Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 23 oktober 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.M. Rengelink in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. el Aqde in Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 25 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw zoals dat thans luidt strekt ertoe dat:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig:
Beoordeling
Voorlopige toevertrouwing en voorlopige zorgregeling
Zowel de vrouw als de man verzoeken [minderjarige] aan hen toe te vertrouwen en een voorlopige zorgregeling met de andere ouder vast te leggen. Op de zitting is de situatie uitgebreid met de ouders besproken. Volgens de vrouw is tijdens het huwelijk en na de zwangerschap van [minderjarige] sprake geweest van fysieke en psychische mishandeling door de man. Zij heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. De man ontkent iedere vorm van mishandeling.
Door een melding van de politie bij Veilig Thuis is op 10 september 2025 het Crisis Interventie Team (CIT) ingeschakeld. Uit het eindverslag van het CIT van een maand later volgt dat er afspraken zijn gemaakt over de voorlopige zorgregeling. Daarnaast zal het CIT het gezin aanmelden voor een gezinscoach. De vrouw geeft aan dat zij zich niet gehoord heeft gevoeld bij deze gesprekken omdat zij werd gedwongen om afspraken te maken terwijl er volgens haar sprake is van onveiligheid bij de man. Zij heeft dan ook op 22 oktober 2025, naar aanleiding van een incident, aangifte gedaan tegen de man wegens kindermishandeling. De man betwist het door de vrouw gestelde.
Hij zou [minderjarige] niet hebben mishandeld. Daarnaast moeten volgens hem de afspraken over de voorlopige zorgregeling worden nagekomen.
De rechtbank stelt voorop dat zij niet kan vaststellen of sprake is geweest van mishandeling tijdens het huwelijk. Uit de overgelegde stukken blijkt wel dat de ouders moeizaam communiceren en dat beide families nauw betrokken zijn wat leidt tot meer conflicten. Dit baart de rechtbank veel zorgen, temeer nu [minderjarige] pas drie maanden oud is. Daarnaast heeft de rechtbank de videobeelden bekeken die gemaakt zijn met de Ring camera (aanleiding van de aangifte). Hierop is te zien dat de man ruw omgaat met [minderjarige] die op dat moment pas een maand oud is. Zo wordt hij een aantal keer op zijn rug getikt en wordt zijn hoofdje niet ondersteund. De rechtbank overweegt dat gezien de jonge leeftijd van de ouders, het voorstelbaar is dat zij beiden begeleiding nodig hebben op het gebied van opvoeding. De man heeft laten weten dat [instelling] betrokken is, maar dat het nog niet bekend is wanneer de hulpverlening gestart wordt.
Gelet op het bovenstaande en het feit dat [minderjarige] pas drie maanden oud is, zal de rechtbank [minderjarige] voorlopig toevertrouwen aan de vrouw. Daarnaast is met de ouders en de raadsvertegenwoordiger besproken hoe het contact tussen de man en [minderjarige] op korte termijn weer opgestart kan worden. De vrouw blijft haar zorgen uiten over de veiligheid van [minderjarige] bij de man. In dat kader is Omgangsbegeleiding besproken (waarover later meer). Vanwege de wachtlijsten hebben de ouders voor de tussentijd afgesproken dat de zus van de vrouw, [naam 2] , haar woning beschikbaar zal stellen en de begeleiding zal doen voor minimaal een uur per twee weken. Zowel de vrouw als andere familieleden zijn niet bij deze contactmomenten.
Omgangsbegeleiding
Beide ouders hebben op de zitting ingestemd om deel te nemen aan het traject Omgangsbegeleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan voornoemd traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al verzonden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan Omgangsbegeleiding en aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstanties. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om de eindrapportage over het verloop van de Omgangsbegeleiding in te dienen op de hierna vermelde wijze in de echtscheidingsprocedure (zaaknummer nog niet bekend) nu in de onderhavige procedure een eindbeslissing wordt genomen. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of een onderzoek door de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Raadsonderzoek
De man heeft subsidiair verzocht een raadsonderzoek te gelasten. De rechtbank zal niet vooruitlopen op het traject Omgangsbegeleiding en nu al een onderzoek gelasten. De rechtbank heeft de lus naar de Raad opgenomen, zodat indien het traject niet positief wordt afgerond de Raad verzocht wordt om te kijken of een raadsonderzoek noodzakelijk is. Gelet hierop, zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.
Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
De man verzoekt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te kennen. De vrouw heeft op zitting met dit verzoek ingestemd, nu zij de woning al verlaten heeft en niet terug wil keren. De rechtbank zal het verzoek van de man als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen.
Afgifte goederen strekkend tot het dagelijks gebruik
Op de zitting hebben de ouders afspraken gemaakt over de afgifte van de persoonlijke spullen van de vrouw en [minderjarige] . Zij hebben daarbij afgesproken dat oom [naam 3] met een familiebusje de spullen komt ophalen bij de man. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Afgifte [minderjarige]
De vrouw verzoekt om [minderjarige] af te geven als hij niet feitelijk bij haar is. De rechtbank overweegt dat dit verzoek niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), en zal daarom de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
Vervangende toestemming inschrijving BRP
De vrouw verblijft met [minderjarige] bij haar ouders in Amsterdam. Door verschillende instanties wordt zij naar Den Haag verwezen omdat zij nog ingeschreven staat op het adres van de echtelijke woning. Zij verzoekt daarom vervangende toestemming om [minderjarige] met haar in te schrijven in Amsterdam. De man voert verweer. Volgens hem valt het verzoek van de vrouw niet onder limitatieve opsomming. Daarnaast is het nog onduidelijk waar [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats gaat krijgen, dit moet nog worden bepaald in de echtscheidingsprocedure.
