Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 8 november 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.A.G Balkenende te Katwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.S. Gerson te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
zijde van de vrouw;
Op 6 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
- Deze rechtbank heeft op 18 december 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
- is bepaald dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige] is vastgesteld, waarbij [minderjarige] – conform de overeenstemming van partijen –:
- van 12 december 2024 tot en met 19 december 2024 bij de man verblijft;
- van 19 december 2024 tot en met 26 december 2024 bij de vrouw verblijft;
- van 26 december 2024 tot en met 9 januari 2025 bij de man verblijft;
en waarbij met ingang van 9 januari 2025 een week-op-week-af-regeling in gaat met de wisseldag op de donderdag uit de crèche/opvang (17.30 uur), waarbij [minderjarige] :
- vanaf 9 januari 2025 een week bij de vrouw verblijft, en
- vanaf 16 januari 2025 een week bij de man verblijft,
- enzovoorts.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 28 april 2025 is bepaald dat het verzoek van de vrouw tot wijziging van de voorlopige voorziening en het verzoek van de man tot bepaling van een dwangsom afgewezen.
Verzoek en verweer
Het verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot de ontbinding van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen tot:
het voorstel van de vrouw;
- veroordeling dat de man aan de vrouw met ingang van een nog nader te bepalen datum tot de datum van de verdeling van de woning een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 600,- dient te betalen dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte voor de hoofdverblijfplaats –verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw verweer tegen de verzochte zelfstandige verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Ontbinding geregistreerd partnerschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu het geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 4, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
De rechtbank zal krachtens artikel 10:86 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) Nederlands recht toepassen op het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 tweede lid Rv dient een verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan te bevatten over het kind van beide partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet als een processuele eis bij een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap waarbij het kind is betrokkenheid is geformuleerd, heeft de rechtbank de bevoegdheid partijen in hun verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 zesde lid Rv).
Partijen hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat het voor hen gedurende de procedure redelijkerwijs niet mogelijk is gebleken om een door hen beiden akkoord bevonden en getekend ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal daarom voorbijgaan aan deze processuele eis uit artikel 815 tweede lid Rv. Omdat aan de overige wettelijke vereisten wel is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Inhoudelijke beoordeling
De man verzoekt vaststelling van een zorgregeling ten aanzien van [minderjarige] , inhoudende dat hij om de week de zorg over [minderjarige] heeft (co-ouderschap) en dat de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld. Deze zorgregeling is eveneens opgenomen in de voorlopige voorziening van 18 december 2024. De man stelt dat deze naar behoren verloopt en verzoekt deze voort te zetten.
De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte zorgregeling. Zij stelt, overeenkomstig haar standpunt in de procedure betreffende de wijziging van de voorlopige voorziening, dat op dit moment geen zorgregeling kan worden vastgesteld omdat de emotionele veiligheid van [minderjarige] bij de man volgens haar niet gegarandeerd kan worden.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen reeds zijn aangemeld voor het traject Ouderschap Blijft bij [instantie] . De rechtbank is van oordeel dat partijen binnen dit traject met elkaar in gesprek kunnen gaan over eventuele opvoedingsproblemen met betrekking tot [minderjarige] en, in dat kader, over (een wijzing van) de zorgregeling. Op dit moment ziet de rechtbank geen ernstige signalen waaruit blijkt dat de (emotionele) veiligheid van [minderjarige] bij de man in het geding is. De rechtbank zal daarom de in de voorlopige voorziening vastgelegde zorgregeling definitief vaststellen en ten aanzien van de vakanties en feestdagen bepalen dat deze bij helfte zullen worden verdeeld.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 Nederlands recht op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen toepassen, nu de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Inhoudelijke beoordeling
Bij vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (hierna: het Rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Alimentatiegerechtigde
Beide partijen hebben verzocht dat de ander kinderalimentatie moet betalen. Gelet op het feit dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten dient te voldoen, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw de alimentatiegerechtigde zal zijn
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de (basis)behoefte van [minderjarige] in 2025 € 732,- per maand bedraagt.
De vrouw stelt dat daarnaast rekening dient te worden gehouden met € 54,- aan oppaskosten die zij maandelijks betaalt. De man voert hiertegen verweer en meent dat met deze kosten geen rekening dient te worden gehouden.
