ECLI:NL:RBDHA:2025:26149

ECLI:NL:RBDHA:2025:26149, Rechtbank Den Haag, 13-11-2025, NL24.7707

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-11-2025
Datum publicatie 15-01-2026
Zaaknummer NL24.7707
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Derdelanders richtlijn tijdelijke bescherming (RTB) - verweerder mocht tijdelijke bescherming beeindigen - bevriezingsmaatregel en vovo maken dat niet anders - geen ruimte voor toets evenredigheid bij van rechtswege einde verblijfsrecht - geen strijd met 8 EVRM - geen schending hoorplicht beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser], eiser,

v-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. C. Mayne),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.

Verweerder heeft met het besluit van 7 augustus 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na uitspraak op dit beroep Nederland dient te verlaten.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Partijen hebben aangegeven geen prijs te stellen op een behandeling van het beroep op de geplande zitting. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 29 juli 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.

3. Op 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024. Verweerder heeft dat besluit ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervangen met het besluit van 7 augustus 2025. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking op het nieuw genomen besluit.

Met het nieuwe besluit van 7 augustus 2025 heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat er geen sprake is van risico’s bij terugkeer naar Algerije en dat de individuele omstandigheden van eiser, waaronder het feit dat hij enkele jaren in Nederland verblijft, niet maken dat van het terugkeerbesluit moet worden afgezien.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser voert ten eerste aan dat hem geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd omdat hij rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de uitspraak op zijn beroep en op grond van de door deze rechtbank bij uitspraak van 14 maart 2024 toegewezen voorlopige voorziening. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven dat eiser tot 4 september 2025 in Nederland mag verblijven. Verder voert eiser aan dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen in het besluit. Eiser is in Nederland geïntegreerd en verricht betaald werk. Hij verblijft al langere tijd in Nederland en indien hem een verblijfstitel was verleend, in plaats van een ontheemden status, had hij naar aanleiding van dat verblijf rechten opgebouwd. Het besluit in strijd met artikel 8 van het EVRM.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Rechtmatig verblijf

5. Uit de uitspraken van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 7 augustus 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.

De rechtbank is namelijk van oordeel dat verweerder de aan eiser verleende facultatieve tijdelijke bescherming heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.

Het betoog dat eiser rechtmatig verblijf heeft vanwege de door verweerder getroffen bevriezingsmaatregel slaagt niet. De tijdelijke bescherming van eiser is op 4 maart 2024 geëindigd, zodat hij vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Dat het hem door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van het arrest Kaduna en Abkez. Met de bevriezingsmaatregel is immers niet de tijdelijke bescherming verlengd, maar enkel bepaald dat eiser nog tijdelijk gebruik mocht maken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had in afwachting van definitieve besluitvorming. Dit (procedureel) rechtmatige verblijf is van een andere orde dan het rechtmatig verblijf onder de Richtlijn en staat dan ook niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit.

De rechtbank stelt verder vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 14 maart 2024 de rechtsgevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit heeft opgeschort en heeft bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op zijn beroep. Deze uitspraak betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure (procedureel) rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten, maar doet daarmee niet af aan de vaststelling dat eiser, met de beëindiging van de tijdelijke bescherming, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor legaal verblijf in Nederland. Verweerder is daarom bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.

Persoonlijke omstandigheden

6. Verder is de rechtbank van oordeel dat de beëindiging van het verblijfsrecht en het opleggen van het terugkeerbesluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of met artikel 8 van het EVRM. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming geen ruimte is voor een individuele toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat het verblijfsrecht van rechtswege is geëindigd. Verweerder heeft dus terecht niet beoordeeld of het beëindigen van de tijdelijke bescherming, en daarmee het verblijfsrecht van eiser, voor het individuele geval van eiser evenredig is.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te oordelen dat het opleggen van het terugkeerbesluit onevenredig is of in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het feit dat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland heeft gewerkt en een leven heeft opgebouwd, niet maakt dat het terugkeerbesluit onevenredig is of in strijd is met zijn recht op privéleven onder artikel 8 van het EVRM. Dat eiser met een andere verblijfstitel wellicht rechten had opgebouwd tijdens zijn verblijf in Nederland, maakt dat oordeel niet anders. Eiser heeft daartoe overigens ook geen aanvraag gedaan.

De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat verweerder hem had moeten horen alvorens het terugkeerbesluit op te leggen. Uit arresten van het Hof van Justitie volgt dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunten over het terugkeerbesluit kenbaar te maken alvorens dat wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser daartoe voldoende in staat heeft gesteld, nu hij met een zienswijze heeft kunnen reageren op het voornemen van verweerder om een terugkeerbesluit op te leggen. Eiser heeft in zijn zienswijze naar voren gebracht dat hij werkt en een leven heeft opgebouwd in Nederland. De rechtbank merkt op dat verweerder deze omstandigheden kenbaar heeft betrokken in het besluit. Het is de rechtbank daarbij niet duidelijk welke informatie verweerder volgens eiser niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming door eiser niet te horen.

7. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Algerije.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 7 februari 2024 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.

9. Nu verweerder het besluit waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?