uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
Verweerder heeft met het besluit van 16 juli 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 Nederland dient te verlaten.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser heeft aangegeven geen prijs te stellen op een behandeling van het beroep op de geplande zitting. Verweerder heeft vervolgens desgevraagd aangegeven daar ook geen prijs op te stellen, gelet op het ingediende verweerschrift. De rechtbank doet daarom uitspraak buiten zitting met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 12 augustus 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
3. Op 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024. Verweerder heeft dat besluit ingetrokken en het besluit onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervangen met het besluit van 16 juli 2025. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb automatisch betrekking op het nieuw genomen besluit.
Met het nieuwe besluit van 16 juli 2025 heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat er geen sprake is van risico’s bij terugkeer naar Marokko, dat de individuele omstandigheden van eiser niet maken dat van het terugkeerbesluit moet worden afgezien en dat er geen aanleiding bestaat om eiser te horen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de tijdelijke bescherming van eiser heeft beëindigd, nu de onder de RTB verleende bescherming voor iedereen is verlengd tot 5 maart 2025. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd omdat eiser vanwege medische omstandigheden niet kan terugkeren naar Marokko.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Rechtmatig verblijf
5. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 16 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.
De rechtbank volgt eiser namelijk niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
Persoonlijke omstandigheden
6. De rechtbank overweegt verder dat eiser zijn stelling dat hij vanwege medische omstandigheden niet terug kan keren naar Marokko geenzins heeft onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat deze omstandigheden in de weg zouden staan aan het opleggen van het terugkeerbesluit.
7. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Marokko.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 16 juli 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 7 februari 2024 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.
9. Nu verweerder het besluit waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.