De rechtbank is van oordeel dat de genoemde oppaskosten niet zodanig uitzonderlijk zijn, dat zij als bijzondere kosten kunnen worden aangemerkt waarmee de behoefte dient te worden verhoogd. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met de door de vrouw gestelde extra kosten van € 54,- per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.032,- bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantiegeld, € 253,- eindejaarsuitkering, en een gemiddeld ORT toeslag van € 39,- per maand. De rechtbank gaat voor de ORT toeslag uit van het gemiddelde zoals dat volgt uit de salarisspecificaties van augustus 2025, september 2025 en oktober 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met:
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in op € 3.435,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.435 – (1.031 + 1.310)] = € 766,- per maand.
Draagkracht man
Partijen zijn het niet eens over het inkomen van de man. De man stelt dat rekening dient te worden gehouden met zijn huidige, lagere inkomen. De man is van baan veranderd omdat hij veel (werk gerelateerde) spanningen ervaarde. In zijn vorige functie werkte hij 40 uur per week en in noodgevallen moest de man 24 uur per dag beschikbaar zijn. Volgens de man was deze werksituatie voor hem als alleenstaande vader niet te combineren met de zorg voor [minderjarige] . De man werkt inmiddels bij een uitzendbureau als Assemblage medewerker en krijgt wekelijks uitbetaald. Zijn bruto inkomen bedraagt € 2.153,- per vier weken, inclusief vakantiegeld.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man zijn inkomensvermindering zelf heeft veroorzaakt en dat derhalve moet worden uitgegaan van zijn eerdere, hogere inkomen, zoals blijkt uit zijn jaaropgave 2024. Volgens de vrouw heeft de man onvoldoende onderbouwd dat het inkomensverlies buiten zijn schuld is ontstaan.
De rechtbank overweegt als volgt. Wanneer een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, wordt in beginsel rekening gehouden met het nieuwe (lagere) inkomen. Wel wordt van de onderhoudsplichtige verwacht dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om te stellen en te onderbouwen dat en waarom dit niet is gelukt. Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, moet worden beoordeeld of de onderhoudsplichtige redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven en of dit van hem kan worden gevergd.
De rechtbank is van oordeel dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een situatie waarin de daling in het inkomen van de man buiten zijn schuld is ontstaan. De man heeft immers zelf zijn oude baan opgezegd en gekozen voor een nieuwe baan met een lager inkomen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het draaien van 24-uursdiensten in combinatie met de zorg van [minderjarige] belastend kan zijn, had het op de weg van de man gelegen om dan op zoek te gaan naar een baan met een vergelijkbaar inkomen (maar dan zonder 24-uursdiensten). Niet is gebleken dat de man heeft gezocht naar een dergelijke baan, maar deze niet heeft kunnen vinden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij de berekening van de draagkracht van de man dient te worden uitgegaan van zijn salaris over 2024. Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank dan ook uit van een inkomen van € 35.522 ,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave 2024.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in op € 2.819,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.819 – (846 + 1.310)] = € 464,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.230,- per maand (€ 766 + € 464). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 464 / 1.230 x 732 = € 276,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 766 / 1.230 x 732 = € 456,-
samen € 732,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 276,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 456,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 256 per maand (35% van € 732). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 20,- per maand (€ 276,- (aandeel) -/- € 256,- (bedrag aan zorgkorting)).
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man met ingang van de datum beschikking een kinderalimentatie bedrag van € 20,- per maand aan de vrouw dient te voldoen.
Kinderbijslag
De man heeft verzocht te bepalen dat de kinderbijslag bij helften wordt verdeeld. Gelet op het feit dat, zoals hiervoor overwegen, partijen het erover eens zijn dat de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten zal voldoen, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.
Verdeling
Rechtsmacht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 10:71 BW wordt het partnerschapsvermogen beheerst door het Nederlands recht, aangezien het partnerschap is aangegaan in Nederland en niet gesteld of gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt vóór het aangaan van het geregistreerd partnerschap.
Inhoudelijke beoordeling
De man en de vrouw zijn op [datum] 2021 te [plaats 1] een geregistreerd partnerschap aangegaan. Dit betekent dat sprake is van een wettelijk beperkte gemeenschap van goederen.
Peildatum
De rechtbank overweegt dat voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap als peildatum 8 november 2024, de datum van indiening van het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, geldt. Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.
