RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43017 Rectificatie
[eiseres] , [minderjarige1] en [minderjarige2], V-nummer: [V-nummer] , eisers (gemachtigde: mr. M. Drenth),
en
Procesverloop
3. Eiseres heeft mede namens haar minderjarige kinderen [minderjarige1] en [minderjarige2] een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Haïtiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond en de aanvragen van de minderjarige kinderen afgewezen als ongegrond.
4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eisers, Y. Igielski als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Problemen vanwege biseksualiteit
Vorige asielprocedure
6. Eiseres heeft eerder een asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 8 juni 2021 afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister vond haar asielmotieven geloofwaardig, waaronder haar biseksuele geaardheid en de gewelddadige aanval op eiseres en haar minderjarige zoon door onbekende mannen, waarbij zij is verkracht en haar zoon is ontvoerd. De minister vond deze asielmotieven echter niet voldoende zwaarwegend om aan eiseres een asielvergunning te verlenen en heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard1 en die uitspraak is vervolgens door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd2.
7. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst; en
- problemen vanwege biseksualiteit.
8. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, maar de problemen vanwege haar biseksualiteit ongeloofwaardig. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats 1] en dat eiseres niet met individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Haïti. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond. Het eerder uitgevaardigde terugkeerbesluit aan eiseres is nog steeds geldig. Ook heeft de minister de asielaanvragen van de minderjarige kinderen van eiseres afgewezen als ongegrond en aan hen een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Verder heeft de minister aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
9. De rechtbank overweegt dat op de zitting is vastgesteld dat de geloofwaardigheid van de problemen die eiseres heeft ervaren vanwege haar biseksualiteit niet langer onderdeel is van haar beroep waardoor de geloofwaardigheid van dit asielmotief niet meer in geschil is. Ook is op de zitting vastgesteld dat dit niet langer een omstandigheid is die moet worden betrokken bij de beoordeling van de zwaarwegendheid.
Veiligheidssituatie in Haïti en artikel 3 van het EVRM
10. Eiseres voert aan dat de minister het meest uitzonderlijke niveau van willekeurig geweld in Haïti had moeten aannemen, met name in [plaats 1] . Eiseres wijst daarbij op een aantal openbare bronnen van onder andere Human Rights Watch3, het U.S. Department of State4, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (UNHRC)5en naar een uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 mei 20256. Ook voert eiseres aan dat haar terugkeer naar Haïti in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM, gelet op haar individuele omstandigheden.
1 Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 7 juli 2021, NL21.9085.
2 Uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2021, 202104494/1/V2.
3 Human Rights Watch, World Report 2025: Haiti.
4 U.S. Department of State 2024 Country Reports on Human Rights Practices: Haiti.
5 United Nations Human Rights Council: Situation of human rights in Haiti, Report of the United Nations High Commissioner for Human Rights (A/HRC/58/76).
6 Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5091 en NL23.12413. Deze uitspraak is niet gepubliceerd.
7 Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19118.
8 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2023 (X en Y), ECLI:EU:C:2023:843.
9 Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021 (CF en DN), ECLI:EU:C:2021:472 en ook de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
10 United Nations Integrated Office in Haiti (BINUH): Quarterly Report on the Human Rights Situation in Haiti; July – September 2025.
11 Human Rights Watch, World Report 2025: Haiti.
12 United Nations Human Rights Council: Situation of human rights in Haiti, Report of the United Nations High Commissioner for Human Rights (A/HRC/58/76).
13 U.S. Department of State 2024 Country Reports on Human Rights Practices: Haiti, Section 3.
14 Freedom House: Freedom in the World 2025 – Haiti.
15 United Nations Integrated Office in Haiti (BINUH): Quarterly Report on the Human Rights Situation in Haiti; July – September 2025.
16 Human Rights Watch, World Report 2025: Haiti.
17 Human Rights Watch, World Report 2025: Haiti.
11. De minister stelt zich op het standpunt dat de situatie in Haïti zorgelijk is, maar dat geen sprake is van een zodanig uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld dat eiseres enkel door haar aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld dat voortkomt uit een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Daarbij heeft de minister specifiek gekeken naar de regio [regio] en [plaats 1] , omdat eiseres hier vandaan komt en naar terug zal moeten keren. De minister neemt aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in deze regio, in de zin van artikel 15, onder c, (15c) van de Kwalificatierichtlijn. Dit betekent dat eiseres aan de hand van individuele omstandigheden aannemelijk moet maken dat zij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister wijst op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 november 20237 waarin de rechtbank dit standpunt van de minister heeft gevolgd.
