelf nog een bericht aan de vrouw geschreven waarin hij aangeeft er niet aan te twijfelen dat zij goed voor [minderjarige] zorgt. Dit wordt ook bevestigd door twee bij de vrouw betrokken hulpverleners verbonden aan [instelling 1] in hun verklaringen van respectievelijk 7 en 9 oktober 2025.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen toewijzen. Het betreffende verzoek van de man zal worden afgewezen.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
Beide partijen vragen om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.
De vrouw heeft daartoe het volgende gesteld. De vrouw is enkel als noodoplossing bij haar ouders gaan wonen, met de intentie dat die situatie van tijdelijke aard zou zijn. Na haar vertrek heeft de man in eerste instantie beloofd dat hij op zoek zou gaan naar een andere woning. Later is hij daarop terug gekomen en heeft hij haar de toegang tot de woning volledig ontzegd. Daarnaast is de vrouw soms door haar fysieke gezondheid gebonden aan het gebruik van een rolstoel. De woning is aangepast aan haar behoeftes en rolstoelvriendelijk gemaakt. De vrouw wenst samen met [minderjarige] terug te keren naar een stabiele (woon)situatie.
De man voert aan dat hij geen mogelijkheden heeft om elders te verblijven. De vrouw daarentegen zou langer bij haar ouders kunnen verblijven, waar zij rust en ondersteuning krijgt, ook met betrekking tot de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Ook betwist de man dat de woning rolstoelvriendelijk is.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het is duidelijk dat partijen niet meer met elkaar kunnen samenwonen. De rechtbank stelt voorop dat zowel de vrouw als de man er belang bij heeft om met uitsluiting van de ander gebruik te kunnen maken van de echtelijke woning. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure een belangenafweging moet maken. De rechtbank komt na een belangenafweging tot het oordeel dat het uitsluitend gebruik van de woning voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan de vrouw zal worden toegekend.
Voor de rechtbank weegt zwaar mee dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd. Hoewel de vrouw momenteel met [minderjarige] bij haar ouders verblijft en niet is gebleken dat dit een onhoudbare situatie is, begrijpt de rechtbank dat dit voor de vrouw en [minderjarige] geen wenselijke situatie is en dat deze situatie niet al te lang meer moet duren. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij op korte termijn (met zijn moeder) kan terugkeren naar zijn eigen woning. Zo kan [minderjarige] – in ieder geval voorlopig – in zijn vertrouwde omgeving opgroeien en kan hij in [plaats 2] naar de peuterspeelzaal blijven gaan. De rechtbank weegt ook mee wat de directe aanleiding is geweest voor het tijdelijke vertrek van de vrouw uit de woning, te weten de ernstige bedreiging door de man in Spanje. De vrouw is uit angst voor de man, wat gezien zijn uitlatingen begrijpelijk is, met [minderjarige] naar haar ouders gevlucht. Uit de stukken blijkt dat partijen het erover eens waren dat de man zo snel mogelijk een andere woning zou gaan zoeken, zodat de vrouw met [minderjarige] naar de woning kon terugkeren. Uit niets blijkt dat de man pogingen heeft ondernomen om een ander (al dan niet tijdelijk) onderkomen te vinden, waardoor de vrouw en [minderjarige] inderdaad naar de woning konden terugkeren. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de man dat hij geen mogelijkheden heeft om elders te verblijven. Daarnaast heeft de vrouw op de zitting nader toegelicht dat de woning wel degelijk aan haar fysieke beperkingen is aangepast, hetgeen de rechtbank ook meeneemt in haar beslissing.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw om met [minderjarige] naar de echtelijke woning terug te keren zwaarder weegt dan het belang van de man om nog langer alleen in de echtelijke woning te kunnen verblijven. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen daarom toewijzen, onder afwijzing van het verzoek van de man.
De rechtbank ziet in de gegeven situatie echter wel aanleiding om de man nog een termijn van twee maanden te geven om alternatieve woonruimte te vinden. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw met ingang van 8 februari 2025 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning.