Omvang
De man en de vrouw hebben de volgende bestanddelen opgevoerd die in de verdeling dienen te worden betrokken:
Ad 1. de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] met de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening
Beide partijen wensen de woning toebedeeld te krijgen. Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de man in eerste instantie de gelegenheid dient te krijgen om te onderzoeken of hij financieel in staat is om de echtelijke woning over te nemen.
Verder is tijdens de zitting besproken welke partij de selectie van drie makelaars mag aandragen voor de taxatie van de woning. Beide partijen willen dit zelf doen.
De rechtbank overweegt als volg. Gelet op het feit dat de vrouw in 2024 zelf een makelaar taxateur heeft ingeschakeld, maar het rapport van deze makelaar thans niet wil gebruiken (terwijl de man hier geen bezwaar tegen heeft), is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk om ditmaal de man de gelegenheid te geven drie makelaar taxateurs te laten selecteren, waar de vrouw er één uit mag kiezen.
Tot slot is met partijen op zitting afgesproken dat indien mocht blijken dat de man niet financieel in staat is om de woning over te nemen, de vrouw de gelegenheid krijgt om te onderzoeken of zij financieel in staat is om de woning over te nemen.
De rechtbank zal bepalen dat partijen de verdeling van de echtelijke woning (en de hypothecaire geldlening) op bovenstaande wijze dienen te realiseren, wat is vastgelegd in het dictum van deze beschikking vermelde spoorboekje.
Ad 2. de inboedel
Tijdens de zitting is gebleken dat partijen de inboedel reeds in onderling overleg hebben verdeeld. Voor de rechtbank valt ten aanzien van de inboedel dus niets te beslissen.
Ad 3. de bankrekeningen
Tijdens de zitting is met partijen afgesproken dat ieder de eigen bankrekening behoudt zonder nadere verrekening. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Tevens is gebleken dat er nog een gezamenlijke bankrekeningen bestaat. Tijdens de zitting is overeengekomen dat deze bankrekening opgeheven zal worden en de saldi bij helfte zal worden verdeeld.
Gebruiksvergoeding
De vrouw maakt aanspraak op een gebruiksvergoeding van € 600,- per maand omdat de man, met uitsluiting van de vrouw, in de echtelijke woning is blijven wonen.
De man voert verweer en stelt dat hij sinds 1 januari 2025 de volledige eigenaarslasten draagt. Hij acht het daarom onredelijk als de vrouw dan nog een gebruikersvergoeding van € 600,- per maand zou ontvangen.
Tijdens de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de gebruiksvergoeding. Partijen hebben afgesproken dat de door de vrouw verzochte gebruiksvergoeding wordt verrekend met de eigenaarslasten die de man sinds 1 januari 2025 betaalt. Voor de rechtbank valt ten aanzien van de gebruiksvergoeding dus niets meer te beslissen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen aangegaan op [datum] 2021 te [plaats 1] ;
*
bepaalt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] bij de vrouw;
*
bepaalt een week-op-week-af-regeling waarbij de wisseldag op de donderdag uit de crèche/opvang (17.30 uur);
*
bepaalt dat de vakanties en feestdagen bij helfte zullen worden verdeeld;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum beschikking, te weten 9 december 2025, een kinderalimentatie van € 20,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de partnergemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] met de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na heden drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en zo nodig te verkopen, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. indien de man de woning niet kan overnemen onder de onder 1 genoemde voorwaarden dan wordt de woning toegedeeld aan de vrouw op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als genoemd onder 1 (waarbij dan geldt dat de twee maanden termijn in dat geval begint te lopen vanaf het moment dat de man aan de vrouw heeft laten weten dat hij de woning niet kan overnemen), waarbij geldt dat waar man staat moet worden gelezen vrouw en omgekeerd en met dien verstande dat de woning dus niet opnieuw wordt getaxeerd;
3. indien geen van partijen de woning kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week nadat de onder 2) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
bepaalt dat ieder der partijen zijn/haar op naam staande bankrekeningen(en) behoudt, zonder nadere verrekening;
bepaalt dat partijen de gemeenschappelijke bankrekening zullen opheffen en dat zij het saldo bij een positief saldo bij helfte zullen verdelen en dat bij een negatief saldo door ieder voor de helft wordt aangevuld;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.