De rechtbank overweegt dat het verzoek van de vrouw niet valt onder limitatieve opsomming van artikel 822 Rv. De rechtbank zal daarom de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.
Voorlopige kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen 2025 als uitgangspunt.
Behoefte van [minderjarige]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt gekeken naar wat de kosten van de kinderen (de behoefte) zijn. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide ouders samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De rechtbank zal rekenen met de tarieven van periode 2025-II, omdat de ouders in oktober 2025 uit elkaar zijn gegaan.
De ouders zijn het erover eens dat bij de man moet worden uitgegaan van een winst uit onderneming van € 20.092,- in 2024 en inkomen uit arbeid van € 9.611,- in 2024, zoals volgt uit de aangifte inkomstenbelasting 2024. De rechtbank zal hier dan ook rekening mee houden.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man op
€ 2.416,- per maand.
Tussen de ouders is niet in geschil dat de vrouw geen inkomen heeft. De ouders hebben recht op een kindgebonden budget van € 209,- per maand. Het NBGI bedraagt dan (2.416 + 209 =) € 2.625,- per maand. Op basis van de ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’ levert dit een behoefte op van € 308,- per maand in 2025.
Draagkracht
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding partijen dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen.
De rechtbank volgt ook daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2025 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% (NBI – (0,3 x NBI + € 1.310).
Draagkracht vrouw
De vrouw heeft momenteel geen inkomen. Zij is voornemens een bijstandsuitkering aan te vragen maar op dit moment is dat nog niet gebeurd.
Op de zitting hebben de ouders afspraken gemaakt over het kindgebonden budget. Omdat [minderjarige] ingeschreven staat op het adres van de echtelijke woning ontvangt de man het kindgebonden budget terwijl [minderjarige] feitelijk bij de vrouw verblijft. De ouders hebben daarom afgesproken dat de man het kindgebonden budget aanvraagt en het rekeningnummer invult van de vrouw. Als dit niet mogelijk is draagt de man er zorg voor dat het kindgebonden budget naar de vrouw maandelijks wordt overgemaakt.
De rechtbank houdt daarom rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op € 492,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt € 25,- per maand.
Draagkracht man
Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van dezelfde inkomensgegevens als hiervoor overwogen bij de behoefte. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Op basis van deze uitgangspunten bedraagt het huidige NBI van de man € 2.416,- per maand en de draagkracht van de man € 267,- per maand.
Zorgkorting
Gelet op de voorlopige zorgregeling en de uitgangspunten in het Rapport Alimentatienormen 2025 kan een zorgkorting van 5% gehanteerd worden. De behoefte van [minderjarige] is € 308,- per maand, waardoor de zorgkorting (0,05 x 308 =) € 15,- per maand bedraagt.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk (25 + 267 =) € 292,- per maand. Dit is onvoldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 16,- per maand.
Omdat sprake is van een tekort van € 16,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van (16 – 8 = ) € 7,- per maand.
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] bedraagt dan (267 – 7 =) € 260,- per maand.
Ingangsdatum
De vrouw verzoekt als ingangsdatum van de kinderalimentatie 1 oktober 2025 omdat zij vanaf dat moment de echtelijke woning heeft verlaten. De man voert verweer, en stelt dat dit de datum van de beschikking moet zijn.
De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank overweegt dat terughoudend moet worden omgegaan met het vaststellen van kinderalimentatie met terugwerkende kracht. De rechtbank acht het redelijk om in dit geval de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 23 oktober 2025. De man heeft vanaf dat moment rekening kunnen houden met de vaststelling van kinderalimentatie.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man met ingang van 23 oktober 2025 een voorlopige kinderalimentatie van € 260,- per maand aan de vrouw moet voldoen.
Aanhechten beschikking
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de behoefte en draagkracht van de ouders. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Voorlopige partneralimentatie
Omdat de ouders onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van hun kinderen te voorzien, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie bij gebrek aan draagkracht afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in
[geboorteplaats] , aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] te zien:
- één uur per twee weken in de woning van de zus van de vrouw onder begeleiding van de zus (en haar vriend), zonder dat de vrouw of andere familieleden daarbij aanwezig zijn;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vrouw] (de moeder),
wonende aan de [adres 1] ,
en
[de man] (de vader),
wonende aan de [adres 1] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, [adres 2] ;
*
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van de Omgangsbegeleiding met kopie aan beide ouders en hun advocaten en daarvan, indien het traject niet positief is verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren
en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] , en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
beveelt dat de man aan de vrouw de goederen strekkend tot haar dagelijks gebruik en die van [minderjarige] , beschikbaar zal stellen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 260,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken tot afgifte van [minderjarige] en tot vervangende toestemming inschrijving BRP;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 december 2025.