12. De rechtbank stelt voorop dat artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn allereerst gaat over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15c kan echter ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’, volgens het Hof van Justitie.8Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld moet de minister alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking nemen. Specifiek gaat het daarbij om de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurige geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een vreemdeling bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. Daarnaast is het aantal ontheemden relevant en de humanitaire omstandigheden die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij het gewapende conflict.9
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Uit de openbare informatie die eiseres en de minister naar voren hebben gebracht blijkt een zeer zorgelijk beeld. Uit het BINUH rapport van de Verenigde Naties van 11 november 202510 blijkt dat inmiddels 90% van [plaats 1] in handen is van bendes en dat sprake is van gewapende confrontaties, ook wel battles tussen die bendes. Uit het Human Rights Watch rapport 202511 blijkt dat de bendes in hoog tempo uitbreiden naar delen van [plaats 1] die daarvoor nog als veilig konden worden beschouwd. Ook nemen ze positie in in belangrijke delen van de regio, bijvoorbeeld voor landbouw. Deze bendes hebben beweerdelijk banden met de politie, politiek en economische elite. In de informatie van de minister staat dat in de periode van 1 januari t/m 3 december 2025 door het geweld in [plaats 1] in totaal 1.647 doden (inclusief burgerslachtoffers) zijn gevallen en er 344 gevallen bekend zijn waarin geweld tegen burgers is gebruikt. Ook wordt opzettelijk (seksueel) geweld gebruikt tegen burgers. Zo meldt het UNHCR rapport van 4 april 2025 dat seksueel geweld wordt gebruikt als wapen tegen vrouwen en meisjes: “In [plaats 1] and [plaats 2] , where gangs control and exert influence over large portions of the territory, sexual violence and rape, in particular collective rape, are used as weapons against women and girls”.12 In het door eiseres overgelegde rapport van de U.S. Department of State van 2024 staat dit ook: “gangs continued to use sexual violence to punish, spread fear in, and subjugate the population.”13. Freedom House schrijft verder voor 2024: “Armed groups continued to subject women, girls and LGBT+ people to sexual violence”14 en in het BINUH rapport staat dat vooral vrouwen en meisjes slachtoffer worden van seksuele mishandelingen door bendes, die ook gewoon huizen binnenvallen.15 Uit het Human Rights Watch rapport 2025 volgt tot slot dat het seksuele geweld toeneemt en wijdverspreid is: “Sexual violence has escalated, becoming widespread. Survivors face severely limited or nonexistent access to protection and care services”.16
14. Daarnaast acht de rechtbank relevant dat kinderen volgens het Human Rights Watch rapport 2025 behoren tot de groep die het hardst wordt getroffen door het geweld, onder meer door toenemende honger, de dwang om bij bendes aan te sluiten (tenminste 30% van hun leden zijn kinderen) en de dwang tot arbeid en seksuele uitbuiting van meisjes.17 Tot slot beschrijven de openbare bronnen dat de humanitaire situatie als gevolg van het geweld zeer zorgelijk is. Zo staat in het UNHCR rapport van 4 april 2025 dat voor Haïti wordt geschat “that armed gang violence has pushed 5.4 million people into conditions of high level of acute food insecurity”18 en zegt een andere door de minister aangehaalde bron van oktober 2025 dat 45% van de zorginstellingen in [plaats 1] zijn vernietigd of gesloten en slechts 36% volledig operationeel is.19 Tot slot leest de rechtbank in de door de minister overgelegde informatie dat het aantal ontheemden toeneemt in Haïti en momenteel op 1.412.199 personen staat.20
a. Torture and Cruel, Inhuman, or Degrading Treatment or Punishment.
15. De rechtbank ziet dat de minister in zijn beoordeling van de gradatie van willekeurig geweld deze bronnen heeft betrokken, maar de rechtbank vindt die beoordeling onvoldoende inzichtelijk. Niet deugdelijk gemotiveerd is hoe die bronnen – en dan specifiek de hierboven genoemde omstandigheden – zijn gewogen en hoe dat leidt tot een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio [regio] en in het bijzonder [plaats 1] in Haïti.
16. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister afgezien van de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de terugkeer van eiseres naar Haïti geen schending oplevert van artikel 3 van het EVRM. Daarbij is van belang dat eiseres meerdere individuele omstandigheden heeft aangevoerd die de minister in het bestreden besluit niet inzichtelijk bij zijn beoordeling heeft betrokken. Eiseres is een alleenstaande vrouw met twee minderjarige kinderen en is eerder slachtoffer geworden van seksueel geweld door onbekende mannen. Na afloop van deze aanval hebben de onbekende mannen de zoon van eiseres ontvoerd die na het betalen van losgeld is vrijgelaten. Deze gebeurtenissen heeft de minister in de vorige asielprocedure geloofwaardig gevonden en leveren een aanwijzing op dat eiseres bij terugkeer opnieuw zal worden blootgesteld aan ernstige schade.21 De minister heeft in het bestreden besluit niet inzichtelijk gemotiveerd hoe met deze omstandigheden rekening is gehouden bij het beoordelen van het risico op ernstige schade, en in het bijzonder hoe deze zijn afgezet tegen de achtergrond van willekeurig geweld in [plaats 1] in Haïti dat wordt gekenmerkt door bendegeweld.
17. Omdat de rechtbank van oordeel is dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt en dit opnieuw zal moeten beoordelen, zal de rechtbank de beroepsgronden van eiseres die zijn gericht tegen de ambtshalve beoordeling van haar familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM niet bespreken.
Conclusie en gevolgen
18 United Nations Human Rights Council: Situation of human rights in Haiti, Report of the United Nations High Commissioner for Human Rights (A/HRC/58/76).
19 Global Protection Cluster: Haiti Protection Analysis Update, September 2025, pagina 4.
20 Rapport van het Famine Early Warning Systems Network van 31 oktober 2025: Haiti – Food Security Outlook waarin wordt verwezen naar een rapport van de Internationale Organisatie voor Migratie van september 2025: Haiti – Report on the displacement situation in Haiti – Round 11 (September 2025).
21 Artikel 31, vijfde lid, van de Vw.
18. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Dit omdat de minister opnieuw zal moeten beoordelen in hoeverre eisers bij terugkeer hebben te vrezen voor ernstige schade. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
19. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
20. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 december 2025
Mr. A.A.M. Elzakkers , Rechter
B.J. van Rossum, Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.