Voorlopige zorgregeling - raadsonderzoek
Momenteel hebben [minderjarige] en de man wekelijks op zaterdagochtend, voor de duur van ongeveer anderhalf uur, een contactmoment met elkaar in de Intratuin. De ouders van de vrouw brengen [minderjarige] daarnaartoe en blijven daar zelf ook. De man brengt [minderjarige] vervolgens weer terug naar de ouders van de vrouw. De vrouw wil het contact tussen [minderjarige] en de man opschorten, omdat [minderjarige] volgens haar zorgelijke signalen zou vertonen nadat hij bij de man is geweest. De man verzoekt om een co-ouderschapsregeling, omdat hij het in het belang van [minderjarige] acht dat de zorg gelijkmatig wordt verdeeld.
Beide verzoeken acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat belangrijk is voor [minderjarige] dat hij regelmatig contact behoudt met zijn vader. De rechtbank heeft geen objectieve indicatoren op basis waarvan zij zorgen heeft over de veiligheid van [minderjarige] bij de man. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het contact met de man op te schorten of te bepalen dat er uitsluitend begeleid contact tussen de man en [minderjarige] kan zijn. Daarentegen ziet de rechtbank ook geen mogelijkheid om nu een co-ouderschapsregeling of een uitgebreide zorgregeling vast te stellen, nog afgezien van het feit dat de toekomstige woonsituatie van de man op dit moment onduidelijk is. Voor de rechtbank is duidelijk dat er veel ongezonde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in de relatie tussen partijen. Echter, de rechtbank kan op basis van de voorliggende informatie niet voldoende vaststellen wat zich precies heeft voorgedaan voor 5 juli 2025. Hiermee hangt samen dat de rechtbank momenteel niet kan beoordelen of een uitbreiding van de huidige zorgregeling in het belang van [minderjarige] is. De incidenten die zich hebben voorgedaan en het patroon dat de vrouw heeft beschreven roepen bij de rechtbank de nodige zorgen op over haar (emotionele) veiligheid. Hetgeen hierover naar voren is gebracht door de vrouw – en onder meer onderbouwd met twee meldingen bij Veilig Thuis (waaronder een melding van [instelling 2] ) met zorgen over een onveilige thuissituatie en een verklaring van de oma van de vrouw –, is door de man niet voldoende weersproken en leidt bij de rechtbank ook tot vragen over de (emotionele) veiligheid van [minderjarige] bij de man.
Zoals op de zitting is besproken, ziet de rechtbank – evenals de Raad – aanleiding om de Raad te verzoeken een onderzoek te verrichten. Beide ouders hebben op de zitting verklaard het daarmee eens te zijn. Het onderzoek dient in ieder geval antwoord te geven op de volgende vragen:
Bij deze rechtbank is een echtscheidingsprocedure aanhangig. Deze procedure is bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/695272 en FA RK 25-8966. De rechtbank verzoekt de Raad om het advies en rapport aan de rechtbank in die procedure in te brengen.
De rechtbank is van oordeel dat voortzetting van de huidige zorgregeling – waar de ouders momenteel uitvoering aan geven – voor nu in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal daarom vaststellen dat [minderjarige] en de man voorlopig op zaterdag twee uur contact hebben met elkaar. De rechtbank acht onderling fysiek contact tussen partijen voorlopig niet wenselijk en dus zal de rechtbank ook bepalen dat de overdrachten plaatsvinden via de moeder van de vrouw. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de zorgregeling zal de rechtbank afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van 8 februari 2026 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en beveelt dat de man die woning uiterlijk op die datum dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
bepaalt dat de vrouw voorlopig gerechtigd is om de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , bij zich te hebben;
*
bepaalt dat [minderjarige] en de man wekelijks op zaterdag contact met elkaar hebben voor de duur van twee uur, waarbij de overdracht zal plaatsvinden via de moeder van de vrouw;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen in de bodemprocedure, onder zaak- en rekestnummer C/09/695272 en FA RK 25-8966;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
bepaalt dat de advocaten van partijen zich ná ontvangst van het raadsrapport en -advies binnen veertien dagen moeten uitlaten over het raadsrapport met raadsadvies in de bodemprocedure, onder zaak- en rekestnummer C/09/695272 en FA RK 25-8966;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 8 december 2025.